Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:350

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
201600577/1/A1 en 201600579/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:7946, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 december 2014 heeft het college aan DDG krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels over afwijking van de toegestane bouwhoogte, vergunning verleend voor het bouwen van een stal voor het houden van 72 stuks vrouwelijk jongvee en 20 fokstieren aan de [locatie] te Wichmond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3452
AR 2017/733
JOM 2017/222
JM 2017/75 met annotatie van P.B. Bokelaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600577/1/A1 en 201600579/1/A1.

Datum uitspraak: 8 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst,

2. Dutch Dairy Genetics B.V. (hierna: DDG), gevestigd te Vorden,

3. [ appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], wonend te [woonplaats] respectievelijk Wichmond,

appellanten,

tegen de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 18 december 2015 in zaken nrs. 15/5120, 15/6183, 15/5151 en 15/6181 in het geding tussen:

[partij], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], en de Vereniging Gelderse Natuur en Milieufederatie (hierna: de VGNM)

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2014 heeft het college aan DDG krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels over afwijking van de toegestane bouwhoogte, vergunning verleend voor het bouwen van een stal voor het houden van 72 stuks vrouwelijk jongvee en 20 fokstieren aan de [locatie] te Wichmond.

Bij twee besluiten van 9 juli 2015 (kenmerken Z69181/UIT15-94120 en Z69331/UIT15-94112) heeft het college de door de VGNM en de door [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de daartegen door [partij] gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 18 december 2015 (zaken nrs. 15/5151 en 15/6181) heeft de rechtbank het tegen het besluit met kenmerk Z69331/UIT15-94112 door [partij] ingestelde beroep ongegrond verklaard, en het daartegen door [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 december 2015 (zaken nrs. 15/5120 en 15/6183) heeft de rechtbank het tegen het besluit met kenmerk Z69181/UIT15-94120 door de VGNM ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze twee uitspraken hebben het college en DDG hoger beroep ingesteld. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak in de zaken nrs. 15/5151 en 15/6181.

Het college en DDG hebben schriftelijke uiteenzettingen ingediend.

Het college heeft bij besluit van 5 juli 2016 het besluit van 30 december 2014 gewijzigd vastgesteld.

Vervolgens heeft het college bij besluit van 5 juli 2016, met kenmerk Z69181/UIT-101512, het bezwaar van de VGNM tegen het aldus gewijzigde besluit van 30 december 2014 opnieuw ongegrond verklaard.

Bij besluit van gelijke datum, met kenmerk Z69331/UIT-101523, heeft het college het bezwaar van [appellant sub 3B] en [appellant sub 3A] tegen het aldus gewijzigde besluit van 30 december 2014 ongegrond verklaard.

Uit artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht, samen met artikel 6:24, volgt dat van rechtswege beroepen zijn ontstaan van de VGNM en van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] tegen de besluiten op bezwaar van 5 juli 2016. Zowel de VGNM als [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] hebben de gronden van deze beroepen aangevuld.

Het college en DDG hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op 22 december 2016 ter zitting behandeld, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. IJsseldijk en ing. R.W.A. te Plate, DDG, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en M.H.M. Schiphorst, [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, en de VGNM, vertegenwoordigd door B.H.J.D. Oosting, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. De stal waarvoor de vergunning is verleend is voorzien op gronden waaraan in het bestemmingsplan "Buitengebied Hengelo/Vorden 2005", gelezen in samenhang met de "Correctieve herziening Bestemmingsplan Buitengebied Hengelo/Vorden 2005/2008", de bestemming "Agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden" is toegekend.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn deze gronden onder meer bestemd voor de uitoefening van een reëel agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 4, vierde lid, onder g, sub 1, is binnen het extensiveringsgebied - de voorziene stal is hierin gelegen - (her)vestiging van intensieve veehouderijen niet toegestaan.

In artikel 1, onder 37, is een intensieve veehouderij gedefinieerd als, voor zover hier van belang, een veehouderij waar geen melkrundvee, schapen, paarden of dieren biologisch gehouden worden.

In artikel 1, onder 64, is een reëel agrarisch bedrijf gedefinieerd als een agrarisch bedrijf met zodanige omvang en/of structuur dat redelijkerwijs verwacht mag worden, dan wel aantoonbaar is, dat ten minste één persoon een volledige dagtaak heeft aan het beheer van het bedrijf, de verzorging van het vee en de bewerking van het land.

2. De rechtbank heeft in haar uitspraak in zaken nrs. 15/5151 en 15/6181 geoordeeld dat sprake is van een reëel agrarisch bedrijf. In beide uitspraken heeft de rechtbank geoordeeld dat de stal moet worden beschouwd als een stal ten behoeve van een intensieve veehouderij als gedefinieerd in artikel 1, onder 37 van de planvoorschriften. Enerzijds omdat volgens de rechtbank alleen veehouderijen waar dieren biologisch worden gehouden, waarvan in dit geval geen sprake is, niet-intensieve veehouderijen kunnen zijn. Anderzijds omdat het in de stal te houden rundvee volgens de rechtbank niet kan worden beschouwd als melkrundvee.

Nu het bestemmingsplan (her)vestiging van een intensieve veehouderij niet toelaat, is volgens de rechtbank voor de stal ten onrechte niet mede krachtens artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo vergunning verleend voor gebruik in afwijking van het bestemmingsplan.

Verder heeft de rechtbank in beide uitspraken geoordeeld dat het college niet heeft getoetst aan de eisen die in het bestemmingsplan zijn gesteld aan het afwijken van de bouwhoogte.

In de uitspraak in zaken nrs. 15/5151 en 15/6181 is tot slot geoordeeld dat het besluit van 9 juli 2015 op het door [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] gemaakte bezwaar onvoldoende is gemotiveerd wat brandveiligheidsaspecten betreft.

Hoger beroepen en incidenteel hoger beroep

3. [ appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen in incidenteel hoger beroep dat de rechtbank in de uitspraak in zaken nrs. 15/5151 en 15/6181 ten onrechte heeft overwogen dat de voorziene veehouderij een reëel agrarisch bedrijf is. Het houden van 72 stuks vrouwelijk jongvee en 20 fokstieren zou geen volledige dagtaak vergen. De rechtbank heeft bij haar oordeel volgens hen ten onrechte aangenomen of betrokken dat DDG 70 ha landbouwgrond ter beschikking staat, dat het thans vergunde project mede wordt opgestart in verband met een agrarisch bedrijf in Brazilië, en dat is verzocht het bestemmingsplan te wijzigen in verband met uitbreiding van het bedrijf.

3.1. Dit betoog faalt. Reeds gezien de voorziene veebezetting mocht het college naar het oordeel van de Afdeling redelijkerwijs verwachten dat een persoon een dagtaak heeft aan het beheer van het bedrijf en de verzorging van het vee. Gezien de in artikel 1, onder 64, van de planvoorschriften weergegeven definitie is daarmee sprake van een reëel agrarisch bedrijf. Of de overige door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden juist of relevant zijn, kan dus in het midden blijven.

4. Het college en DDG betogen dat de rechtbank in beide uitspraken heeft miskend dat de stal wordt gebruikt voor het houden van melkrundvee. Het houden van melkrundvee, ongeacht of dat biologisch wordt gedaan of niet, is volgens hen geen intensieve veehouderij. De rechtbank heeft gelet hierop volgens hen ten onrechte geoordeeld dat strijd met het bestemmingsplan bestaat.

Zij wijzen er in dit verband op dat de bouw van de rundveestal een eerste stap is in de vestiging van een melkrundveehouderij op deze locatie. In verband met die vestiging is wijziging van het bouwblok ter plaatse gevraagd om een stal voor het houden van melkkoeien en bijbehorende installaties te kunnen realiseren. DDG betoogt dat het feit dat het rundvee in de thans vergunde stal mede is bedoeld voor de productie van embryo’s niet meebrengt dat het geen melkrundvee zou kunnen zijn. DDG betoogt verder dat de in de stal te houden fokstieren samen met het vrouwelijk jongvee moeten worden beschouwd als melkrundvee omdat vrouwelijk jongvee na de geboorte van het eerste kalf melk gaat produceren. Het college en DDG betogen dat de rechtbank bij de uitleg van het begrip "melkrundvee" ten onrechte heeft aangesloten bij spraakgebruik (groot woordenboek der Nederlandse taal) en niet bij hetgeen daaronder volgens de ter zake geldende wetgeving, zoals het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wet ammoniak en veehouderij, moet worden verstaan.

4.1. Of het rundvee in de stal, wanneer deze zou worden geëxploiteerd als onderdeel van de naar zeggen nog te vestigen (melk)rundveehouderij, zou moeten worden aangemerkt als melkrundvee kan in het midden blijven. Of deze vestiging daadwerkelijk zal plaatsvinden stond met het doen van de aanvraag voor enkel het jongvee en de stieren niet vast. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat een mogelijk toekomstige aanvraag om een omgevingsvergunning voor deze vestiging geen rol kan spelen bij de beoordeling of de stal waarvoor thans vergunning is gevraagd in overeenstemming is met het bestemmingsplan.

Het college en DDG hebben op zichzelf terecht betoogd dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, uit de definitie van "intensieve veehouderij" in het bestemmingsplan niet volgt dat alleen het biologisch houden van melkrundvee geen intensieve veehouderij is. In deze definitie is, naast het biologisch houden van dieren, het houden van melkrundvee als afzonderlijke categorie van niet-intensieve veehouderijen opgenomen. Voor de vraag of in dit geval wel of niet sprake is van een intensieve veehouderij, is dus bepalend of de in de stal volgens de aanvraag te houden fokstieren en vrouwelijk jongvee wel of niet melkrundvee zijn.

Op zichzelf kan vrouwelijk jongvee onderdeel zijn van een melkrundveehouderij. Zo wordt in de ook door appellanten aangehaalde Wet ammoniak en veehouderij melkrundvee gedefinieerd als, kort weergegeven, melkvee met bijbehorend vrouwelijk jongvee, dat overwegend wordt gehouden voor de melkproductie, en vrouwelijk vleesvee ouder dan twee jaar met bijbehorend vrouwelijk jongvee, dat op een met melkvee vergelijkbare manier wordt gehouden voor de vleesproductie en het voortbrengen en zogen van kalveren. In de rundveestal waarvoor vergunning is verleend wordt geen melkvee of vrouwelijk vleesvee ouder dan 2 jaar gehouden, en de in deze stal te houden 72 stuks vrouwelijk jongvee kunnen dus niet worden beschouwd als bij dat melkvee of vleesvee behorend vrouwelijk jongvee. Er zijn ook geen installaties voor melkproductie aanwezig. Dat, zoals DDG betoogt, vrouwelijk jongvee na het kalven melk kan geven is op zichzelf juist, maar doet er niet aan af dat de stal waarvoor vergunning is gevraagd geen ruimte of voorzieningen aanwezig zijn voor het houden van melkgevend vee.

Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat de rundveestal waarvoor vergunning is verleend niet kan worden beschouwd als een stal ten behoeve van een melkrundveehouderij. De rechtbank heeft gezien artikel 1, onder 37, in samenhang met artikel 4, vierde lid, onder g, sub 1, van de planvoorschriften terecht geconcludeerd dat sprake is van een in het bestemmingsplan niet toegestane (her)vestiging van een intensieve veehouderij. De rechtbank heeft gelet hierop terecht geconcludeerd dat, nu niet mede krachtens artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo vergunning is verleend voor gebruik van de stal in afwijking van het bestemmingsplan, de verleende vergunning bij de bestreden besluiten op bezwaar ten onrechte is gehandhaafd.

Deze betogen falen.

5. Het college en DDG bestrijden het oordeel van de rechtbank in beide uitspraken dat niet is getoetst aan de in de planvoorschriften gestelde eisen voor afwijking van de bouwhoogte. Daarnaast betoogt DDG dat de rechtbank in de uitspraak in zaken nrs. 15/5120 en 15/6183, op het beroep van VGNM, ten onrechte op dit punt een oordeel heeft gegeven. De VGNM heeft dit punt in beroep namelijk niet aan de orde gesteld.

5.1. De rechtbank heeft in beide uitspraken het volgende overwogen:

"De voorzieningenrechter stelt vast dat de planwetgever in artikel 3 van de planregels zware eisen stelt aan de toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid. Aan deze eisen is door verweerder niet getoetst, wat wel had gemoeten. Deze toets heeft ook naderhand niet plaatsgevonden in het verweerschrift of anderszins in de aanloop naar de zitting."

De Afdeling constateert dat het college in zijn bij brief van 12 november 2015 bij de rechtbank ingediende verweerschrift uitgebreid is ingegaan op de (onderbouwing van de) bouwhoogte, waarbij mede artikel 3 van de planvoorschriften is betrokken. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte geconcludeerd dat de door haar bedoelde toetsing niet heeft plaatsgevonden.

Daarnaast heeft DDG terecht aangevoerd dat het beroep van de VGNM geen betrekking heeft op dit onderwerp, zodat in de uitspraak in zaken nrs. 15/5120 en 16/6813 over dit punt ten onrechte een oordeel is gegeven.

Deze betogen slagen.

6. Het college en DDG bestrijden in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank in de zaken nrs. 15/5151 en 15/6181, voor zover daarin is geoordeeld dat het besluit van 9 juli 2015 op de door [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] gemaakte bezwaren onvoldoende is gemotiveerd wat brandveiligheidsaspecten betreft.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit op bezwaar ondeugdelijk is gemotiveerd omdat aan [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] geen bouwtekening zou zijn gezonden en omdat zich bij de stukken - naar moet worden aangenomen doelt de rechtbank hier op de bij haar aanwezige stukken - niet een schriftelijk akkoord van de brandweer bevindt.

De Afdeling overweegt dat de vraag of een besluit deugdelijk is gemotiveerd, niet afhankelijk is van de vraag of bepaalde processtukken al dan niet aan bepaalde personen of instanties zijn gezonden. Op basis van de door de rechtbank genoemde feiten heeft zij dan ook ten onrechte geconcludeerd dat in het besluit van 9 juli 2015 ondeugdelijk is gemotiveerd dat het bouwplan wat brandveiligheid betreft voldoet aan de eisen.

Deze betogen slagen.

7. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] is ongegrond. Nu de rechtbank gezien hetgeen onder 4.1 is overwogen terecht de besluiten op bezwaar heeft vernietigd, zijn de hoger beroepen van het college en DDG eveneens ongegrond. De aangevallen uitspraken moeten, met verbetering van de gronden waarop deze rusten, worden bevestigd. Ingevolge artikel 8:109, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet van het college griffierecht worden geheven.

Nu de rechtbankuitspraak in stand is gebleven, moeten de van rechtswege ontstane beroepen van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] tegen de besluiten van 5 juli 2016 waarbij na de vernietigingen door de rechtbank opnieuw is besloten op de gemaakte bezwaren worden beoordeeld. Daarover overweegt de Afdeling als volgt.

Beroepen tegen besluiten op bezwaar van 5 juli 2016

8. Uit het besluit van 5 juli 2016 tot wijziging van de op 30 december 2014 verleende omgevingsvergunning, blijkt dat vóór het nemen van dat besluit door DDG een nieuwe versie van de bij de aanvraag van de vergunning behorende tekening 2014333, blad 1, is ingediend (versie 25 mei 2016). In deze nieuwe versie is, in afwijking van de bij verlening van de vergunning op 30 december 2014 gehanteerde versie, een mestkelder onder de stal voorzien, vermeld dat 70 melkkoeien worden gehouden in plaats van 72 stuks jongvee, en is de locatie van een melkrobot aangegeven.

Het college heeft naar aanleiding hiervan bij het besluit van 5 juli 2016 het besluit van 30 december 2014 tot verlening van de omgevingsvergunning gewijzigd, door vergunning te verlenen voor het bouwplan zoals dat gewijzigd is gevraagd.

Vervolgens heeft het college de bezwaren tegen het besluit van 30 december 2014, zoals gewijzigd bij het besluit van 5 juli 2016, ongegrond verklaard.

9. [ appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en de VGNM betogen dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat DDG heeft beoogd een wijziging van de aanvraag in te dienen. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en de VGNM betogen verder dat het niet om een ondergeschikte wijziging gaat. Volgens [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] is de ruimtelijke uitstraling van het houden van melkvee anders dan dat van het houden van jongvee als eerst voorgestaan. Volgens [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en de VGNM had niet kunnen worden volstaan met een wijziging van de aanvraag, maar had een nieuwe aanvraag moeten worden ingediend.

9.1. Deze betogen falen.

Het indienen van de gewijzigde bouwtekening heeft het college terecht - en ook geheel overeenkomstig de bedoeling van DDG - aangemerkt als een gewijzigde aanvraag.

De bouwkundige wijzigingen komen erop neer dat een mestkelder onder en een melkrobot in de stal wordt geplaatst. Verder wordt, zoals eerder weergegeven, op een tekening vermeld dat in plaats van jongvee melkkoeien in de stal worden gehouden. Hierbij zijn geen bouwkundige veranderingen vermeld.

De wijziging van het bouwplan in verband waarmee de gewijzigde bouwtekening is ingediend heeft gezien het voorgaande niet of nauwelijks gevolgen voor het bouwwerk zelf. Er is ook geen aanleiding om aan te nemen dat appellanten of andere derden door de voorgestelde wijziging in hun belangen worden geschaad. Het college heeft terecht geconcludeerd dat het gaat om een wijziging van ondergeschikte aard van het bouwplan, waarover kan worden besloten zonder eerst een geheel nieuwe aanvraag voor het bouwplan in te dienen.

10. De VGNM betoogt dat er een onlosmakelijks samenhang bestaat tussen de thans vergunde bouw en toekomstige uitbreidingen. Daarom zou het college ten onrechte hebben volstaan met het vergunnen van het thans aan de orde zijnde bouwplan.

10.1. Ook dit betoog faalt. Ingevolge artikel 2.7 van de Wabo moet een aanvrager van een omgevingsvergunning ervoor zorgdragen dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. Dit artikel, noch enig andere rechtsregel, verplicht de aanvrager om daarnaast ook alle mogelijke toekomstige activiteiten of projecten in de aanvraag van een omgevingsvergunning te betrekken.

11. Volgens [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en de VGNM mocht het college er niet van uitgaan dat een melkveehouderij zal worden geëxploiteerd. In dat verband betogen zij onder meer dat dit in de vergunningvoorschriften niet is vastgelegd, en dat er bovendien niet alleen melkkoeien maar ook stieren worden gehouden. Bovendien is volgens [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] het houden van melkvee op grond van de ter plaatse geldende bestemming alleen toegestaan als het om biologisch gehouden dieren gaat.

Verder is volgens [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en de VGNM bij de thans voorgenomen veebezetting ook geen sprake van een reëel agrarisch bedrijf, en heeft het college in dit verband ten onrechte aangenomen dat 70 ha grond beschikbaar is ten behoeve van de veehouderij.

11.1. Onder 3.1 heeft de Afdeling geoordeeld dat het college ervan mag uitgaan dat bij het houden van 72 stuks vrouwelijk jongvee en 20 fokstieren sprake is van een reëel agrarisch bedrijf. Hetzelfde geldt bij het houden van 70 melkkoeien en 20 fokstieren. Hetgeen [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en de VGNM over de beschikbare grond aanvoeren kan verder in het midden blijven. In dit opzicht verzet het bestemmingsplan zich niet tegen de vestiging van de veehouderij.

Wel staat ter beoordeling of het hier gaat om "een veehouderij waar geen melkrundvee, schapen, paarden of dieren biologisch gehouden worden". De veehouderij moet in dat geval volgens de in artikel 1, onder 37, van de planvoorschriften opgenomen definitie immers worden aangemerkt als een intensieve veehouderij, die ter plaatse niet mag worden gevestigd.

In dit geval gaat het om een veehouderij waar wél melkrundvee (de 70 melkkoeien) wordt gehouden. Uit hetgeen de Afdeling onder 4.1 heeft overwogen, en de onder 1 genoemde planvoorschriften, volgt dat het hierbij niet van belang is of het melkrundvee biologisch wordt gehouden. Gezien de tekst van de definitie, gaat het hier dus niet om een intensieve veehouderij, ook al worden naast de melkkoeien ook nog 20 fokstieren gehouden.

De conclusie is dat het college het overeenkomstig de gewijzigde aanvraag bouwen van een stal en het houden van melkkoeien in combinatie met fokstieren in de stal terecht heeft aangemerkt als het (her)vestigen van een, als reëel agrarisch bedrijf te beschouwen, melkrundveehouderij. Het college heeft terecht geconcludeerd dat het bestemmingsplan in dit opzicht niet in de weg staat aan het verlenen van een vergunning voor de bouw van de stal. Aan zo’n vergunning kunnen alleen voorschriften worden verbonden die betrekking hebben op de vergunde activiteit - het bouwen - en niet, zoals [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] wensen, op de hoeveelheid en soort te houden dieren. Overigens kunnen zij wanneer DDG in strijd met het bestemmingsplan een intensieve veehouderij gaat exploiteren het college verzoeken om tegen die overtreding handhavend op te treden.

De betogen falen.

12. [ appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en de VGNM kunnen zich verder niet verenigen met de door het college toegestane maximale bouwhoogte. Zij achten de motivering ter zake onvoldoende.

12.1. De maximale bouwhoogte ter plaatse is ingevolge artikel 4, vierde lid, onder c, van de planvoorschriften 10 meter. Artikel 17 van de planvoorschriften, samen met nummer 3a van de daarbij behorende tabel, geeft het college de bevoegdheid hiervan af te wijken tot maximaal 12 meter, indien dit noodzakelijk is voor een efficiënte bedrijfsvoering en de bebouwing geen afbreuk doet aan het straat- en bebouwingsbeeld en de landschappelijke kwaliteit. Verder is in deze tabel in het algemeen bepaald dat de afwijking niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de waarden en belangen als omschreven in het tweede lid van de artikelen 4 tot en met 6 en voorts dat de beschrijving in hoofdlijnen van artikel 3 in acht moet worden genomen.

Het college heeft met toepassing van artikel 17 ingestemd met een bouwhoogte van 10,68 m, en dus met een afwijking van 68 cm. Het college heeft bij het besluit over de bouwvergunning van 5 juli 2016 uitgebreid gemotiveerd waarom deze geringe verhoging van de bouwhoogte naar zijn oordeel past binnen de in artikel 17 gestelde randvoorwaarden. Hetgeen [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en GNMF hebben aangevoerd geeft de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze motivering onvoldoende is om de geringe afwijking van de bouwhoogte toe te staan.

Ook deze betogen falen.

13. De VGNM betoogt dat de vergunning had moeten worden geweigerd omdat een melding als bedoeld in afdeling 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is gedaan voor een veehouderij op deze locatie die een grotere omvang heeft dan hetgeen thans is vergund.

Dit betoog faalt. Artikel 2.10 van de Wabo geeft limitatief aan op welke gronden een vergunning voor bouwen mag worden geweigerd. Een discrepantie tussen het bouwplan en een melding in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer is hierin niet als weigeringsgrond opgenomen.

14. De VGNM betoogt dat de motivering van het college wat het aspect brandveiligheid betreft - kort weergegeven: dat het bouwplan voldoet aan de ter zake gestelde bepalingen in het Bouwbesluit 2012 - tekortschiet, naar de Afdeling uit het betoog begrijpt onder meer omdat het college geen overwegingen aan pompputten heeft gewijd. Verder heeft het college volgens VGNM, zo begrijpt de Afdeling het betoog, ten onrechte geen vergunning verleend voor het aanleggen van waterwinputten, en zal deze vergunning ook niet kunnen worden verleend. Uit het verhandelde ter zitting begrijpt de Afdeling dat dit laatste betoog betrekking heeft op de door VGNM in het kader van de brandveiligheid genoemde pompputten.

14.1. In het besluit van 5 juli 2016 tot wijziging van de op 30 december 2014 verleende omgevingsvergunning heeft het college vermeld dat de aanvraag om vergunning naar aanleiding van opmerkingen van de brandweer is gewijzigd. Met deze aanpassingen voldoet het plan, ook volgens de brandweer, aan de brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit, aldus het college. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college hiermee voldoende gemotiveerd dat het bouwplan voldoet aan de brandveiligheidseisen.

Voor zover VGNM aanvoert dat mogelijk vergunning moet worden verleend voor het slaan van pompputten, oordeelt de Afdeling dat een eventueel vergunningvereiste niet in de weg staat aan verlening van de thans verleende omgevingsvergunning. VGNM heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze niet kon worden verleend.

Ook dit betoog faalt.

15. De beroepen tegen de besluiten op bezwaar van 5 juli 2016 zijn ongegrond.

Proceskosten

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart de beroepen tegen de besluiten op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst van 5 juli 2016 met kenmerken Z69181/UIT-101512 en Z69331/UIT-101523 ongegrond;

III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst een griffierecht van € 503,00 (zegge: vijfhonderddrie euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van der Zijpp

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2017

262.