Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3558

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
27-12-2017
Zaaknummer
201708950/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Kerkstraat 4-6" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708950/2/R3.

Datum uitspraak: 22 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker A] en [verzoeker B], beiden wonend te Oldenzaal,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Oldenzaal,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Kerkstraat 4-6" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker A] en [verzoeker B] beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 december 2017, waar [verzoeker A] en [verzoeker B], en de raad, vertegenwoordigd door J.J.M. Oude Avenhuis, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting verschenen [partij A] en Kerkstraat Beheer B.V., beide vertegenwoordigd door mr. C.M.M. van Mil, advocaat te Enschede, vergezeld door [gemachtigden].

Overwegingen

Inleiding

1.    Op de percelen Kerkstraat 4-6, dichtbij de karakteristieke Plechelmusbasiliek in de historische binnenstad van Oldenzaal, bevindt zich het voormalige Univé-gebouw, dat nu leeg staat. De raad vindt dit langwerpige, dakloze gebouw niet meer passen bij zijn ambities voor de binnenstad om winkelen aan de Kerkstraat en wonen in de binnenstad weer te beleven.

2.    [partij A] heeft het plan opgevat het gebouw te herontwikkelen. Zij wil het bestaande pand verbouwen ten behoeve van een detailhandelsfunctie op de begane grond en zes appartementen en een maisonette op de 1e en 2e verdieping. De raad wil zijn medewerking aan dit initiatief verlenen, omdat hij vindt dat het de kwaliteit van de binnenstad vergroot en bijdraagt aan de verlevendiging van de binnenstad. Het bestemmingsplan maakt de herontwikkeling van het gebouw mogelijk.

3.    [verzoeker A] en [verzoeker B] wonen in de directe omgeving van de Kerkstraat 4-6 en zijn het niet eens met het bestemmingsplan. Zij hebben op zichzelf geen problemen met een herontwikkeling van het pand in kwestie, maar zij kunnen zich niet vinden in de maximale bouwhoogte en bouwmassa die het plan mogelijk maakt in de historische binnenstad van Oldenzaal die hen zeer aan het hart gaat. [verzoeker B] heeft uitzicht op de achterkant van het te herontwikkelen pand. Voor [verzoeker A] heeft de herontwikkeling die het plan mogelijk maakt met name tot gevolg dat zijn bestaande uitzicht op de basiliek voor een aanzienlijk deel wordt weggenomen.

Verhouding tot de bodemprocedure

4.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Beoordeling van het verzoek

5.    De voorzieningenrechter stelt voorop dat in deze procedure alleen het bestemmingsplan ter beoordeling voorligt en niet de vraag of met de nog aan te vragen omgevingsvergunning voor bouwen zal worden voldaan aan de bouwregels in het bestemmingsplan. Ook de vraag of handhavend kan of moet worden opgetreden tegen het eventueel bouwen in strijd met de nog te verlenen vergunning is in deze procedure niet aan de orde.

6.    De voorzieningenrechter stelt eveneens voorop, zoals ter zitting ook is besproken, dat [verzoeker A] en [verzoeker B] als individuele burgers niet kunnen opkomen voor algemene (dorps)belangen, maar wel voor de eigen belangen die ze naar voren hebben gebracht. De voorzieningenrechter zal hieronder de belangrijkste beroepsgronden, die ook ter zitting aan de orde zijn gekomen, behandelen.

7.    De vraag die partijen vooral verdeeld houdt, is of de raad de maximaal toegestane bouwhoogte in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. [verzoeker A] en [verzoeker B] betogen dat deze bouwhoogte hun uitzicht onaanvaardbaar aantast. [verzoeker A] voert in dit verband aan dat zijn unieke uitzicht op de basiliek teveel wordt weggenomen. [verzoeker B] wijst er nog op dat zijn privacy wordt aangetast, nu er vanaf balkons aan de achterkant van het nieuwe gebouw op zijn dakterras zal kunnen worden gekeken. Ook brengen zij beiden naar voren dat de maximaal toegestane bouwhoogte leidt tot onaanvaardbare schaduwwerking.

7.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat drie bouwlagen met een kap aan de kant van de Kerkstraat passend is in de omgeving en dat de maximum bouwhoogte het woon- en leefklimaat van [verzoeker A] en [verzoeker B] niet onaanvaardbaar aantast.

7.2.    Gelet op artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder b, van de planregels in samenhang met de aanduidingen op de verbeelding, zijn bouwhoogten van maximaal 10,5 meter, 11 meter en 13,5 meter (aan de kant van de Kerkstraat) toegestaan.

    Lid 3.2.1 luidt verder:

"c. de gebouwen worden gebouwd met kap;

d. de dakhelling van kappen bedraagt minimaal 30º dan wel de bestaande dakhelling;

(…)."

7.3.    Vast staat dat [verzoeker A] als gevolg van de grotere bouwhoogten die het plan mogelijk maakt een gedeelte van zijn uitzicht op de basiliek zal verliezen en dat [verzoeker B] geconfronteerd kan worden met toekomstige bewoners die vanaf de achterzijde van het nieuwe gebouw op zijn dakterras kunnen kijken. De raad heeft zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat niet onaanvaardbaar wordt aangetast.

    Bij dit oordeel betrekt de voorzieningenrechter dat het plangebied zich in een binnenstedelijke omgeving bevindt, dat [verzoeker B] op een afstand van ongeveer 20 meter tot het plangebied woont en dat [verzoeker A] geen recht heeft op blijvend uitzicht op de basiliek, ook al hecht hij daar persoonlijk heel veel waarde aan. Wat de gestelde schaduwhinder betreft, hebben [verzoeker A] en [verzoeker B] onvoldoende ingebracht tegen de in opdracht van [partij A] door een deskundige opgestelde bezonningsstudie, om te twijfelen aan de ter zitting geuite conclusie van de raad dat [verzoeker B] geen schaduwwerking zal ondervinden en dat de schaduwwerking die [verzoeker A] zal ondervinden aanvaardbaar is. Voor zover [verzoeker A] heeft opgemerkt dat hij zelf een bezonningsstudie heeft laten uitvoeren, heeft hij deze niet overgelegd en hebben de andere partijen ter zitting te kennen gegeven dat zij met deze studie niet bekend zijn.

8.    Verzoekers hebben aangevoerd dat ten onrechte niet in de eigen parkeerbehoefte wordt voorzien. Op p. 35 van de plantoelichting staat de berekening van de parkeerbehoefte weergegeven. Uit deze berekening volgt dat de parkeerbehoefte als gevolg van het plan gelijk blijft aan de huidige parkeerbehoefte vanwege het pand. Noch in de stukken, noch ter zitting hebben [verzoeker A] en [verzoeker B] concrete bezwaren tegen deze berekening geuit. Op p. 20 en p. 21 van de plantoelichting staat verder dat nader onderzoek heeft uitgewezen dat er ruim voldoende reservecapaciteit aan parkeergelegenheid beschikbaar is en dat een parkeeronderzoek opnieuw heeft uitgewezen dat er geen parkeerprobleem is in de binnenstad en dit volgens de prognoses ook niet is te verwachten voor de komende 5 à 10 jaar. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat het plan wat betreft het aspect parkeren onzorgvuldig is voorbereid.

9.    In verband met het betoog over de economische uitvoerbaarheid van het plan, is ter zitting desgevraagd niet gebleken van een gebrek aan belangstelling voor de woningen en de winkelruimte op de begane grond. De voorzieningenrechter ziet daarom vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het pand niet exploitabel is, zodat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

Conclusie

10.    Nu de voorzieningenrechter ook in de overige beroepsgronden op voorhand geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de raad het bestemmingsplan niet heeft kunnen vaststellen, zal de voorzieningenrechter het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Zweistra-Immink, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Zweistra-Immink

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2017

813.