Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3498

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
201704920/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 april 2017 heeft het college het wijzigingsplan "Kerkdriel wijziging 2017, Lindestraat ongenummerd" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704920/1/R1.

Datum uitspraak: 20 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Kerkdriel, gemeente Maasdriel (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2017 heeft het college het wijzigingsplan "Kerkdriel wijziging 2017, Lindestraat ongenummerd" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[partijen] (hierna tezamen en in enkelvoud: [partij]) hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2017, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door S. Wakelkamp en

ing. S. Bosch, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], bijgestaan door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het wijzigingsplan voorziet in de bouw van een vrijstaande woning tussen de bestaande woning op de hoek van de Lindestraat/Kastanjestraat en de bestaande woning op het perceel Duitse Weistraat 13. De gronden in het plangebied zijn eigendom van [partij]. Het wijzigingsplan is gebaseerd op de wijzigingsbevoegdheid, zoals opgenomen in artikel 22, lid 22.7.3, van de planregels van het op 30 januari 2014 vastgestelde bestemmingsplan "Kerkdriel en Hoenzadriel 2013".

    Artikel 22, lid 22.7.3, van de planregels van voornoemd bestemmingsplan luidt als volgt: "Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden met deze bestemming wijzigen teneinde de toevoeging van een bouwvlak en bouwaanduidingen voor de bouw van extra woningen mogelijk te maken, mits:

    a. de benodigde onderzoeksgegevens beschikbaar zijn om een afweging aangaande de aanwezige waarden en belangen en milieu- en wateraspecten te kunnen maken teneinde een goede ruimtelijke ordening te kunnen waarborgen; uit de onderzoeksgegevens moet de geschiktheid van de gronden blijken voor de nieuwe functie;

    b. de woningbouw past binnen het woningbouwprogramma van de gemeente Maasdriel;

    c. de woningbouw inpasbaar is binnen het stedenbouwkundig beeld;

    d. aangrenzende waarden en belangen niet onevenredig worden geschaad;

    e. de haalbaarheid van de bestemmingswijziging ook financieel is aangetoond;

    f. de regels van dit artikel onverminderd van toepassing blijven."    

2.    [appellant] woont ten noorden van het plangebied op het perceel [locatie A]. Haar beroep is gericht tegen het plan. [appellant] vreest onder meer dat met het realiseren van de vrijstaande woning haar woon- en leefklimaat, waaronder haar privacy en uitzicht, ernstig zal worden aangetast.

Toetsingskader

3.    Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan mag de planologische aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan ook na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

Inhoudelijk

4.    Allereerst betoogt [appellant] dat het wijzigingsplan in strijd is met de wijzigingsvoorwaarde uit artikel 22, lid 22.7.3, onder c, van de planregels van het bestemmingsplan "Kerkdriel en Hoenzadriel 2013", nu de woning volgens haar niet inpasbaar is binnen het stedenbouwkundig beeld. Daarbij voert zij aan dat de mogelijk gemaakte bebouwing van twee bouwlagen met kap niet passend is in de omgeving, welke wordt gekenmerkt door bebouwing van één bouwlaag met kap. Verder voert zij aan dat het realiseren van een woning tussen de twee bestaande woningen in niet wenselijk is, omdat hierdoor de bebouwing te dicht op elkaar komt te staan. Hierbij wijst zij erop dat aan de overzijde van de vijver die ten zuiden van de Lindestraat ligt, op gronden met eenzelfde omvang als het plangebied samen met de twee percelen ten westen en ten oosten ervan slechts twee woningen staan.

4.1.    Blijkens de verbeelding is aan het plangebied de bestemming "Wonen" toegekend. Aan een groot deel van het plangebied is eveneens de bouwaanduiding "bijgebouwen" toegekend. Tevens is aan een deel van het plangebied de aanduiding "bouwvlak" toegekend met bouwaanduiding "vrijstaand" en de aanduiding "maximum goothoogte 6 m."

    Artikel 3 van de planregels luidt: "De regels van artikel 22 'Wonen' van het bestemmingsplan "Kerkdriel en Hoenzadriel 2013" zijn van overeenkomstige toepassing op dit wijzigingsplan, met dien verstande dat:

    a. 22.2.1 sub a als volgt wordt aangepast: a: "maximaal één woning, overeenkomstig de bouwwijze zoals hierna per bouwvlak door middel van een aanduiding is aangegeven:"

    aanduiding [vrij]; bouwwijze vrijstaand."

    Artikel 22, lid 22.1, van de planregels behorende bij het bestemmingsplan "Kerkdriel en Hoenzadriel 2013" luidt: "De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

    a. wonen;

    [..]."

    Lid 22.2, onder 1, luidt: "Op en in de gronden als bedoeld in 22.1 mogen uitsluitend de volgende bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de bestemming:

    a. maximaal één woning per bestaand bouwperceel, overeenkomstig de bouwwijze zoals hierna per bouwvlak door middel van een aanduiding is aangegeven:

    aanduiding [vrij]; bouwwijze vrijstaand;

    [..];

    c. bijgebouwen;

    [..]."

    Lid 22.2, onder 2, luidt: "Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels:

    a. woningen mogen uitsluitend worden gesitueerd binnen het bouwvlak, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'onderdoorgang' ruimte dient te worden gereserveerd voor een onderdoorgang voor het langzaam verkeer;

    [..];

    c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte' is aangegeven;

    d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' is aangegeven;

    [..];

    f. woningen mogen plat of met een kap worden afgedekt. In het laatste geval bedraagt de dakhelling minimaal 30° en maximaal 65°, met dien verstande dat indien de bestaande dakhelling kleiner is, de bestaande dakhelling is toegestaan;

    [..]."

4.2.    In de plantoelichting is beschreven dat de op zich passende bestaande invulling als tuin ten gevolge van het wijzigingsplan plaats maakt voor een woning met een straatgerichte voortuin en dat dit leidt tot een andere maar eveneens ruimtelijk goede afronding van de stedenbouwkundige structuur. De wijk waar het plangebied zich in bevindt, is stedenbouwkundig te karakteriseren als een boomstructuur, stedenbouwkundig ook wel getypeerd als ‘bloemkoolwijk’. De bloemkoolwijk is ontstaan rond 1970 en wordt gekenmerkt door de kronkelende hofjes. Het accent binnen de bloemkoolwijk ligt op eengezinswoningen met een tuin, verschillende woningplattegronden, verspringende rooilijnen en meanderende verkavelingsvormen en de kleinschalige architectuur. De basis van het wijzigingsplan is dat er één vrijstaande woning wordt gerealiseerd die past in de omgeving. Dit betekent dat de karakteristieken van de directe omgeving als leidraad dienen voor de bebouwing van de planlocatie. Dat leidt tot de realisatie van een vrijstaande woning van twee bouwlagen met een schilddak, een veranda en een garage. De woning krijgt een eigen uitstraling. Een dergelijke oplossing past gezien het eveneens individuele karakter van de belendende woningen.

4.3.    De Afdeling stelt vast dat, net als voor het onderhavige plangebied, op de omliggende percelen op grond van het bestemmingsplan "Kerkdriel en Hoenzadriel 2013" woningen met een maximale goothoogte van 6 m zijn toegestaan en dat deze woningen plat mogen worden afgedekt of met een kap. Op grond van de planregels in samenhang bezien met de verbeelding is geen maximale bouwhoogte opgenomen. Ook in dit opzicht is de bouwregeling in het wijzigingsplan gelijk aan de regeling in voornoemd bestemmingsplan. Het college heeft ter zitting verder toegelicht dat de bestaande woning direct ten oosten van het plangebied twee bouwlagen heeft, twee andere bestaande woningen ten oosten van het plangebied aan de Lindestraat en de bestaande woning ten westen van het plangebied één bouwlaag met kap hebben en dat de bestaande woningen aan de Kastanjestraat twee bouwlagen met kap hebben of één bouwlaag met een kap waarin twee verdiepingen aanwezig zijn. Gelet op het voorgaande heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene woning met maximaal twee bouwlagen en een kap passend is in de omgeving en daardoor inpasbaar is binnen het stedenbouwkundig beeld.

    Wat betreft het betoog van [appellant] dat het realiseren van een woning tussen de twee bestaande woningen in niet wenselijk is, omdat hierdoor de bebouwing te dicht op elkaar komt te staan, overweegt de Afdeling als volgt. Het college heeft ter zitting toegelicht dat het door de raad vastgestelde Woningbouwprogramma juist ruimte biedt voor het realiseren van bouwplannen op individuele kavels binnen binnenstedelijk gebied. Voorts ligt blijkens de verbeelding de bestaande woning ten westen van het plangebied op een afstand van ongeveer 12 m van het bouwvlak en de woning ten oosten van het plangebied op een afstand van ongeveer 4,5 m. Gelet hierop treedt naar het oordeel van de Afdeling geen onaanvaardbare verdichting van de omgeving op.

    Gelet op al het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het wijzigingsplan in strijd met de wijzigingsvoorwaarde in artikel 22, lid 22.7.3, onder c, van de planregels behorende bij het bestemmingsplan "Kerkdriel en Hoenzadriel 2013" is vastgesteld.

    Het betoog van [appellant] faalt.

5.    Verder betoogt [appellant] dat het realiseren van een woning ter plaatse leidt tot een ernstige inbreuk op haar privacy en aantasting van haar uitzicht, nu zij direct zicht heeft op het plangebied. Hierbij wijst zij er verder op dat de gronden in het plangebied lange tijd in gebruik waren als fruit- en moestuin en niet voor bewoning, zodat met het onderhavige wijzigingsplan sprake is van een wezenlijk andere functie. [appellant] voert voorts aan dat ten onrechte geen bezonningsstudie is uitgevoerd. Ter zitting heeft zij nader toegelicht dat het hierdoor onduidelijk is of de voorziene woning leidt tot schaduwhinder op haar woonperceel.

5.1.    De Afdeling overweegt dat enige aantasting van de privacy en het woongenot van [appellant], gelet op het feit dat de gronden in het plangebied thans grotendeels onbebouwd zijn, niet uit te sluiten is. In dit verband wordt echter van belang geacht dat de woning van [appellant] op een afstand van ongeveer 20 m staat ten opzichte van het bouwvlak van het plandeel met de bestemming "Wonen" en dat geen blijvend recht op een vrij uitzicht bestaat. Verder is van belang dat het college te kennen heeft gegeven dat het plangebied van het perceel van [appellant] wordt gescheiden door een watergang en dat in het plangebied tot voor kort opgaande begroeiing stond waardoor geen sprake was van vrij uitzicht op de Lindestraat en de ten zuiden daarvan gelegen vijver. Gelet op het voorgaande heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het wijzigingsplan in zoverre niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy en het woongenot van [appellant].

    Gezien de ligging van de woning van [appellant] en het plangebied in dichtbebouwd gebied, de afstand van ongeveer 15 m tussen haar perceel en het bouwvlak en de maximaal toegestane goothoogte van 6 m met een kap voor de voorziene woning, heeft het college zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het wijzigingsplan niet leidt tot onaanvaardbare schaduwhinder. Gelet hierop heeft het college geen aanleiding behoeven te zien een bezonningsonderzoek te laten verrichten.

    Het betoog faalt.

6.    Ten slotte betoogt [appellant] dat een planschaderisicoanalyse had moeten worden uitgevoerd, nu op grond van het bestemmingsplan "Kerkdriel en Hoenzadriel 2013" ter plaatse nog geen woning was toegestaan.

6.1.    De Afdeling overweegt dat er geen wettelijke verplichting tot het opstellen van een planschaderisicoanalyse bestaat. Wel dient het college, gelet op artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening, inzicht te bieden in de financiële uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan. Daarbij kunnen eventueel te betalen tegemoetkomingen in planschade een rol spelen. In dit geval is tussen de gemeente en [partij] een planschadeovereenkomst gesloten, waarbij is vastgelegd dat planschade verhaald kan worden op [partij]. Niet aannemelijk is dat die kosten zodanig hoog zouden zijn dat [partij] deze niet zou kunnen dragen. Het aangevoerde geeft de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het wijzigingsplan vanwege kosten voor tegemoetkomingen in planschade financieel niet uitvoerbaar is.

    Het betoog van [appellant] faalt.

7.    In hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wijzigingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Conclusie en proceskosten

8.    Het beroep is ongegrond.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

10.    Voor zover derdebelanghebbende [partij] heeft verzocht om vergoeding van de proceskosten wordt overwogen dat de Afdeling geen aanleiding ziet om af te wijken van de hoofdregel dat ten behoeve van een met het verwerende bestuursorgaan meeprocederende particuliere partij geen proceskostenveroordeling wordt uitgesproken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.G. Driessen, griffier.

w.g. Helder    w.g. Driessen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2017

634.