Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3545

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
27-12-2017
Zaaknummer
201607760/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2016:3936, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 10 september 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607760/1/V2.

Datum uitspraak: 20 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1.    de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

2.    [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], hierna tezamen: de vreemdelingen), mede voor hun minderjarige kinderen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 7 oktober 2016 in zaken nrs. NL16.2455 en NL16.2456 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 10 september 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 7 oktober 2016 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M. Snel-de Kroon, advocaat te Deventer, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

    Inleiding

1.    De vreemdelingen hebben de Iraakse nationaliteit en hebben aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd dat zij bij terugkeer naar Irak te vrezen hebben voor een commandant van de peshmerga's, omdat deze ervan op de hoogte is dat vreemdeling 1, die als kok werkzaam was bij de peshmerga's, een bankoverval door handlangers van de commandant heeft gefilmd. De staatssecretaris heeft het asielrelaas van de vreemdelingen ongeloofwaardig geacht.

In het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen

2.    Hetgeen in het incidenteel hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

3.    Het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen is kennelijk ongegrond.

In het hoger beroep van de staatssecretaris

4.    De staatssecretaris klaagt in zijn grieven, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij het asielrelaas van de vreemdelingen ongeloofwaardig acht. Hij betoogt in de derde grief dat hij de verklaringen van vreemdeling 1 over de taken die deze heeft verricht tijdens het bewaken van de bank, terecht als tegenstrijdig heeft aangemerkt. In de vijfde grief betoogt de staatssecretaris dat hij terecht is voorbijgegaan aan de nuancering van de verklaring van vreemdeling 2 over waarom vreemdeling 1 stopte met het filmen van de bankoverval, omdat zij deze nuancering pas heeft gemaakt nadat zij werd geconfronteerd met de andersluidende verklaring van vreemdeling 1. Voorts betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat hij in het besluit van vreemdeling 1 heeft tegengeworpen dat die in de zienswijze een verklaring heeft gegeven die afwijkt van wat hij in het nader gehoor heeft verklaard.

4.1.    Vreemdeling 1 heeft over de taken die hij heeft verricht tijdens het bewaken van de bank tijdens het eerste gehoor verklaard dat hij leiding gaf aan twaalf soldaten en dat hij bevelen aan hen moest doorgeven. Tijdens het nader gehoor heeft vreemdeling 1 verklaard dat hij van de commandant toezicht moest houden op de mannen en dat hij moest doorgeven wat de mannen nodig hadden, en vervolgens heeft hij verklaard dat hij geen opdracht heeft gekregen om de mannen aan te sturen. Dat de rechtbank uit het samenstel van deze verklaringen heeft afgeleid dat vreemdeling 1 geen leiding gaf, maar de communicatie verzorgde tussen de mannen die de bewaking uitvoerden en de leiding, laat, zoals de staatssecretaris in zijn derde grief terecht betoogt, onverlet dat vreemdeling 1 zelf geen toereikende verklaring voor zijn wisselende verklaringen in de gehoren heeft gegeven. De staatssecretaris heeft vreemdeling 1 dan ook terecht tegengeworpen dat hij over de taken die hij heeft verricht, tegenstrijdig heeft verklaard.

    Gelet hierop en nu hetgeen hiervoor onder 2. is overwogen tot gevolg heeft dat in rechte vaststaat dat de staatssecretaris terecht aan de vreemdelingen heeft tegengeworpen dat zij over de vraag wat er in de zakken of dozen zat van de mannen die tijdens de overval in de bank aanwezig waren, tegenstrijdig hebben verklaard, heeft de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft overwogen, deugdelijk gemotiveerd waarom hij ongeloofwaardig acht dat vreemdeling 1 werd ingezet bij het bewaken van een bank en dat die bank toen werd beroofd door handlangers van de commandant. Gelet hierop behoeft hetgeen de staatssecretaris in de eerste en tweede grief heeft aangevoerd, geen bespreking meer.

4.2.    Over het filmen van de bankoverval heeft vreemdeling 1 tijdens het nader gehoor verklaard dat de handlangers van de commandant niet hebben gezien dat hij de overval filmde. Vreemdeling 2 heeft tijdens het nader gehoor echter tweemaal verklaard dat, toen vreemdeling 1 met zijn telefoon een filmpje maakte van de bankoverval, de handlangers van de commandant hem hebben onderbroken en zeiden dat hij niet mocht filmen. In zijn hogerberoepschrift is de staatssecretaris de rechtbank gevolgd in haar overweging dat vreemdeling 2 haar verklaringen over de reden waarom vreemdeling 1 zou zijn gestopt met het filmen van de bankoverval tijdens het nader gehoor heeft genuanceerd, door te verklaren dat zij alleen wist dat vreemdeling 1 had gezegd dat hij na drie minuten niet verder kon filmen. De staatssecretaris betoogt in de vijfde grief evenwel terecht dat zij dit pas heeft gedaan nadat zij met de andersluidende verklaringen van vreemdeling 1 is geconfronteerd. De staatssecretaris is dan ook terecht voorbijgegaan aan de nuancering van vreemdeling 2 op hetgeen zij eerder had verklaard over waarom vreemdeling 1 stopte met het filmen van de bankoverval. Verder heeft vreemdeling 1 in de zienswijze zijn verklaring tijdens het nader gehoor, dat hij gebeld werd toen de handlangers eraan kwamen aan, gewijzigd in dat hij toen opnames maakte. De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank aan deze tegenstrijdige verklaring is voorbijgegaan.

4.3.    Verder vloeit uit hetgeen hiervoor onder 2. is overwogen voort dat in rechte vaststaat dat de staatssecretaris niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat vreemdeling 1 is teruggekeerd naar zijn woning.

4.4.    Gelet op het vorenstaande, in onderlinge samenhang beschouwd, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas van de vreemdelingen ongeloofwaardig is. De grieven slagen.

5.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van de vreemdelingen tegen de besluiten van 10 september 2016 alsnog ongegrond verklaren.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond;

II.    verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen ongegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 7 oktober 2016 in zaken nrs. NL16.2455 en NL16.2456;

IV.    verklaart de in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Graat

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2017

307-832.