Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:357

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
201608583/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2016:4355, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2016 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201608583/1/V3.

Datum uitspraak: 7 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 9 november 2016 in zaak nr. 16/23204 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2016 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 november 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.I. Vennik, advocaat te Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Bij het voorliggende besluit is de vreemdeling opnieuw in bewaring gesteld met het oog op uitzetting naar Suriname. De rechtbank heeft het beroep van de vreemdeling tegen het besluit gegrond verklaard en daartoe overwogen dat het op basis van de door de staatssecretaris verstrekte cijfermatige en overige informatie weinig waarschijnlijk lijkt dat de vreemdeling binnen de geldende maximale bewaringstermijnen in Suriname zal kunnen worden opgevangen en derhalve geen sprake is van een redelijk vooruitzicht op verwijdering van de vreemdeling naar Suriname. De staatssecretaris betwist dit oordeel.

2. In de enige grief klaagt de staatssecretaris, samengevat weergegeven, dat de rechtbank in de uitspraak onvoldoende inzicht geeft in de aan haar oordeel ten grondslag liggende gedachtegang, hetgeen in strijd is met het motiveringsbeginsel en meer in het bijzonder met artikel 8:77, tweede lid, van de Awb. Uit de door hem overgelegde informatie, in zijn geheel bezien, volgt dat het zicht op uitzetting naar Suriname binnen een redelijke termijn niet ontbreekt, aldus de staatssecretaris.

3. Aan haar oordeel heeft de rechtbank enkel ten grondslag gelegd dat het op basis van de door de staatssecretaris verstrekte cijfermatige en overige informatie weinig waarschijnlijk lijkt dat de vreemdeling binnen de geldende maximale bewaringstermijnen in het beoogde derde land Suriname zal worden opgevangen. Zij heeft daarbij niet geconcretiseerd welke informatie haar tot deze conclusie heeft gebracht. De staatssecretaris klaagt terecht dat de rechtbank hiermee onvoldoende inzicht heeft gegeven in de gronden die tot haar oordeel hebben geleid. Dit klemt te meer nu uit de in rechtsoverweging 3 van de aangevallen uitspraak gegeven weergave van de door de staatssecretaris overgelegde informatie, nog daargelaten dat deze, zoals de staatssecretaris terecht heeft betoogd, niet volledig is, volgt dat er in 2015 en 2016 tachtig laissez-passeraanvragen zijn ingediend en dat er in die periode in totaal drie laissez passer zijn verstrekt aan ongedocumenteerde vreemdelingen. Op basis hiervan kan niet zonder meer worden geoordeeld dat geen sprake is van zicht op uitzetting van de vreemdeling naar Suriname binnen een redelijke termijn. De enkele omstandigheid dat, zoals in rechtsoverweging 3 van de aangevallen uitspraak eveneens is weergegeven, de staatssecretaris geen kleurenkopie van een paspoort ten name van [persoon], voor wie de staatssecretaris de vreemdeling houdt, heeft overgelegd noch een afdruk van een uit dat paspoort gescande foto in het digitale vreemdelingendossier, is onvoldoende voor een andersluidend oordeel. Gelet op het vorenstaande kan de aangevallen uitspraak, nu deze geen kenbare inhoudelijke motivering bevat van het daarbij gegeven oordeel dat geen sprake is van een redelijk vooruitzicht op verwijdering van de vreemdeling, wegens strijd met artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb in rechte geen stand houden.

De grief slaagt reeds hierom.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen de staatssecretaris voor het overige heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

5. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 9 november 2016 in zaak nr. 16/23204;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Nienhuis

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2017

466-796.