Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3507

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
201701103/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein Spoorlanden" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2018/7902 met annotatie van G. van den End
AR 2017/6667
JM 2018/24 met annotatie van A. Wagenmakers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701103/1/R3.

Datum uitspraak: 20 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Grafhorst, gemeente Kampen,

2.    [appellant sub 2], wonend te IJsselmuiden, gemeente Kampen,

3.    [appellant sub 3], wonend te IJsselmuiden, gemeente Kampen,

4.    [appellant sub 4], wonend te IJsselmuiden, gemeente Kampen,

5.    [appellant sub 5] en anderen, allen wonend te IJsselmuiden, gemeente Kampen,

en

de raad van de gemeente Kampen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein Spoorlanden" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2017, waar [appellant sub 1], bijgestaan door [gemachtigde A], [appellant sub 2] en [appellant sub 3], beiden vertegenwoordigd door [gemachtigde A], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] en anderen, bij monde van [appellant sub 5], bijgestaan door mr. T. Tuenter, rechtsbijstandverlener te Giethoorn, en de raad, vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, vergezeld door J.M. van den Berg, werkzaam bij de gemeente, en drs. G.M. van der Molen, werkzaam bij de Stec Groep B.V., zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting de [belanghebbende A] en anderen, vertegenwoordigd door mr. S. Maakal, advocaat te Heerenveen, en [gemachtigde B], gehoord.

Overwegingen

Het plan

1.    Het plan voorziet in de uitbreiding van het bedrijventerrein Spoorlanden in IJsselmuiden. Aanleiding hiervoor is de wens van de raad tot transformatie van een deel van het bestaande bedrijventerrein Spoorlanden naar een woon-/werkgebied in combinatie met de concrete behoefte van enkele gevestigde ondernemers om uit te breiden, hetgeen op het bestaande bedrijventerrein Spoorlanden niet mogelijk is. Het bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van ongeveer 7 hectare netto bedrijventerrein mogelijk.

2.    [appellant sub 1] is eigenaar van agrarische gronden in het plangebied en wenst de mogelijkheid om zijn bedrijf op die gronden uit te breiden.

    [appellant sub 2] en [appellant sub 3] wonen ieder in een bedrijfswoning aan de rand van het huidige bedrijventerrein Spoorlanden, ten noorden van de in het plan voorziene uitbreiding. Zij vrezen een toename van geluidhinder als gevolg van de in het plan voorziene rotonde en een aantasting van hun vrije uitzicht en woon- en leefklimaat als gevolg van de uitbreiding van het bedrijventerrein.     

    [appellant sub 4] en [appellant sub 5] en anderen wonen ieder in een burgerwoning in de nabijheid van het plangebied. Zij vrezen een toename van geluidhinder en aantasting van hun woon- en leefklimaat als gevolg van de uitbreiding van het bedrijventerrein.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Ladder voor duurzame verstedelijking

4.    [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] en anderen betogen dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is vastgesteld.

4.1.    Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidt:

"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld."

4.2.    Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is blijkens de geschiedenis van totstandkoming van deze bepaling (nota van toelichting, blz. 34 en 49; Stb. 2012, 388) beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

4.3.    De raad heeft zich bij de beoordeling van de vraag of de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte gebaseerd op de door de Stec Groep opgestelde rapporten "Toets Ladder voor duurzame verstedelijking uitbreiding Spoorlanden" van november 2014 (hierna: Stec-rapport) en "Actualisatie Ladder toets uitbreiding bedrijventerrein Spoorlanden" van 15 september 2016 (hierna: de Actualisatie). De inhoud daarvan is samengevat weergegeven in paragraaf 3.5 van de plantoelichting.

- Schaalniveau

5.    [appellant sub 5] en anderen stellen dat het onderzoek naar de regionale behoefte zich ten onrechte heeft beperkt tot de gemeente Kampen.

    [appellant sub 4] stelt dat de bedrijven, [belanghebbende B], Driepak Verpakkingen en [belanghebbende A], geen lokale aan IJsselmuiden gebonden bedrijven zijn, omdat het afzetgebied van deze bedrijven bovenregionaal is. De raad heeft het aspect lokaal oneigenlijk toegepast, aldus [appellant sub 4].    

5.1.    De raad stelt dat als uitgangspunt voor een verzorgingsgebied van categorie 3.2 bedrijven doorgaans een straal van 10 km en maximaal 15 km wordt gehanteerd. Ook in dit geval is in het Stec-rapport uitgegaan van een straal van 10 km tot 15 km rond het huidige bedrijventerrein.

    De raad stelt dat de bedrijfsruimtemarkt een sterk lokaal georiënteerde marktregio betreft. Dit heeft te maken met de afzetmarkt, de klantenkring die zich in de omgeving van de regio bevindt en de werknemers die in de regio wonen. Ook in dit geval zijn de desbetreffende bedrijven lokaal gebonden, want de afzetmarkt bevindt zich in de regio, de werknemers wonen in de gemeente Kampen, de bedrijven betrekken hun producten uit de regio en de bedrijven zijn geworteld in Kampen.

5.2.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724 (Dongeradeel), zal in het kader van de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking van geval tot geval moeten worden bezien welk regionaal schaalniveau past bij de stedelijke ontwikkeling waarin het plan voorziet.

    In het Stec-rapport staat dat de marktregio de relevante reikwijdte, ofwel het verzorgingsgebied van een functie betreft. Het gaat feitelijk om de behoefte in en vanuit het gebied waar het zwaartepunt van de marktvraag voor de betreffende ontwikkeling zich bevindt. Voor bedrijfsruimte gaat het hierbij vaak om een straal van zo’n 10 tot 20 kilometer rondom de locatie. Voor Kampen en de uitbreiding van bedrijventerrein Spoorlanden en IJsselmuiden in het bijzonder gaat het dan met name om locaties in de gemeente en kern zelf. De eindgebruikers voor Spoorlanden bestaan voor 90 tot 95% uit bedrijven en ondernemers uit de eigen gemeente. Daarmee is sprake van een lokale behoefte, aldus het Stec-rapport.

    In de Actualisatie staat in paragraaf 2.2 dat onderzoeken van het Planbureau voor de Leefomgeving en het Centraal Bureau voor de Statistiek uitwijzen dat de bedrijfsruimtemarkt voor een groot deel een lokale markt is. In totaal zijn er jaarlijks ongeveer 65.000 bedrijfsverplaatsingen. Ruim 2/3e deel daarvan verplaatst zich binnen de gemeentegrenzen.

    In paragraaf 3.5 van de plantoelichting staat dat binnen de provincie Overijssel gesprekken worden gevoerd over het belang van een goede programmering van werklocaties, specifiek bedrijventerreinen. De provincie Overijssel wil met het proces van regionaal programmeren afspraken maken met diverse gemeenten over een goede kwalitatieve en kwantitatieve afstemming tussen vraag en aanbod van bedrijventerreinen. Uit de eerste berekeningen die door diverse gemeenten in overleg met de provincie zijn uitgevoerd, volgt dat de vraag naar bedrijventerrein in Kampen groter is dan het aanbod. Tevens is duidelijk dat de logistieke bedrijvigheid sterk groeit in de regio, aldus de plantoelichting.

    Uit het voorgaande komt naar voren dat het hier voor een groot deel om een lokale markt gaat. [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 4] hebben geen concrete feiten of omstandigheden aangedragen op grond waarvan naar het oordeel van de Afdeling moet worden geoordeeld dat de raad in redelijkheid niet heeft kunnen uitgaan van een schaalniveau van een straal van 10 km tot maximaal 15 km rond het huidige bedrijventerrein Spoorlanden als passend regionaal schaalniveau voor de toepassing van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

- Actuele regionale behoefte

6.    [appellant sub 5] en anderen stellen dat de actuele regionale behoefte aan de uitbreiding van Spoorlanden niet is aangetoond en dat derhalve het nut en de noodzaak van het plan ontbreken. Onder verwijzing naar paragraaf 3.5 van de plantoelichting en de vertrouwelijke brief van [persoon] aan de raad, van 21 maart 2017, voeren zij aan dat de provincie Overijssel een overaanbod aan bedrijventerreinen heeft. Dit geldt volgens hen temeer nu de uitbreiding Spoorlanden met name is bedoeld voor lokale bedrijven uit IJsselmuiden en de actuele regionale behoefte uit het dorp veel kleiner is dan de voorziene ontwikkeling. In dat verband betogen [appellant sub 5] en anderen dat er weliswaar afstemming in regionaal verband is geweest met Zwolle en Zwartewaterland, maar dat afstemming ook buiten de provinciegrens met de buurgemeenten Dronten, Noordoostpolder, Oldebroek en Hattem had moeten plaatsvinden. De uitbreiding Spoorlanden had moeten worden betrokken bij actualisaties van de Regionale Programmering Bedrijventerreinen (hierna: RPB) voor de regio’s West-Overijssel en Noord-Veluwe.

    Ook [appellant sub 2] en [appellant sub 3] zijn niet overtuigd van de noodzaak van het plan. Zij voeren aan dat de provincie Overijssel de raad per e-mail, van 15 juli 2016, heeft gevraagd de behoefte aan een nieuw bedrijventerrein te actualiseren, omdat dit plan raakt aan het bestuurlijk vastgestelde traject van de regionale programmering werklocaties. Dit is volgens hen ten onrechte niet gebeurd.

    [appellant sub 4] stelt dat de gemeente Kampen over voldoende aanbod van bedrijventerreinen beschikt en ten onrechte is uitgegaan van een bestaand aanbod van 18,3 ha. [appellant sub 4] voert aan dat op bedrijventerrein De Zuiderzeehaven kavels van 5,9 en 7,4 ha te koop zijn en dat de gemeente op bedrijventerrein Haatland I en II, Bedrijvenpark Rijksweg 50 en andere bedrijventerreinen meer dan 30 ha in eigendom heeft. In de reactie op de zienswijze wordt het argument van [appellant sub 4] dat tuinbouwgebied De Koekoek nog 100 ha plancapaciteit biedt te gemakkelijk afgedaan met het argument dat dit terrein agro-gerelateerd is. Bovendien zijn volgens hem op het huidige bedrijventerrein Spoorlanden nog percelen beschikbaar.

6.1.    De raad stelt dat in de Actualisatie een behoefte is berekend van 26 ha aan kavels groter dan 2.500 m2. Niet valt volgens de raad in te zien waarom hij niet van deze behoefte heeft mogen uitgaan. Daarbij wijst de raad erop dat de uitgifte vanaf 2008 3,3 ha per jaar bedroeg.

    De raad stelt dat de uitbreiding bedrijventerrein Spoorlanden is betrokken bij het RPB. Bedrijventerrein Spoorlanden wordt in het RPB genoemd als bedrijventerrein waarvoor een concrete marktvraag bestaat. Voorts wordt in het RPB vermeld dat er in Kampen sprake is van een situatie met minder aanbod dan dat er vraag verwacht wordt. Op provinciaal niveau worden de bevindingen van de Stec Groep onderschreven, aldus de raad.

6.2.    Voor zover [appellant sub 2] en [appellant sub 3] stellen dat er naar aanleiding van de e-mail van de provincie Overijssel van 15 juli 2016 geen actualisatie van het behoefteonderzoek heeft plaatsgevonden, overweegt de Afdeling dat de Actualisatie dateert van 15 september 2016. Dit betekent dat na 15 juli 2016 een actualisatie heeft plaatsgevonden. In zoverre mist deze beroepsgrond feitelijke grondslag.

6.3.    In de Actualisatie staat dat bedrijventerrein Zuiderzeehaven een zeehaventerrein betreft voor havengebonden bedrijvigheid. Op dat terrein is 5,9 ha uitgeefbaar voor modern-gemengde en reguliere bedrijvigheid. Daarnaast is 7,4 ha uitgeefbaar, maar dit is voorbehouden aan havengebonden bedrijvigheid, omdat dit deel daartoe specifiek is bestemd. De locatie Koekoekspolder betreft een glastuinbouwgebied voor tuinbouwgerelateerde bedrijvigheid. Dit terrein heeft een ander profiel dan de uitbreiding van Spoorlanden en richt zich op een ander segment bedrijven dan de uitbreiding van Spoorlanden.

    In de Actualisatie is voor de confrontatie van vraag en aanbod voor de uitbreiding van Spoorlanden specifiek gekeken naar de uitgeefbare kavels voor modern-gemengde bedrijventerreinen. In totaal gaat het dan om 18,4 ha (5,9 ha op Zuiderzeehaven, 10,7 ha op Bedrijvenpark Rijksweg 50 en 1,8 ha op Haatland). Volgens de Actualisatie bedraagt de kwantitatieve vraag in de marktregio naar bedrijventerreinen groter dan 2500 m² tot en met 2025 ongeveer 26 ha netto (exclusief vervangingsvraag). De harde plancapaciteit binnen de marktregio bedraagt volgens de Actualisatie 18,4 ha. Er is volgens de Actualisatie tot en met 2025 in de marktregio dan ook een behoefte aan ongeveer 8 ha netto bedrijventerreinen.

6.4.    De Afdeling stelt vast dat vestiging van bedrijven als hier aan de orde niet mogelijk is op bedrijventerrein Koekoekspolder en op de havengebonden kavels op bedrijventerrein Zuiderzeehaven. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze kavels niet betrokken hoeven te worden bij het bepalen van de actuele regionale behoefte.

    Uit de Actualisatie volgt dat er in de marktregio tot en met 2025 een behoefte bestaat aan 8 ha netto bedrijventerrein. De stellingen van [appellant sub 4] dat de gemeente diverse kavels op verschillende bedrijventerreinen in eigendom heeft en de stelling van [appellant sub 5] en anderen dat de provincie Overijssel een overaanbod aan bedrijventerreinen heeft, doen bij de Afdeling geen twijfel rijzen aan de volledigheid en de juistheid van de onderzoeken van de Stec Groep wat betreft de bepaling van de behoefte in deze marktregio. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de Stec Groep de vraag heeft bezien over de periode tot 2025 en het plan zich uitstrekt over een periode van in beginsel tien jaar.

    Nu [appellant sub 4] en [appellant sub 5] en anderen verder geen concrete bezwaren naar voren hebben gebracht tegen de methode aan de hand waarvan de Stec Groep de kwantitatieve (en kwalitatieve) vraag naar bedrijventerrein heeft bepaald, bestaat in zoverre geen aanleiding de bepaling van de regionale behoefte ondeugdelijk te achten.

- herstructurering

7.    [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] en anderen stellen dat de raad onvoldoende heeft verantwoord of binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins.

    Volgens [appellant sub 5] en anderen bedraagt de huidige harde plancapaciteit van bedrijventerreinen ongeveer 17 ha, 12 ha op bedrijvenpark Rijksweg 50 en 4,9 ha op locatie Zuiderzeehaven. Met dit aanbod op de bestaande bedrijvenparken kan volgens hen met een uitgiftetempo van 2 ha per jaar prima aan de huidige vraag worden voldaan.

    [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] stellen dat het lijkt of het plan uitsluitend is opgesteld ten behoeve van drie specifieke ondernemers. In dit plan is volgens hen ten onrechte niet de mogelijkheid bekeken om (deels) via herstructurering van het huidige bedrijventerrein aan de uitbreidingsvraag van de drie ondernemers te kunnen voldoen.

    [appellant sub 4] stelt dat op het bestaande bedrijventerrein Spoorlanden na branden nieuwe panden zijn gebouwd en dat hierdoor de nodige ruimte voor uitbreiding van bedrijven is gecreëerd. [appellant sub 4] wijst er voorts op dat op het bestaande bedrijventerrein veel detailhandel voorkomt, terwijl dat planologisch niet is toegestaan. Dit heeft leegstand van winkels en kantoorpanden in het centrum tot gevolg. Wanneer de raad de detailhandel naar het centrum verplaatst, komt er volgens [appellant sub 4] ruimte op het huidige bedrijventerrein en is voorliggende uitbreiding van het bedrijventerrein niet nodig.

7.1.    Deze beroepsgronden falen. Artikel 3.1.6, tweede lid, onder b, van het Bro strekt ertoe dat met het oog op zorgvuldig ruimtegebruik voor de nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt bezien of deze kan worden voorzien binnen stedelijk gebied. Uit artikel 3.1.6, tweede lid, onder b, van het Bro volgt niet dat wanneer er een behoefte is berekend voor ontwikkelingen zoals hier aan de orde, daarvoor eerst bestaande bedrijventerreinen moeten worden benut. De raad kan indien de actuele regionale behoefte groter is dan de binnen bestaande bedrijventerreinen aanwezige mogelijkheden ter leniging daarvan, een uitbreiding mogelijk maken voordat alle bedrijventerreinenlocaties zijn benut, mits deugdelijk gemotiveerd.

8.    Gelet op het voorgaande komt de Afdeling tot de conclusie dat in hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding is gelegen voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, onder a en b, van het Bro.

    Het betoog faalt.

Provinciaal beleid

9.    [appellant sub 5] en anderen stellen dat het plan ten onrechte geen waarborg bevat voor de weidevogelcompensatie.

9.1.    De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan provinciaal beleid gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

9.2.    In de Natuurtoets Spoorlanden, IJsselmuiden van Ecogroen van 19 september 2016 (hierna: Natuurtoets) staat dat in de Omgevingsvisie Overijssel (hierna: Omgevingsvisie) voor natuurwaarden buiten het Natuur Netwerk Nederland, zoals weidevogelbeheergebieden, geen specifieke voorwaarden worden gesteld aan compensatie. In paragraaf 4.3.3 van de Omgevingsvisie staat over weidevogelgebieden dat de provincie de ruimtelijke voorwaarden voor de instandhouding creëert door de specifieke gebiedskenmerken te waarborgen die van belang zijn voor weidevogels, waarbij landbouw het primaat houdt.

    In de Natuurtoets staat voorts dat op twee manieren kan worden gecompenseerd: door een vergelijkbaar oppervlak elders gelijkwaardig in te richten of door een kleiner gebied hoogwaardig in te richten. De uiteindelijke invulling van de compensatieopgave is maatwerk en onder meer afhankelijk van de geschiktheid van de locatie, inrichting, beheermaatregelen en de medewerking van de grondeigenaar. Voor de compensatie wordt een inrichtings- en beheerplan opgesteld met daarin opgenomen een monitoringsplan. Voorafgaand aan het plan wordt een 0-meting uitgevoerd.

    In de plantoelichting staat dat de compensatie uiterlijk binnen 3 jaar nadat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden, moet zijn gerealiseerd. Voor de benodigde compensatie voor dit bouwplan zijn financiële middelen gereserveerd.

    Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met provinciaal beleid.

    Het betoog faalt.    

Planregels

10.    [appellant sub 1] wenst zijn bedrijf uit te breiden en kan dit op de huidige locatie in Grafhorst niet realiseren. [appellant sub 1] is eigenaar van een perceel dat direct grenst aan de gronden waaraan de bestemming "Bedrijventerrein" is toegekend. Hij heeft daarom in zijn zienswijze de raad verzocht het plan aan te passen, zodat hij zich eventueel op het agrarische gedeelte in het plangebied kan vestigen. [appellant sub 1] voert aan dat het mogelijk is om in het plan een wijzigingsbevoegdheid voor het agrarisch gedeelte op te nemen, zodat de wens van [appellant sub 1] alsnog kan worden ingewilligd na het aanleveren van een onderbouwing hiertoe.

10.1.    De raad stelt dat [appellant sub 1] in zijn zienswijze slechts in algemene zin kenbaar heeft gemaakt dat hij voor zijn bedrijf, [bedrijf], op zoek is naar ontwikkelingsmogelijkheden. Hij heeft zijn wensen echter niet geconcretiseerd. Ten tijde van de vaststelling van het plan bestond daarom geen inzicht in de omvang van de bebouwing en de soort bedrijvigheid die [appellant sub 1] ter plaatse wenste te realiseren. Nu daarover onvoldoende duidelijkheid bestond, was het volgens de raad onmogelijk om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de gewenste ontwikkeling te beoordelen. De raad heeft daarom op de gronden van [appellant sub 1] afgezien van het toekennen van de gewenste bestemming, dan wel het opnemen van een uitwerkingsplicht of wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van die bestemming.

10.2.    In het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9945, volgt dat de raad met een voornemen dat onvoldoende concreet is bij de vaststelling van het plan geen rekening hoefde te houden.

10.3.    Aan de gronden van [appellant sub 1] in het plangebied is de bestemming "Agrarisch" toegekend. Het is onbetwist dat [appellant sub 1] ten tijde van de vaststelling van het plan zijn wensen niet heeft geconcretiseerd. Met dit voornemen hoefde de raad bij de vaststelling van het plan dan ook geen rekening te houden.

    Het betoog faalt.

Ruimtelijke inpassing

11.    [appellant sub 4] vreest aantasting van de landschappelijke en natuurlijke waarden van het Nationaal Landschap als gevolg van het toegestane bebouwingspercentage van 75% met de mogelijkheid tot afwijking tot maximaal 90%. Hij voert aan dat de doorkijk over het als Nationaal Landschap aangemerkte weidegebied naar het als cultuurhistorisch aangemerkte buurtschap Oosterholt, wordt aangetast. Hij voert aan dat de belangen van het open landschap met het zicht op het IJsselfront hogere prioriteit heeft dan de belangen van enkele ondernemers. [appellant sub 5] en anderen stellen dat het plan de openheid van het Nationaal Landschap IJsseldelta aantast en dat de landschappelijke inpassing van het plan onvoldoende is gewaarborgd.

11.1.    De raad stelt dat de landschappelijke inpassing is geïntegreerd in de gekozen planopzet en ligging van het plangebied, omdat de kenmerken van het landschap ter plaatse als onderlegger tot uitgangspunt is genomen. Zo volgen de bouwvlakken in het plan het slotenpatroon, waarbij in de opzet de diagonaal ten opzichte van de wegenstructuur lopende centraal gelegen sloot, als uitgangspunt is genomen. De sloot is omringd met gronden waaraan de bestemming "Groen" is toegekend. Deze gronden zijn eigendom van de gemeente. Op deze gronden zal een bomenrij langs de sloot worden geplant.

    De raad stelt voorts dat is beoogd de groene entree van IJsselmuiden te behouden door tussen het plangebied en de Zwolseweg een ruime afstand van 50 m aan te houden. De gronden waaraan de bestemming "Bedrijventerrein" is toegekend, worden omringd door gronden waaraan de bestemming "Groen" en "Agrarisch" is toegekend. Tussen de Zwolseweg en de meest dichtbij gelegen gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" ligt een minimale afstand van 50 meter. Deze gronden zijn in eigendom van de gemeente en daaraan is de bestemming "Groen" toegekend, zodat deze gronden niet mogen worden bebouwd. Op deze manier is de openheid van het landschap gewaarborgd, aldus de raad.

11.2.    In paragraaf 3.4 van de plantoelichting staat dat als uitgangspunt geldt dat de bebouwing goed aansluit op het bestaand bebouwd gebied. Het plangebied maakt onderdeel uit van de entree tot de bebouwde kern van IJsselmuiden en grenst aan bestaand bedrijventerrein Spoorlanden en Zendijk. Het plangebied is op zodanige wijze geprojecteerd dat het als een compact oppervlak tegen de bestaande bebouwing aan komt te liggen. De landschappelijke inpassing is volgens de plantoelichting in overeenstemming met de in 2009 vastgestelde structuurvisie en de in 2011 vastgestelde gebiedsvisie Dorpsrand IJsselmuiden-Koekoek: ‘De gezichten van IJsselmuiden’. Bij de planvaststelling is uitgegaan van één van de varianten uit deze gebiedsvisie, een bedrijvencomplex ruimtelijk zoveel mogelijk los gelegen in de kom in de richting van het landschap, samen met de aanleg van boomweides, waterlopen en recreatieve routes.

    De hoofdelementen van het in de gebiedsvisie benoemde ruimtelijk kader zijn onder meer het zoveel mogelijk handhaven van het bestaande verkavelingspatroon, de aanleg van een aantal recreatieve routes en herstel van historische routes door het landschap, de ontsluiting van het bedrijventerrein vanaf de bestaande Oosterlandenweg, bij voorkeur in aansluiting op de bestaande aansluiting naar Spoorlanden.

11.3.    Gelet op de toelichting van de raad en paragraaf 3.4 van de plantoelichting, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 4] en [appellant sub 5] en anderen hebben aangevoerd over de landschappelijke inpassing, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de inpassing van het bedrijventerrein aansluitend op het bestaande terrein, omgeven door een zone van groen om de openheid van het landschap zoveel mogelijk te behouden, in zoverre niet in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten.

    Het betoog faalt.

12.    [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 4] stellen dat het college in de raadsvergadering van 15 december 2016 heeft toegezegd om te komen met een partiële herziening van het bestemmingsplan ten behoeve van een groensingel. Dit plan voorziet volgens hen ten onrechte niet in een voorwaardelijke verplichting voor die groensingel.

12.1.    De raad stelt dat hij naar aanleiding van de door [appellant sub 5] en anderen naar voren gebrachte zienswijze heeft toegezegd te willen meedenken over een alternatieve invulling van de groenstroken aan de linkerzijde van het plangebied. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de door appellanten bedoelde partiële herziening van het bestemmingsplan ziet op een wijziging van de invulling ten behoeve van een groensingel aan de rechterzijde van het plangebied. Zowel de groensingel aan de linkerzijde als de groensingel aan de rechterzijde dient te worden beschouwd als een tegemoetkoming, maar niet als een maatregel die de raad noodzakelijk acht in het belang van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de planontwikkeling.

12.2.    Gelet op bovenstaande toelichting van de raad stelt de Afdeling vast dat in tegenstelling tot hetgeen [appellant sub 5] en anderen menen, de raad de betrokken groensingel niet noodzakelijk acht vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat de raad gehouden was terzake een voorwaardelijke verplichting in het plan op te nemen.

    Het betoog faalt.

Ecologie

13.    [appellant sub 5] en anderen stellen dat ten onrechte geen passende beoordeling en plan-mer zijn opgesteld nu de stikstofdepositie niet mede is onderzocht voor het Natura 2000-gebied Veluwe. Dit Natura 2000 gebied is gevoelig voor stikstof. Volgens [appellant sub 5] en anderen kan gezien de verlaagde depositieruimte van 0,05 mol/ha/jaar voor dit gebied en de geringe afstand van 9 km tot dit gebied niet worden uitgesloten dat het plan significante gevolgen heeft voor dit gebied. Zij betwisten de stelling van de raad dat een effect minder dan 0,05 mol/ha/jaar een te verwaarlozen effect is en stellen dat Aerius een rekensysteem met gebreken is en dat de Natuurtoets onzorgvuldig is uitgevoerd. [appellant sub 5] en anderen stellen dat hun woningen op een afstand van ongeveer 700 m van het Natura-2000 gebied Rijntakken liggen en hun individuele belangen verweven zijn met het algemene belang van de Nbw 1998.

13.1.    Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden en zijn de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) en de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) ingetrokken. Uit artikel 9.10 van de Wet natuurbescherming volgt dat dit geschil, nu het plan is vastgesteld vóór 1 januari 2017, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

13.2.    De bepalingen van de Nbw 1998 strekken met name tot bescherming van natuur en landschap. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, volgt dat de individuele belangen van burgers die in of in de onmiddellijke nabijheid van een Natura 2000-gebied wonen bij behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Nbw 1998 beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Nbw 1998 kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

13.3.    Wat betreft de beroepsgrond over de uitgevoerde Natuurtoets, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 5] en anderen in reactie op het verweerschrift naar voren hebben gebracht, geen aanleiding om daarover anders te oordelen dan de voorzieningenrechter heeft gedaan in zijn uitspraak van 21 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1110. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening van [appellant sub 5] en anderen tegen het bestreden plan afgewezen en heeft overwogen dat artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) [appellant sub 5] en anderen kan worden tegengeworpen, omdat de betrokken normen uit de Nbw 1998 kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van [appellant sub 5] en anderen.

    De Afdeling ziet dan ook af van een inhoudelijke bespreking van dit betoog.

14.    [appellant sub 5] en anderen betogen dat realisatie van het bedrijventerrein leidt tot een afname van 7 grutto broedparen. Gezien de slechte staat van instandhouding van deze soort dient elke afname van de grutto als significant te worden beoordeeld. [appellant sub 5] en anderen voeren aan dat onvoldoende, dan wel te beperkt onderzoek is gedaan.

    [appellant sub 4] stelt dat er grutto’s broeden op de gronden waaraan de bestemming "Agrarisch" is toegekend. Er geldt een beheersovereenkomst voor dit weidegebied.

14.1.    De raad stelt dat het relativiteitsvereiste er aan in de weg staat dat het plan om deze reden wordt vernietigd, omdat de kortste afstand van de woningen van [appellant sub 5] en anderen tot het meest dichtbij gelegen gruttonest ongeveer 300 m bedraagt.

14.2.    Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

14.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3238, behoeft het niet in alle gevallen op voorhand uitgesloten te worden geacht dat de Ffw met de bescherming van diersoorten tevens bescherming biedt aan het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van de directe leefomgeving van omwonenden. De ingeroepen normen uit de Ffw strekken tot bescherming van plant- en diersoorten. Het feitelijke belang waarin [appellant sub 4] en [appellant sub 5] en anderen dreigen te worden geraakt als gevolg van de voorziene ontwikkelingen, is het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving. Gelet op de ligging van de woningen op een afstand van 300 m van het meest dichtbij gelegen nest van de grutto is de Afdeling van oordeel dat op die afstand de goede kwaliteit van de directe leefomgeving van [appellant sub 4] en [appellant sub 5] en anderen niet aan de orde is. Derhalve moet worden geoordeeld dat de Ffw kennelijk niet strekt tot bescherming van hun belangen. Artikel 8:69a van de Awb staat in zoverre aan een mogelijke vernietiging van het bestreden besluit in de weg.

    De Afdeling ziet dan ook af van een inhoudelijke bespreking van dit betoog.

Watercompensatie

15.    [appellant sub 5] en anderen stellen dat de watercompensatie waarin volgens de plantoelichting wordt voorzien door middel van de aanleg van helofytenfilters en water, ten onrechte niet is vastgelegd in een voorwaardelijke verplichting. Het plan is volgens hen daarmee in strijd met de Waterwet en het waterbeleid.

15.1.    De raad stelt dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het plan. De gronden van [appellant sub 5] en anderen liggen volgens de raad op een dusdanige afstand - ongeveer 100 tot 150 m van het plangebied - van de nieuw te realiseren oppervlakteverharding, dat niet aannemelijk is dat zij wateroverlast zullen ondervinden ten gevolge van de planontwikkeling.

15.2.    In paragraaf 3.7 van de plantoelichting wordt vermeld dat als gevolg van het plan de verharding met meer dan 1500 m2  toeneemt. Dit vergt speciale aandacht voor compenserende waterberging en het zoveel mogelijk vasthouden van hemelwater binnen het plangebied. De bergingsopgave is bepaald met behulp van een bui T=100+10% (middenscenario). Door het verbreden van de huidige watergang in het plangebied wordt er volgens de plantoelichting voldoende waterberging gecreëerd om deze bui op te vangen. De verbreding van deze watergang zal enerzijds de centrale structuurdrager de noodzakelijke kwaliteit meegeven en anderzijds dienen als waterberging en de mogelijkheid een rietoever aan te leggen die dienst kan doen als helofytenfilter.

    In de vormvrije m.e.r.-beoordeling staat dat het hemelwater van verharde oppervlakten zoveel mogelijk wordt geïnfiltreerd in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, wordt het via bodempassage geloosd op het oppervlaktewater. Het plan voldoet verder aan de gangbare voorwaarden om invloed op de waterhuishouding en de waterkwaliteit tegen te gaan. Geconcludeerd wordt dat er wat dit betreft geen belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu worden verwacht. De conclusie is dat het plan geen invloed heeft op de waterhuishouding en de waterkwaliteit in de omgeving, aldus de vormvrije m.e.r.-beoordeling

15.3.    Uit het voorgaande volgt dat de raad de gevolgen heeft bezien voor de waterhuishouding en dat het plan in principe geen invloed heeft op de waterhuishouding, maar dat aandacht moet worden besteed aan compenserende waterberging en het zoveel mogelijk vasthouden van hemelwater binnen het plangebied. De raad heeft in zoverre bezien dat compensatie mogelijk is, dat het plan niet tot wateroverlast zal leiden en in zoverre uitvoerbaar is.

    De raad heeft aangegeven dat de sloot zal worden verbreed met het oog op die compensatie. De gemeente is eigenaar van de desbetreffende sloot en omliggende gronden en heeft het derhalve in haar macht de desbetreffende watergang geschikt te maken als waterberging en een helofytenfilter aan te leggen. Onder deze omstandigheden heeft de raad in redelijkheid kunnen afzien van het opnemen van de door [appellant sub 5] en anderen bedoelde voorwaardelijke verplichting.

    Het betoog faalt.

15.4.    Nu het betoog van [appellant sub 5] en anderen niet slaagt, ziet de Afdeling geen aanleiding om te onderzoeken of, zoals de raad stelt, artikel 8:69a van de Awb eraan in de weg staat dat het plan om de door [appellant sub 5] en anderen genoemde redenen, met betrekking tot watercompensatie en de Waterwet, wordt vernietigd.

Woon- en leefklimaat

16.    [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] vrezen voor aantasting van hun woon- en leefklimaat. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] vrezen geluidhinder als gevolg van de aan te leggen (turbo)rotonde en aantasting van hun uitzicht als gevolg van de toegestane bouwhoogte in het plan. Zij stellen dat het geluidrapport aantoont dat ter plaatse van hun woningen de wettelijk geldende hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt overschreden en dat de geluidbelasting als gevolg van het plan nog verder zal toenemen. De raad kan zich volgens [appellant sub 2] en [appellant sub 3] bij de beoordeling of sprake is van een goed woon- en leefklimaat niet baseren op het geluidrapport, omdat uit dit rapport blijkt dat sprake is van een overbelaste situatie, terwijl er geen besluit tot hogere geluidgrenswaarden als bedoeld in de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) is vastgesteld en er geen maatregelen worden getroffen zoals het aanbrengen van geluidisolatie in de woningen. Zij betogen dat de raad naast het onderzoek dat in het kader van de Wgh is uitgevoerd aanvullend onderzoek in het kader van de Wet ruimtelijke ordening had moeten laten uitvoeren om zo de effecten op hun woon- en leefklimaat te kunnen beoordelen.

    Voorts stellen [appellant sub 2] en [appellant sub 3] dat zij weliswaar op een bedrijventerrein wonen, maar dat hun huizen zijn gesitueerd aan de rand daarvan, waardoor zij vrij uitzicht hebben. Dat vrije uitzicht zal als gevolg van de in het plan toegestane bouwmassa worden aangetast.

16.1.    De raad heeft de (turbo)rotonde voorzien op een afstand van onderscheidenlijk 25 m en 150 m van de woningen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3]. Uit geluidonderzoek volgt dat de geluidhinder maximaal met 1 dB toeneemt en als gevolg van de nieuwe situatie, vermindering van verkeer ten opzichte van de huidige situatie en een verlaging van de maximumsnelheid, juist zal afnemen. Er bestaat volgens de raad derhalve geen noodzaak maatregelen te treffen, dan wel een besluit tot vaststelling hogere geluidgrenswaarden te nemen.

    De raad heeft in het kader van een goede ruimtelijke ordening onderzoek verricht naar de gevolgen van het plan voor de omgeving. De resultaten daarvan zijn beschreven in paragraaf 3.6 van de plantoelichting. Daarnaast is een vormvrije m.e.r-beoordeling opgesteld en heeft de raad de richtafstanden uit de publicatie van de vereniging van Nederlandse Gemeenten "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: VNG-brochure) toegepast. De raad heeft de omgeving aangemerkt als gemengd gebied vanwege de variatie aan functies. Op het bedrijventerrein is maximaal milieucategorie 3.2 toegestaan. Voor categorie 3.2 bedrijven in een gemengd gebied staat in de VNG-brochure een minimale richtafstand van 50 m tussen bedrijfsactiviteiten en woningen. De woningen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] bevinden zich onderscheidenlijk op 100 m en 80 m. De raad stelt zich op basis van de onderzoeken op het standpunt dat het plan niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat zal leiden.

16.2.    De raad heeft het plan onder meer gebaseerd op het door Goudappel Coffeng uitgevoerde "Akoestisch onderzoek reconstructie Oosterlandenweg" van 6 juli 2016 (hierna: geluidrapport).

    Voorts is in paragraaf 3.6 van de plantoelichting inzichtelijk gemaakt welke milieuaspecten en de gevolgen daarvan zijn betrokken in de belangenafweging. Die milieuaspecten zien onder meer op geur, luchtkwaliteit, bodem, water en veiligheidsrisico’s.

16.3.    Voor zover [appellant sub 2] en [appellant sub 3] stellen dat ter plaatse van hun woningen de wettelijk geldende hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt overschreden, overweegt de Afdeling dat uit artikel 100, derde lid, van de Wgh volgt dat ingeval de weg op 1 januari 2007 aanwezig, in aanleg of geprojecteerd was en niet eerder een hogere waarde is vastgesteld dan 48 dB, de heersende waarde geldt als ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege de te reconstrueren weg. De heersende waarde is de in het rapport berekende geluidbelasting in de huidige situatie, in dit geval in het jaar 2016. Voor de woning van [appellant sub 2] aan de [locatie 1] bedraagt deze waarde maximaal 58 dB (57,3 dB) op waarneempunt 003_B op een waarneemhoogte van 4,5 m. Voor de woning van [appellant sub 3] aan de [locatie 2] bedraagt deze waarde maximaal 59 dB (58,95 dB) op waarneempunt 008_B op een waarneemhoogte van 4,5 m.

16.4.    In paragraaf 4.1 van het geluidrapport staat dat in de huidige situatie een maximum snelheid geldt van 80 km per uur op de Oosterlandenweg. In het geluidrapport zijn de effecten onderzocht van de voorgenomen (turbo)rotonde in combinatie met een afwaardering van de weg tot 50 km/uur.

    Voor de woning van [appellant sub 2] aan de [locatie 1] is op twee waarneempunten een maximale geluidtoename berekend van 1 dB. Op waarneempunt 001_B op een waarneemhoogte van 4,5 m en op waarneempunt 002_A op een waarneemhoogte van 1,5 m. Op de overige waarneempunten blijft de geluidbelasting gelijk. Voor deze woning is op waarneempunt 003_B op een waarneemhoogte van 4,5 m zowel in de huidige situatie als in de plansituatie een maximale geluidbelasting berekend van 58 dB. Dit betekent dat de geluidhinder op dit waarneempunt niet toeneemt als gevolg van het plan. Voor de woning van [appellant sub 3] aan de [locatie 2] is geen toename, maar een afname van 1 dB berekend.

16.5.    De raad heeft zich, gelet op de plantoelichting en de beoordeelde milieuaspecten in samenhang met de resultaten van het geluidrapport, naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van de woningen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] wat betreft geluid geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat als gevolg van het plan zal plaatsvinden.

    Het is niet uitgesloten dat het plan tot aantasting van het uitzicht van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] zal leiden, maar naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit geen onaanvaardbare aantasting betreft. De raad heeft het belang van de uitbreiding van het bedrijventerrein in aansluiting op het bestaande bedrijventerrein zwaarwegender kunnen achten dan het mogelijk verlies van uitzicht van [appellant sub 2] en [appellant sub 3].

    Ten aanzien van [appellant sub 4] overweegt de Afdeling dat de afstand tussen de woning van [appellant sub 4] en het plangebied ongeveer 750 m bedraagt. Gelet hierop ziet de Afdeling in het licht van het voorgaande geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er ter plaatse van de woning van [appellant sub 4] geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat zal optreden.

Financiële uitvoerbaarheid

17.    [appellant sub 5] en anderen stellen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende zeker is en voeren aan dat de raad de financiële uitvoerbaarheid van het plan noch in de plantoelichting, noch in de overige stukken inzichtelijk heeft gemaakt, terwijl dit wel van belang is in het kader van vergoeding van planschade en de kosten van schaduwschade. [appellant sub 5] en anderen voeren aan dat de gemeente ten tijde van de vaststelling van het plan geen eigenaar was van de gronden in het plangebied. Evenmin waren er exploitatieovereenkomsten gesloten met de eigenaren van gronden in het plangebied of een exploitatieplan vastgesteld. In paragraaf 4.2 van de plantoelichting staat weliswaar dat de gemeente ernaar streeft de desbetreffende gronden in bezit te hebben bij de vaststelling van het plan, maar [appellant sub 5] en anderen achten dit onvoldoende.

17.1.    De raad stelt dat hij eigenaar is van het grootste deel van de gronden in het plangebied. Voor enkele percelen waarvan de gemeente nog geen eigenaar was, is op 9 november 2016 een koopovereenkomst gesloten. De levering van deze gronden zal plaatsvinden binnen drie weken na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan. Na de levering zal de gemeente de exploitatiekosten via de grondprijs verhalen.

    De raad stelt voorts dat een planschaderisico-analyse is opgesteld, waarvan de uitkomsten zijn meegenomen in de uitvoerbaarheidstoets.

17.2.    In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

17.3.    De Afdeling stelt vast dat de raad eigenaar is van het grootste deel van de gronden in het plangebied. De Afdeling ziet gelet op de overgelegde afschriften van de koopovereenkomsten geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de raad dat de gemeente na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan alle uit te geven gronden in het plangebied in eigendom heeft. De exploitatiekosten zullen worden verhaald via de uitgifteprijs van de grond. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 5] en anderen hebben aangevoerd over eventuele planschade of schaduwschade geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat dit aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

    Het betoog faalt.

Zienswijze

18.    Voor zover [appellant sub 5] en anderen zich hebben beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze, overweegt de Afdeling dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 5] en anderen hebben geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

19.    In hetgeen appellanten voor het overige aan argumenten naar voren hebben gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft vastgesteld.

Conclusie

20.    De beroepen zijn ongegrond.

21.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Heinen, griffier.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Heinen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2017

632. BIJLAGE

* Bij rechtsoverweging 16.3 (Woon- en leefklimaat)

Wet geluidhinder

artikel 1

reconstructie van een weg: een of meer wijzigingen op of aan een aanwezige weg ten gevolge waarvan uit akoestisch onderzoek als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder a, en artikel 77, derde lid, blijkt dat de berekende geluidbelasting vanwege de weg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen ten opzichte van de geluidbelasting die op grond van artikel 100 dan wel het bepaalde krachtens artikel 100b, aanhef en onder a, als de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting geldt met 2 dB of meer wordt verhoogd.

artikel 100

1. Behoudens het tweede en derde lid is de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege een te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen de zone 48 dB.

2. Ingeval eerder bij of krachtens deze wet, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimweg stad-en-milieubenadering, of de Spoedwet wegverbreding een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, vanwege de te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen de zone is vastgesteld dan 48 dB, en de heersende waarde hoger is dan 48 dB, geldt de laagste van de volgende twee waarden als de ten hoogste toelaatbare:

a. de heersende waarde;

b. de eerder vastgestelde waarde.

3. Ingeval de weg op 1 januari 2007 aanwezig, in aanleg of geprojecteerd was en niet eerder een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege de te reconstrueren weg is vastgesteld dan 48 dB, en de heersende waarde hoger is dan 48 dB, geldt als de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege de te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen de zone die op 1 januari 2007 aanwezig, in aanbouw of geprojecteerd waren de heersende waarde.