Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3503

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
201703206/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 januari 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Mirns-Minicamping [locatie A]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6672
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703206/1/R3.

Datum uitspraak: 20 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Mirns, gemeente Gaasterlân-Sleat,

appellanten,

en

de raad van de gemeente de Fryske Marren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Mirns-Minicamping [locatie A]" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2017, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. C. den Hollander-van der Ent en T.J. Plattel, is verschenen. Tevens zijn ter zitting gehoord [partijen].

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan voorziet in de mogelijkheid een minicamping te exploiteren op een deel van het perceel [locatie A] in Mirns.

Ontvankelijkheid

2.    Het beroep is mede ingesteld namens de [familie], wonend aan de [locatie B] te Bakhuizen. De afstand van dit perceel tot het plangebied is ongeveer 1,5 km. Niet is gebleken dat zij vanaf hun perceel zicht op het plangebied hebben. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die binnen het plangebied mogelijk worden gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

    Voorts zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt.

    De conclusie is dat de [familie] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld namens de [familie].

Inhoudelijk toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Voorgeschiedenis en procedure

4.    [appellant] en anderen betogen dat uit de voorgeschiedenis van het initiatief sinds 2005 blijkt dat de raad kampt met tunnelvisie en dat daardoor een ondemocratisch proces is gevolgd.

4.1.    In deze procedure ligt alleen het besluit van de raad van 25 januari 2017 ter toetsing voor. De procedure die de raad bij de voorbereiding en vaststelling van het besluit moest volgen, is hoofdzakelijk geregeld in afdeling 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en afdeling 3.4 van de Awb. Uit deze wettelijke regelingen volgt dat de bestemmingsplanprocedure begint met de terinzagelegging van het ontwerpplan, in dit geval op 17 juni 2016.

    De door [appellant] en anderen genoemde gebeurtenissen en handelingen van de raad van voor die datum kunnen niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden. Ook overigens biedt hetgeen [appellant] en anderen aanvoeren geen grond voor het oordeel dat de gevolgde procedure ter vaststelling van het besluit van 25 januari 2017 niet voldoet aan de daarvoor geldende eisen uit de Wro en de Awb.

    Het betoog faalt.

Inhoudelijke bezwaren

Camping toegestaan volgens beleid?

5.    [appellant] en anderen stellen dat het bestemmingsplan voor het buitengebied van de gemeente geen camping toestaat bij een burgerwoning. Zij begrijpen niet waarom voor [partij] een uitzondering wordt gemaakt. Voor zover in 2005 een principetoezegging is gedaan, is die volgens hen door de tijd ingehaald.

    Tevens voeren zij aan dat volgens het gemeentelijke en provinciale beleid geen behoefte aan extra kampeerplekken bestaat en, als dan toch wordt uitgebreid, dit in de hogere segmenten zou moeten gebeuren. Wat het provinciale beleid betreft wijzen zij op enkele passages uit de toelichting van de Verordening Romte Fryslân 2014 (hierna: Verordening Romte). Wat het gemeentelijke beleid betreft verwijzen zij naar de nota "De diamant van Gaasterland" uit 2009.

5.1.    De raad stelt dat [partij] aanvankelijk van plan was een camping van 100 plaatsen te beginnen, maar dat het college daaraan geen medewerking heeft willen verlenen. Een minicamping met maximaal 15 plaatsen is volgens zowel het college als de raad wel aanvaardbaar op het betrokken perceel. De Verordening Romte staat een dergelijke camping ook toe op of aansluitend aan een erf van een burgerwoning. Omdat het geldende bestemmingsplan deze mogelijkheid nog niet bood, is het voorliggende plan vastgesteld.

    Verder stelt de raad dat het gaat om een kleinschalig initiatief dat is gericht op campers. Aan een dergelijk initiatief bestaat behoefte. Het totaal aantal plaatsen op minicampings is in het buitengebied gemaximeerd op 375. Het initiatief past hierin, aldus de raad.

5.2.    Artikel 5.5.1 van de Verordening Romte luidt:

"1. In afwijking van de artikelen 5.1.2, 5.2.2, en 5.3.2 kunnen in een ruimtelijk plan buiten een recreatiekern de volgende recreatieve voorzieningen worden toegestaan:

a. een kleinschalig kampeerterrein van maximaal 15 standplaatsen op of aansluitend aan het erf van een agrarisch bedrijf, woning of bedrijf;

(…)."

    Artikel 5.6.2 luidt:

"In een ruimtelijk plan waarin een uitbreiding van een bestaande recreatieve voorziening of de vestiging van een nieuwe recreatieve voorziening is toegestaan, zoals bedoeld in de artikelen in dit hoofdstuk, wordt in de plantoelichting onderbouwd dat de beoogde ontwikkeling:

a. bijdraagt aan verbreding of kwaliteitsverbetering van het toeristisch-recreatieve aanbod in de regio, en

b. voor zover het betreft de uitbreiding van een bestaande voorziening, deze bijdraagt aan kwaliteitsverbetering van die voorziening."

5.3.    Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder c, van de planregels zijn ten hoogste 15 standplaatsen toegestaan op de gronden in het plangebied die zijn bestemd als "Agrarisch-Besloten landschap" met de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - minicamping". Dit betekent dat het plan voldoet aan het eerste lid, aanhef en onder a, van artikel 5.5.1 van de Verordening Romte en in ieder geval in zoverre voldoet aan het provinciale beleid.

5.4.    De passages in de toelichting van de Verordening Romte waarnaar [appellant] en anderen verwijzen, hebben betrekking op de regels voor kampeerterreinen als bedoeld in artikel 5.2.1 en 5.2.2 van de Verordening en zijn niet relevant voor de uitzonderingsmogelijkheid van 5.5.1, die in het onderhavige geval van toepassing is.

    Dit neemt niet weg dat ingevolge artikel 5.6.2, onder a, in de plantoelichting moet worden onderbouwd dat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan verbreding of kwaliteitsverbetering van het toeristisch-recreatieve aanbod in de regio.

    In de plantoelichting staat in dit verband onder meer dat sinds 2009 het aantal campers in Nederland met 44% is toegenomen, hetgeen vraagt om een uitbreiding van goede voorzieningen (p. 10). De toename van het aantal campers past volgens de toelichting in de ontwikkeling die het kamperen momenteel doormaakt. Vanuit de branche is meerdere keren aangegeven dat het aantal specifieke camperplaatsen of kleinschalige kampeerterreinen in Gaasterland zou kunnen worden uitgebreid, aldus de toelichting.

    De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre niet voldoet aan artikel 5.6.2, onder a, van de Verordening. De door [appellant] en anderen in het beroepschrift genoemde algemene ontwikkelingen in de recreatiesector in Nederland en Friesland zijn wat dit betreft onvoldoende.

5.5.    Voorts is de Afdeling van oordeel dat uit de door [appellant] en anderen geciteerde passages in de gemeentelijke beleidsnota "De diamant van Gaasterland" uit 2009 niet volgt dat een kleinschalige ontwikkeling als hier aan de orde niet mogelijk zou moeten worden gemaakt.

6.    [appellant] en anderen stellen dat de minicamping leidt tot verrommeling van het landschap en daarom in strijd is met het provinciale beleid. Zij verwijzen hiertoe naar de toelichting bij artikel 5.5.1, tweede lid, van de Verordening Romte.

6.1.    Artikel 5.5.1, tweede lid, van de Verordening Romte luidt:

"2. In afwijking van het eerste lid, onder a, kunnen op een kleinschalig kampeerterrein maximaal 25 standplaatsen worden toegestaan op of aansluitend aan het erf van:

a. een agrarisch bedrijf;

b. een woning of bedrijf indien sprake is van een woon- of bedrijfsperceel dat wat betreft oppervlakte en uitstraling vergelijkbaar is met een agrarisch perceel,

mits de gemeente het aantal kleinschalige kampeerterreinen met 16 tot maximaal 25 standplaatsen beperkt, of zones of gebieden aanwijst waar deze terreinen zijn toegestaan."

6.2.    De passage uit de toelichting op de Verordening Romte waarnaar [appellant] en anderen verwijzen, heeft betrekking op artikel 5.5.1, tweede lid. Dit artikellid is echter alleen van toepassing op situaties waarin, in afwijking van het eerste lid, onder a, een kleinschalig kampeerterrein van meer dan 15 standplaatsen wordt toegestaan. Daar is in het onderhavige geval geen sprake van, aangezien de minicamping in het plangebied volgens de planregels maximaal 15 standplaatsen mag hebben. Reeds om deze reden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met het beleid dat vertaling heeft gevonden in de Verordening Romte.

Landschappelijke inpassing

7.    [appellant] en anderen betogen dat de minicamping niet op aanvaardbare wijze zal worden ingepast in het landschap. Zij stellen dat het uitzicht in de omgeving zal worden ontsierd in verband met de hoogteverschillen in de omgeving. Het beplantingsplan achten zij ontoereikend.

7.1.    De raad stelt dat de locatie van de minicamping vanaf het Bakhüster Heech (de openbare weg Breelenswei) gezien, ligt op een afstand van 1100 tot 800 m. Doordat de weg hoger ligt, is er sprake van vrij zicht op het terrein, in het geval er geen mais staat. Het landschap ontvouwt zich vanaf die hoogte tot een panorama van ongeveer 800 m breed. Hiervan zal over een breedte van ongeveer 50 m extra beplanting worden aangebracht. Ofschoon met het beplantingsplan rondom aanplant wordt afgedwongen, kan het zijn dat af en toe een dakrand of hoek van een camper zichtbaar is. De invloed op het totaalbeeld is volgens de raad echter minimaal. Het huidige beeld met zicht op de achtererven van woningen langs de Murnserdyk zal niet veranderen. Sommige erven zijn groen omzoomd, maar soms is er ook vrij zicht op bijgebouwen, schuurtjes en dergelijke. Het open karakter van het gebied gaat daardoor volgens de raad niet verloren en de kwaliteit wordt niet aangetast. Vanaf de Murnserdyk is de beleving van kampeermiddelen (voor het grootste deel) achter het bestaande groen nog beperkter. De landschappelijke inpassing van de minicamping acht de raad hiermee voldoende geborgd. De uitvoering van het landschapsplan is volgens de raad ook toereikend gewaarborgd in artikel 3, lid 3.5, van de regels.

7.2.    Artikel 3, lid 3.5, van de planregels luidt:

"Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:

a.    het gebruik van de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - minicamping’:

1.   zonder de aanleg, c.q. de instandhouding van de natuurlijke zone met beplanting conform de tekening van de bijlage ‘Beplantingsplan’  bij de regels, waarmee een verantwoorde landschappelijke inpassing is geborgd;

(…)."

7.3.    Uit dit artikelonderdeel volgt dat de minicamping pas in gebruik mag worden genomen nadat de natuurlijke zone met beplanting conform de bijlage bij de regels is aangelegd.

    Gelet op de toelichting die in het verweerschrift en ter zitting is gegeven over de situering van de minicamping in de omgeving heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de verplichting het beplantingsplan uit te voeren de landschappelijke inpassing van de minicamping voldoende is geborgd en dat het open karakter van het gebied niet verloren gaat.

Cultuurhistorie en kernkwaliteit rust

8.    [appellant] en anderen wijzen erop dat de minicamping is voorzien op nog geen 100 m afstand van de klokkenstoel op het kerkhof in Mirns. Dit doet volgens hen ernstig afbreuk aan de cultuurhistorische waarden. Tevens betogen zij dat onvoldoende is onderbouwd dat het plan niet ten koste gaat van de rust, een van de kernkwaliteiten van het gebied.

8.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat geen onevenredige verstoring van het kerkhof zal ontstaan. Het geluid van de minicamping zal volgens de raad nauwelijks tot aan de klokkenstoel doordringen. Verder ontstaat hooguit enige toename van verkeer langs die locatie.

    De raad beaamt dat rust een van de kernkwaliteiten van het buitengebied is, maar dit betekent niet dat er geen enkele ontwikkeling plaats mag vinden. De raad wijst er in dit verband op dat de minicamping slechts gedurende een deel van het jaar is geopend.

8.2.    Het perceelsgedeelte waar de standplaatsen van de minicamping zijn voorzien, ligt op ongeveer 65 m afstand van de Murnserdyk. Daartussen bevindt zich het woonperceel van de initiatiefnemers. Het kerkhof met de klokkenstoel ligt meer dan 50 m ten zuiden aan de andere zijde van de Murnserdyk. Verder is van belang dat het aantal standplaatsen op 15 is gemaximeerd en dat de minicamping alleen in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober geopend mag zijn. Onder deze omstandigheden heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de cultuurhistorische waarden van de omgeving en de kernkwaliteit rust.

Wijze bestemmen minicamping

9.    [appellant] en anderen wijzen erop dat de minicamping zal worden ontsloten via het perceelsgedeelte dat voor "Wonen" is bestemd. Volgens hen is een dergelijk gebruik van dit perceelsgedeelte echter niet verenigbaar met die bestemming.

9.1.    De raad ziet niet in waarom de ontsluiting via het woonperceel niet zou mogen. Een afzonderlijke inrit zou impact hebben op de directe omgeving van de minicamping. Dit is volgens de raad niet in het belang van appellanten.

9.2.    Artikel 4, lid 4.1, van de planregels luidt:

"De voor 'wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen, al dan niet in combinatie met:

· een aan-huis-verbonden werkactiviteit, zoals genoemd in de bijlage bij de regels;

b. mantelzorg;

c. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen;

met daaraan ondergeschikt:

d. het behoud en herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden;

e. parkeervoorzieningen, wegen en paden;

met de daarbij behorende:

f. gebouwen;

g. tuinen en erven, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde."

9.3.    Ter zitting is toegelicht dat voor de ontsluiting van de minicamping gebruik kan worden gemaakt van de bestaande ontsluiting van het woonperceel. Naar het oordeel van de Afdeling blijft dit gebruik ondergeschikt aan de woonfunctie van het perceel, gelet op de situering van de minicamping achter de woning, het beperkte aantal standplaatsen en de beperking in de periode waarbinnen de camping open mag zijn. Daarom faalt het betoog.

10.    [appellant] en anderen betogen dat het recreatieve gebruik van het bijgebouw op het woonperceel niet is toegestaan. Daarnaast stellen zij  dat onduidelijk is wat moet worden verstaan onder verblijfsrecreatieve doeleinden als bedoeld in artikel 4, lid 4.4.1, onder b, van de planregels.

10.1.    Artikel 4, lid 4.4, van de planregels luidt:

"4.4    Specifieke gebruiksregels

4.4.1 toegestaan gebruik

[…]

b       Gebruik bijgebouw

Het gebruik van een ondergeschikt deel van het bijgebouw ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden met een oppervlakte van ten hoogste 30m²."

10.2.    Het verblijfsrecreatieve gebruik van het bijgebouw is uitdrukkelijk toegestaan in artikel 4, lid 4.4.1, onder b, van de planregels. In zoverre mist het betoog feitelijke grondslag.

    [appellant] en anderen hebben verder niet toegelicht waarom onduidelijk zou zijn wat onder verblijfsrecreatieve doeleinden moet worden verstaan, nu ter plaatse een minicamping is toegestaan. Dit betoog faalt ook.

Afstand minicamping-woningen

11.    [appellant] en anderen stellen dat de voorziene ontsluiting ertoe leidt dat de afstand van de minicamping tot de woningen in de omgeving in feite slechts 20 m bedraagt. Zij wijzen er in dit verband tevens op dat het sanitairgebouw van de minicamping is voorzien op de voor "Wonen" bestemde gronden. De afstand van hun woningen tot de camping is dus kleiner dan de raad stelt en voldoet niet aan de uitgangspunten van het bestemmingsplan "Buitengebied".

11.1.    De raad stelt dat de kampeermiddelen niet op de voor "Wonen" bestemde gronden mogen worden geplaatst. Ter zitting heeft de raad hieraan toegevoegd dat de sanitaire voorziening in een bestaand gebouw is voorzien, om bebouwing op het campinggedeelte te voorkomen opdat dit in de winter open gebied blijft.

11.2.    De afstand van het perceelsgedeelte waar de standplaatsen zijn voorzien tot de dichtstbijzijnde woning is ongeveer 87 m. Het sanitairgebouw bevindt zich op een kleinere afstand, maar gelet op de ondergeschikte aard daarvan in relatie tot de standplaatsen heeft de raad niet van die kleinere afstand uit hoeven gaan bij de beoordeling van de gevolgen van de minicamping voor de woningen in de omgeving. Hetzelfde geldt voor de ontsluiting. Het aangevoerde biedt verder geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid het gebruik van het sanitairgebouw en de ontsluiting mede ten behoeve van de minicamping heeft kunnen toestaan. Om deze redenen faalt het betoog.

Andere kampeermiddelen

12.    [appellant] en anderen wijzen erop dat het plan gebruik toestaat voor "mobiele kampeermiddelen". Hieronder vallen volgens hen echter ook andere middelen dan campers, waarvan de plantoelichting uitgaat op p. 7 en 10.

12.1.    De raad licht toe dat, hoewel de initiatiefnemers zich in het bijzonder willen richten op het publiek dat van campers gebruik maakt, ervoor is gekozen de minicamping open te stellen voor alle kampeermiddelen en het gebruik niet uitsluitend te beperken tot campers.

12.2.    Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit de door [appellant] en anderen genoemde pagina’s in de toelichting niet dat de raad het oogmerk heeft gehad een camping toe te staan voor alleen campers. Verder is niet gebleken dat het onderscheid tussen campers en andere kampeermiddelen in de onderhavige situatie van belang zou zijn voor de planologische aanvaardbaarheid van het plan. Reeds om deze redenen faalt het betoog.

Mogelijkheid ontheffing?

13.    [appellant] en anderen voeren aan dat onvoldoende garanties bestaan dat geen ontheffing wordt verleend om de camping het gehele jaar open te stellen. Zij wijzen erop dat zo’n ontheffing recent is verleend voor camping "De Braamberg".

13.1.    De raad stelt dat in de planregels is bepaald in welke periode de camping open mag zijn. Tegen overtreding van deze regels kan handhavend worden opgetreden.

13.2.    Artikel 3, lid 3.5, van de planregels luidt:

"Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:

a.    het gebruik van de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - minicamping’:

[…]

2.   buiten de periode van 15 maart tot en met 31 oktober;

[…]".

13.3.    Uit dit artikelonderdeel volgt dat de minicamping niet geopend mag zijn buiten de periode van 15 maart tot en met 31 oktober. Het plan bevat geen bevoegdheid waarmee van dit verbod kan worden afgeweken. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de Braamberg een bijzonder geval is waarvoor een afzonderlijk bestemmingsplan is vastgesteld met ruimere mogelijkheden voor recreatie ten behoeve van kitesurfers. Het betoog mist daarom feitelijke grondslag.

Aanleg voorzieningen

14.    [appellant] en anderen betogen dat het plan onduidelijk is over de aanleg van extra voorzieningen voor andere kampeermiddelen dan campers. Zij wijzen erop dat in de plantoelichting staat dat in eerste instantie de minicamping wordt ingericht voor campers, geen extra voorzieningen op de camperplaatsen nodig zijn en kabels en leidingen ook niet worden aangelegd.

14.1.    De raad licht toe dat de initiatiefnemers ervan uitgaan dat de campers in hoge mate zelfvoorzienend zijn en dat extra voorzieningen zoals verlichting en riolering op het terrein niet nodig zijn.

14.2.    De gronden met de bestemming "Agrarisch-Besloten landschap" zijn tevens bestemd voor (ondergeschikte) openbare nutsvoorzieningen (artikel 3, lid 3.1, onder d) en infrastructurele voorzieningen (idem onder f). Verder zijn bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen, toegestaan (idem onder g). Er geldt een aanlegvergunningplicht voor "voorzieningen ten behoeve van dagrecreatief medegebruik" ten behoeve van de landschappelijke en natuurlijke waarden van de gronden (artikel 3, lid 3.6). De Afdeling ziet niet in waarom deze regels onduidelijk zouden zijn. Verder bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad had moeten voorzien in meer waarborgen tegen de aanleg van voorzieningen ten behoeve van de standplaatsen.

    Het betoog faalt.

Natuurbescherming

15.    [appellant] en anderen voeren aan dat het rapport "Ecologische quickscan Minicamping [locatie A] Mirns" van FaunaX, dat aan het plan ten grondslag ligt, niet volledig is. Zij stellen hiertoe dat ook op het woonperceel ontwikkelingen plaatsvinden, zoals de ontsluiting van de camping.

    Daarnaast zijn [appellant] en anderen het niet eens met de beoordeling van de gevolgen van het plan voor een jaarrond beschermd nest van een sperwer/ransuil. Het rapport gaat ervan uit dat geen verstoring zal optreden wanneer een zone van 10 m rond het nest wordt opgevuld met begroeiing. [appellant] en anderen stellen dat het aanbrengen van deze begroeiing op zichzelf echter al verstorend is. Daarnaast is volgens hen de afstand van 10 m onvoldoende. Verder betogen [appellant] en anderen dat het rapport niet ingaat op de functionele omgeving rond het nest en daarom onvolledig is.

15.1.    De raad stelt dat het gebruik van het woonperceel voor de camping geen gevolgen heeft voor flora en fauna. Voor de ontsluiting hoeft geen extra verharding te worden aangelegd of beplanting te worden verwijderd en de sanitaire voorzieningen zullen inpandig in een bijgebouw worden gerealiseerd.

    Verder stelt de raad dat het rapport aanwijzingen geeft voor het aanbrengen van de begroeiing rond het nest, zodat campinggasten zich daar niet kunnen begeven en er geen verstoring kan plaatsvinden. Ook worden aanwijzingen gegeven voor het verrichten van werkzaamheden buiten het broedseizoen. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat het betoog van van [appellant] en anderen over het ecologisch rapport niet zijn onderbouwd met een deskundigenrapport.

15.2.    De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. De raad heeft het plan niet kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg stond.

15.3.    De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de gevolgen voor flora en fauna op het woonperceel van [partij] in zijn beoordeling had moeten betrekken. Hier vinden immers geen ontwikkelingen plaats, afgezien van enige mate van recreatief medegebruik.

15.4.    In voornoemd rapport staat op p. 9 over de nestlocatie:

"In een boom uit de rij naaldbomen op de afscheiding tussen perceel grasland en erf, is een nest aangetroffen dat geschikt is voor ransuil of sperwer. Ransuil en sperwer zijn beide soorten opgenomen in de lijst met jaarrond beschermde soorten.

De rij bomen waarin het nest zich bevindt, zullen worden gehandhaafd. Tevens wordt rond de nestboom een ruimte gehandhaafd van ten minste 10 meter. Deze ruimte zal worden opgevuld met begroeiing en nooit worden gebruikt door campinggasten. Zo bevindt zich rondom de boom permanent voldoende ruimte, mocht het zo zijn dat de nestplaats in gebruik is door een ransuil of sperwer. Zodoende wordt niet verwacht dat er verstoring plaatsvindt en er worden dus ook geen overtreding van de Flora- en faunawet verwacht.

Met de huidige plannen is een nader onderzoek, noch mitigatie noodzakelijk voor wat betreft de nestplaats."

    In de zienswijzennota staat op p. 7:

"Navraag bij het ecologisch adviesbureau leert dat ransuil en sperwer vogels zijn die geen aanvliegroute naar hun nest nodig hebben. De extra aanplant vormt dan ook geen belemmering [voor] deze vogels."

15.5.    [appellant] en anderen hebben hun stellingen over de mogelijke verstoring van de nestlocatie niet onderbouwd. Reeds daarom geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet op voornoemd rapport heeft mogen baseren.

Conclusie

16.    Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

17.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dat is ingediend namens de [familie], wonend aan de [locatie B] te Bakhuizen;

II.    verklaart het beroep, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Jacobs, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Jacobs

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2017

717.