Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3506

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
201605919/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:3421, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellant] om op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp) het verstrekken van zijn persoonsgegevens verder achterwege te laten en om zijn persoonsgegevens in de beschikkingen huurtoeslag 2011 en 2012 van [persoon] te verwijderen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2018/5
Module Privacy en persoonsgegevens 2019/1223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605919/1/A3.

Datum uitspraak: 20 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen: [appellant]), wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 juni 2016 in zaken nrs. 15/6455 en 15/6507 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellant] om op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp) het verstrekken van zijn persoonsgegevens verder achterwege te laten en om zijn persoonsgegevens in de beschikkingen huurtoeslag 2011 en 2012 van [persoon] te verwijderen, afgewezen.

Bij besluit van 28 oktober 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juni 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 oktober 2015 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], rechtsbijstandverlener te Heelsum, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr.drs. I.A. Huppertz en mr. C.J.M. Kluytmans, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [persoon] woont in 2011 en 2012 op hetzelfde adres als [appellant], van wie hij een deel van de woning huurt. [persoon] heeft voor deze jaren huurtoeslag aangevraagd. De Belastingdienst/Toeslagen ziet het door hem gehuurde deel van de woning niet als zelfstandige woning en heeft [appellant] daarom bij de behandeling van de aanvragen als medebewoner aangemerkt. In de beschikkingen huurtoeslag voor de jaren 2011 en 2012 van [persoon] zijn de persoonsgegevens van [appellant] vermeld. Het betreft zijn burgerservicenummer (hierna: BSN), geboortedatum en verzamelinkomen. In de beschikking 2012 is ook zijn naam opgenomen. [appellant] heeft bezwaar gemaakt tegen deze verstrekking en heeft verzocht om nieuwe beschikkingen huurtoeslag te nemen waarin zijn persoonsgegevens zijn verwijderd of afgeschermd. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het verzoek om nieuwe beschikkingen zonder de persoonsgegevens van [appellant] afgewezen. Volgens de Belastingdienst/Toeslagen waren de gegevens ten tijde van de verwerking ter zake dienend en niet in strijd met een wettelijk voorschrift. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.    De relevante wettelijke bepalingen die ten tijde van belang golden, zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft vastgesteld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich in zijn verweerschrift op het standpunt heeft gesteld dat de bezwaren van [appellant] ten onrechte niet zijn opgevat als verzoeken in de zin van artikel 36, tweede lid, van de Wbp en dat de motivering van het besluit van 28 oktober 2015 daarom dient te worden gewijzigd. Dat besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank komt evenwel tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand kunnen blijven. De Belastingdienst/Toeslagen is als bestuursorgaan op grond van zijn motiveringsplicht gehouden om bij de bekendmaking van het besluit aan de aanvrager te vermelden op grond van welke (inkomens)gegevens hij de huurtoeslag heeft vastgesteld. De Belastingdienst/Toeslagen is daarbij als uitvoerder verplicht om gebruik te maken van het BSN van alle betrokkenen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft [appellant], gelet op de registratie in de Basisregistratie Personen (hierna: de BRP), aangemerkt als medebewoner die behoort tot hetzelfde huishouden als de aanvrager van de huurtoeslag, [persoon]. Om die reden heeft de Belastingdienst/Toeslagen zijn persoonsgegevens gebruikt voor de motivering van de beschikkingen huurtoeslag van [persoon]. Gesteld noch gebleken is dat de vermelde persoonsgegevens onjuist zijn. De vermelding was voor de Belastingdienst/Toeslagen noodzakelijk voor de uitvoering van zijn wettelijke taken op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) en de Wet op de huurtoeslag (hierna: de Wht). Het verzoek van [appellant] om op grond van artikel 36 van de Wbp zijn persoonsgegevens te verwijderen of af te schermen, is dan ook terecht afgewezen, aldus de rechtbank.

Beoordeling gronden

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de motiveringsplicht meebrengt dat de Belastingdienst/Toeslagen verplicht is tot verstrekking van de persoonsgegevens als naam, BSN en geboortedatum en de exacte hoogte van het verzamelinkomen van medebewoners aan een aanvrager van huurtoeslag. Volgens [appellant] volgt de verplichte verstrekking van persoonsgegevens niet uit de Wht en de Awir. Het enige relevante punt ter beoordeling en motivering is of het verzamelinkomen van de aanvrager plus dat van zijn medebewoners het norminkomen overschrijdt. De exacte hoogte van de verzamelinkomens van [appellant], alsmede zijn BSN en geboortedata, zijn daarom voor een deugdelijke motivering niet noodzakelijk. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte niet onderkend dat de verstrekking in het kader van de privacywetgeving onzorgvuldig was, aldus [appellant].

4.1.    Indien de [appellant] betreffende persoonsgegevens feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt, dient de Belastingdienst/Toeslagen gelet op artikel 36, eerste lid, van de Wbp het verzoek van [appellant] deze te verwijderen of af te schermen in te willigen.

    Gesteld noch gebleken is dat de verwerkte persoonsgegevens onjuist zijn.

4.2.    Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Awir, heeft bij de beoordeling of iemand als medebewoner moet worden aangemerkt en derhalve diens vermogen ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wht moet worden betrokken bij de berekening van de draagkracht en de hoogte van de huurtoeslag, de inschrijving in de BRP als uitgangspunt te gelden. De Belastingdienst/Toeslagen mag er in beginsel van uitgaan dat op één BRP-adres één zelfstandige woning is gelegen en degenen die op hetzelfde BRP-adres zijn ingeschreven, aanmerken als medebewoners. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 11 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:52) dient de Belastingdienst/Toeslagen bij de bepaling van de draagkracht uit te gaan van het inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr). De Belastingdienst/Toeslagen gebruikt, gelet op artikel 21g, eerste lid, het inkomensgegeven zoals dat op dat moment in de basisregistratie inkomen is opgenomen.

    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen op grond van zijn motiveringsplicht, volgend uit de artikelen 3:46 en 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht, gehouden is om bij de bekendmaking van het besluit op een aanvraag voor huurtoeslag aan de aanvrager te vermelden op grond van welke medebewoners en welke inkomensgegevens hij de huurtoeslag heeft vastgesteld. De enkele mededeling dat met het totaal van de verzamelinkomens het norminkomen wordt overschreden, is niet voldoende. Belanghebbenden moeten uit de motivering kunnen opmaken op grond van welke concrete gegevens de Belastingdienst/Toeslagen tot deze conclusie is gekomen. Deze concrete gegevens zijn dus nodig voor een goede motivering. Ditzelfde geldt voor de geboortedatum. Uit de Wht volgt dat in bepaalde gevallen de leeftijd relevant is, zoals voor de kwalificatie van het huishouden en of gelet op de hoogte van de rekenhuur huurtoeslag wordt toegekend. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat het verwerken van de geboortedatum niet ter zake dienend is. Van het BSN kan evenmin worden geoordeeld dat de verwerking daarvan niet ter zake dienend is. Zoals de Belastingdienst/Toeslagen ter zitting bij de Afdeling heeft toegelicht wordt het BSN vermeld om buiten twijfel te stellen om welke persoon het gaat. Het gebeurt immers dat personen binnen een huishouden dezelfde voorletter(s) en achternaam hebben en/of dezelfde geboortedatum.

4.3.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft [appellant] als medebewoner van [persoon] aangemerkt en zijn vermogen betrokken bij de berekening van de draagkracht en de hoogte van de huurtoeslag. Gelet op hetgeen in 4.2 is overwogen, heeft de Belastingdienst/Toeslagen dan ook de persoonsgegevens van [appellant] mogen verwerken bij het motiveren van de beschikkingen huurtoeslag van [persoon]. Dat in de Awir en de Wht geen verplichting is opgenomen voor het bekendmaken van persoonsgegevens, maakt dat niet anders.

4.4.    Gezien het vorenstaande kan niet worden gesteld dat de Belastingdienst/Toeslagen in dit geval onzorgvuldig heeft gehandeld. Dit neemt niet weg dat er privacyproblemen zijn in een ander geval dan dit, namelijk wanneer er verschillen bestaan tussen de adresregistratie en de feitelijke situatie. De Belastingdienst/Toeslagen neemt, in overleg met de Autoriteit Persoonsgegevens, maatregelen om te voorkomen dat mensen op hun beschikking gegevens zien van iemand die niet tot het huishouden behoort. Naast verbeteringen van het systeem is de maatregel getroffen dat alleen de laatste drie cijfers van een BSN worden weergegeven. Dit heeft de Belastingdienst/Toeslagen ook met terugwerkende kracht gewijzigd in de beschikking huurtoeslag 2012 van 11 september 2015.

    Voorts heeft de Belastingdienst/Toeslagen bezien of de inhoud van de beschikkingen kan worden aangepast, zodat minder persoonsgegevens zichtbaar zijn. Zoals de Belastingdienst/Toeslagen ter zitting bij de Afdeling heeft toegelicht, worden in de toekomst alleen nog de naam van de medebewoners, de laatste drie cijfers van hun BSN en hun inkomensgegevens vermeld in de beschikkingen huurtoeslag. De geboortedatum wordt dus niet meer vermeld. Deze verandering van inzicht maakt echter niet dat de vermelding van de persoonsgegevens in de beschikkingen huurtoeslag voor 2011 en 2012, ten tijde van belang niet ter zake dienend was. Met de rechtbank is de Afdeling daarom van oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellant] om zijn persoonsgegevens te verwijderen of af te schermen terecht heeft afgewezen.

4.5.    Het betoog faalt.

5.    Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:253, geen gelijk geval betreft. Volgens [appellant] volgt uit die uitspraak dat een wettelijke verplichting om tot verstrekking over te gaan ontbreekt. De Belastingdienst/Toeslagen had aan de aanvrager van huurtoeslag slechts hoeven melden of het verzamelinkomen van [appellant] hoger is dan het norminkomen minus het inkomen van de aanvrager.

5.1.     De uitspraak van 3 februari 2016 ziet op wetten die verhuurders van sociale woningen de mogelijkheid biedt om de huurprijs te verhogen op grond van het inkomen van de huurders dat boven een bepaald bedrag ligt, om het zogenoemde scheefwonen tegen te gaan. De Afdeling overweegt dat er geen wettelijke verplichting voor de Belastingdienst is om inkomensgegevens van een huurder van een sociale huurwoning te verstrekken aan de verhuurder als deze daarom vraagt. In dat geval is de verstrekking van de inkomensgegevens aan een derde in strijd met de geheimhoudingsplicht van de Belastingdienst.

5.2.    De inkomensgegevens die de Belastingdienst/Toeslagen gebruikt voor de beschikkingen huurtoeslag zijn door die dienst geregistreerd in de Basisregistratie Inkomen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in 4.2., was de vermelding van de persoonsgegevens in de beschikking huurtoeslag voor de Belastingdienst/Toeslagen bovendien voor de uitvoering van zijn wettelijke taken op grond van de Awir en de Wht ter zake dienend. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat derhalve niet kan worden gezegd dat [appellant] als medebewoner van de aanvrager van huurtoeslag in dezelfde positie verkeert als de huurders van sociale huurwoningen in voormelde uitspraak. De rechtbank is daarom terecht van oordeel dat geen sprake is van gelijke gevallen.

5.3.    Het betoog faalt.

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen grond heeft gezien voor toewijzing van het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Er is wel degelijk sprake geweest van schending van zijn privacy. Dit is te meer het geval nu de Belastingdienst/Toeslagen de persoonsgegevens verstrekt terwijl hij van mening is dat geen sprake is van een zelfstandige woonruimte met recht op huurtoeslag.

6.1.    Dat de Belastingdienst/Toeslagen medio 2015 de beschikking huurtoeslag 2012 heeft aangepast en daarin onder meer het standpunt heeft ingenomen dat de woning van [persoon] niet (meer) voldoet aan de voorwaarden voor huurtoeslag en dat [persoon] daarom (een deel van) dat jaar geen recht heeft op huurtoeslag, neemt niet weg dat de eerdere verwerking en verstrekking van de persoonsgegevens van [appellant] zorgvuldig was en voor de uitvoering van zijn wettelijke taken op grond van de Awir en de Wht ter zake dienend. Reeds daarom is de door [appellant] ervaren schending van zijn privacy geen grond voor vergoeding van immateriële schade.

6.2.    Het betoog faalt.

Verzoek om schadevergoeding

7.    Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellant] verzocht om vergoeding van immateriële schade die hij heeft geleden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

7.1.    Bij de beoordeling van deze redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dient de duur van de procedure als geheel in aanmerking te worden genomen. Daarbij geldt dat een relatief trage behandeling in bezwaar of beroep kan worden gecompenseerd door een voortvarende behandeling in beroep of hoger beroep. In zaken met een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter die op het verzoek beslist uitspraak doet.

    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, is zij van oordeel dat in zaken die, zoals in dit geval, uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, in beginsel een totale lengte van de procedure van vier jaar redelijk is.

7.2.    Zelfs wanneer, zoals door [appellant] betoogd, de ontvangst van het bezwaarschrift van 28 juli 2014 als aanvang van de redelijke termijn wordt beschouwd, zijn ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van vandaag nog geen vier jaar verstreken.

    Het verzoek om schadevergoeding dient daarom te worden afgewezen.

Conclusie

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

9.    Het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;

II.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.

w.g. Slump    w.g. Van Deventer-Lustberg

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2017

587. BIJLAGE

Wet bescherming persoonsgegevens

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;

b. verwerking van persoonsgegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens;

(…).

Artikel 35

1. De betrokkene heeft het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

2. Indien zodanige gegevens worden verwerkt, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

Artikel 36

1. Degene aan wie overeenkomstig artikel 35 kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens, kan de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

2. De verantwoordelijke bericht de verzoeker binnen vier weken na ontvangst van het verzoek schriftelijk of dan wel in hoeverre hij daaraan voldoet. Een weigering is met redenen omkleed.

Artikel 45

Een beslissing op een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36, en 38, tweede lid, alsmede een beslissing naar aanleiding van de aantekening van verzet als bedoeld in de artikelen 40 of 41 gelden voor zover deze is genomen door een bestuursorgaan als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Wet op de huurtoeslag

Artikel 1a

1. Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.

2. De uitvoering van het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van een huurtoeslag is opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen.

3. In afwijking van artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen de partner uitsluitend als partner aangemerkt indien deze in de basisregistratie personen op het adres van de huurder staat ingeschreven.

Artikel 7

1. Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

Artikel 9

1. Een huurtoeslag wordt slechts toegekend:

a. als de huurder, diens partner alsmede degenen die medebewoner van de woning zijn, als ingezetene op het adres van die woning zijn ingeschreven in de basisregistratie personen;

b. als geen andere personen met dat adres in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, behoudens eventueel een onderhuurder en personen die behoren tot diens huishouden.

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 2. Definities

1. In de wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, wordt verstaan onder:

a. - d. (…);

e. medebewoner: de persoon die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende, met dien verstande dat als medebewoner niet wordt aangemerkt:

   1°. de partner van de belanghebbende,

   2°. de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende een deel van de woning huurt, tenzij deze een bloed- of aanverwant in de eerste graad is van de belanghebbende of van diens partner,

   3°. degene die tot het huishouden van de onder 2° bedoelde persoon behoort;

f. - p. (…).

Artikel 7. Draagkracht

1. Ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.

2. Indien in een inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat naast de draagkracht van de belanghebbende en diens partner ook de draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming, wordt mede het toetsingsinkomen van de medebewoners in aanmerking genomen.

Algemene wet inzake rijksbelastingen

Artikel 21

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

e. inkomensgegeven:

   1°. indien over een kalenderjaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde verzamelinkomen;

(…).

Artikel 21g

1. Voor zover een afnemer een op grond van een wettelijk voorschrift verleende bevoegdheid tot gebruik van het inkomensgegeven uitoefent, gebruikt hij het inkomensgegeven zoals dat ten tijde van het gebruik is opgenomen in de basisregistratie inkomen.