Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3546

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
27-12-2017
Zaaknummer
201609807/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juni 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609807/1/V1.

Datum uitspraak: 20 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 november 2016 in zaak nr. 16/14354 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 6 juni 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar alsnog ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 november 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. van Koesveld, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Bij het besluit van 7 juni 2015 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling in het kader van de procedure Toegang en Verblijf met als doel 'verblijf bij echtgenote' afgewezen, omdat referente niet in het bezit was van een geldige verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 8, a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Bij besluit van 4 september 2015 heeft de staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 7 juni 2015 herroepen, omdat de daarin tegengeworpen afwijzingsgrond zich niet meer voordoet en verklaard geen bezwaar te hebben tegen de afgifte van een mvv aan de vreemdeling. Voor zover thans van belang heeft de staatssecretaris bij besluit van 6 juni 2016 het besluit van 4 september 2015 ingetrokken en het tegen het besluit van 7 juni 2015 gemaakte bezwaar alsnog ongegrond verklaard. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat het besluit van 4 september 2015 op onjuiste gronden is genomen, nu uit Suwinet-gegevens is gebleken dat referente over ten minste vijf maanden niet aan het normbedrag heeft voldaan en voorts haar bij de aanvraag overgelegde arbeidsovereenkomst met [schoonmaakbedrijf] inmiddels blijkt te zijn ontbonden. Hij heeft tegengeworpen dat aldus is gebleken dat niet van de overgelegde gegevens kon worden uitgegaan en de vreemdeling heeft verzuimd om door te geven dat er veranderingen in de inkomenssituatie van referente waren opgetreden. Voorts heeft hij tegengeworpen dat is gebleken dat de vreemdeling feitelijk niet aan het middelenvereiste heeft voldaan.

2.    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, geoordeeld dat de staatssecretaris in dit specifieke geval, gelet op het feitenverloop, niet zorgvuldig en daarmee in strijd met artikel 3:2 van de Awb heeft gehandeld. Hierbij heeft zij in aanmerking genomen dat het op de weg van de staatssecretaris had gelegen om de vreemdeling, alvorens een besluit te nemen, mee te delen dat hij voornemens was het besluit van 4 september 2015 in te trekken en de aanvraag op een andere grond af te wijzen en dat om die reden nadere informatie werd gevraagd. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het besluit van 6 juni 2016 vernietigd. Vervolgens heeft de rechtbank in het kader van finale geschilbeslechting onderzocht of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. In dat kader heeft zij overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling gegevens heeft achtergehouden, die, indien zij bekend waren geweest, tot afwijzing van de aanvraag hadden geleid, omdat niet langer aan het middelenvereiste werd voldaan. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat zij een in beroep overgelegde nieuwe arbeidsovereenkomst gelet op de ex-tunc toets niet kan meenemen in haar beoordeling. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris de aanvraag heeft mogen afwijzen en heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

3.    Hetgeen in de eerste grief is aangevoerd en aan artikel 85, eerste lid van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

4.    In de tweede grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank bij de beantwoording van de vraag of de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven ten onrechte heeft overwogen dat de in beroep overgelegde nieuwe arbeidsovereenkomst, gelet op de ex-tunc toets, niet kan worden betrokken bij de beoordeling. Dusdoende heeft de rechtbank ten onrechte geen acht geslagen op de relevante omstandigheid dat hij inmiddels aan het middelenvereiste voldoet, aldus de vreemdeling.

4.1.    Bij de beoordeling of de rechtsgevolgen van een vernietigd besluit in stand kunnen blijven, moet de bestuursrechter in beginsel uitgaan van de feiten, omstandigheden en het geldend recht op het moment van de uitspraak. De vreemdeling heeft de klacht in zoverre terecht voorgedragen. De Afdeling zal daarom hierna, in het licht van de aan het besluit van 6 juni 2016 ten grondslag gelegde afwijzingsgronden, beoordelen of de nieuwe arbeidsovereenkomst maakt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand heeft kunnen laten.  

4.2.    De Afdeling begrijpt het besluit van 6 juni 2016 aldus dat de staatssecretaris aan de afwijzing van de aanvraag artikel 16, eerste lid, aanhef, onderdelen c en i, van de Vw 2000 ten grondslag heeft gelegd.

4.3.    Artikel 16, eerste lid, van de Vw 2000 luidt:

'Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien:

[…];

c. de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;

[…];

i. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van een eerdere aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een visum of een verblijfsvergunning hebben geleid of zouden hebben geleid;

[…]'.

4.4.    Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, van de Vw 2000 heeft betrekking op de situatie dat onjuiste gegevens zijn verstrekt of gegevens zijn achtergehouden bij een eerdere aanvraag. Omdat in dit geval sprake is van een eerste aanvraag is deze bepaling niet van toepassing, zodat de relevantie van de nieuwe arbeidsovereenkomst met het oog op die afwijzingsgrond in het midden kan blijven. In het kader van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 is van belang of de vreemdeling ten tijde van de uitspraak van de rechtbank alsnog aan de voorwaarden voor verblijf voldeed. Gelet op de stelling van de vreemdeling dat de nieuwe arbeidsovereenkomst van referente maakt dat hij inmiddels aan het middelenvereiste voldoet en het op de weg van de staatssecretaris ligt om dit te onderzoeken, is de rechtbank ten onrechte overgegaan tot instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.

    De grief slaagt.

5.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 6 juni 2016 in stand blijven. Dit betekent dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar.

6.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 november 2016 in zaak nr. 16/14354, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 6 juni 2016 in stand blijven;

III.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV.    gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 251,00 (zegge: tweehonderdeenenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Hanrath

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2017

392.