Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3497

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
201608427/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2016:3757, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 3 september 2015 en 18 september 2015 heeft het college een verzoek om informatie van Praxis deels afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2018/18 met annotatie van J. oude Egbrink
Gst. 2018/58 met annotatie van C.N. van der Sluis
AB 2018/178 met annotatie van C. A. Geleijnse
JB 2018/23
JOM 2017/1418
JOM 2018/889
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608427/1/A3.

Datum uitspraak: 20 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Praxis Vastgoed B.V. en Praxis Doe-het-zelf Center B.V., beide gevestigd te Amsterdam (hierna tezamen en in enkelvoud: Praxis),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 30 september 2016 in zaak nr. 16/1346 in het geding tussen:

Praxis

en

het college van burgemeester en wethouders van Almelo.

Procesverloop

Bij besluiten van 3 september 2015 en 18 september 2015 heeft het college een verzoek om informatie van Praxis deels afgewezen.

Bij besluit van 5 april 2016 heeft het college het door Praxis daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 september 2016 heeft de rechtbank het door Praxis daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Praxis hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij brieven van 22 november 2016 en 13 maart 2017 hebben onderscheidenlijk Praxis en Hornbach Real Estate Almelo B.V. de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2017, waar Praxis, vertegenwoordigd door mr. J.R. van Angeren, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Ichoh, advocaat te Enschede, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Hornbach, vertegenwoordigd door mr. T. Grundmeijer, advocaat te Amsterdam, gehoord.

Overwegingen

1.    Hornbach wil een bouw- en tuinmarkt realiseren in Almelo. Praxis heeft een vestiging in Almelo en heeft geprocedeerd tegen de vaststelling van het bestemmingsplan "Rhijnbeek", waarmee is beoogd de vestiging van een Hornbach in Almelo te faciliteren. In de tussenuitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4648, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Almelo opgedragen om gebreken in het besluit van 20 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Rhijnbeek" te herstellen. Ook heeft de Afdeling bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 20 juni 2013 geschorst. Bij besluit van 7 april 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Rhijnbeek" opnieuw vastgesteld. Bij besluit van 5 juni 2015 heeft het college aan Hornbach een omgevingsvergunning verleend. Op 25 augustus 2015 is die vergunning ingetrokken.

2.    Bij brief van 23 juni 2015 heeft Praxis het college op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) verzocht om alle op de verlening van de omgevingsvergunning aan Hornbach betrekking hebbende stukken, "waaronder in elk geval eventueel tussen de gemeente Almelo en Hornbach gesloten overeenkomsten, gespreksverslagen en e-mailcorrespondentie met betrekking tot de bouwaanvraag en vergunningverlening, onderzoeksrapportages en besluiten".

    Bij brief van 16 juli 2015 heeft Praxis het verzoek als volgt gespecificeerd: "De documenten die cliënten verzoeken hebben betrekking op het vooroverleg dat tussen uw college en Hornbach is gevoerd omtrent de aanvraag om de omgevingsvergunning en de verlening daarvan. Die documenten kunnen onder meer zijn e-mais, gespreksverslagen, brieven e.d.".

3.    Bij het besluit van 18 september 2015 heeft het college passages van de bij dat besluit gevoegde producties 1 tot en met 4, 7 en 9 geweigerd op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob. Van producties 5 en 6 vallen gedeelten niet onder het Wob-verzoek. Van een gedeelte in productie 5 dat wel onder het Wob-verzoek valt, is tekst weggelakt op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob. Ten aanzien van productie 8 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de doorgehaalde tekst achter de eerste bullet primair op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob en subsidiair op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van die wet wordt geweigerd. De overige in productie 8 doorgehaalde passages heeft het college op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob geweigerd.

4.    De rechtbank heeft overwogen dat uit de documenten, die betrekking hebben op uitwisseling van informatie tussen het college en de advocaat van Hornbach, volgt dat het college en de advocaat het oogmerk hadden het college in de gelegenheid te stellen zich een oordeel te vormen en een standpunt in te nemen over een bestuurlijke aangelegenheid. Het zijn daarom documenten bestemd voor intern beraad. Voorts bevatten de geweigerde teksten volgens de rechtbank persoonlijke beleidsopvattingen. Het college heeft daarom op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob mogen weigeren de passages openbaar te maken, aldus de rechtbank.

5.    Praxis betoogt dat de uitwisseling van informatie tussen het college en advocaten van Hornbach geen intern beraad betreft. Daartoe voert zij aan dat de bedoeling een stuk uitsluitend voor intern beraad op te stellen, uitdrukkelijk moet blijken of redelijkerwijs moet kunnen worden vermoed. De uitwisseling van informatie heeft volgens Praxis plaatsgevonden om de indiening en totstandkoming van een omgevingsvergunning mogelijk te maken. Omdat de uitwisseling van informatie heeft plaatsgevonden met mensen buiten de kring van de gemeente, zijn de documenten niet opgesteld ten behoeve van intern beraad, aldus Praxis.

6.    Ten aanzien van productie 6 kan het betoog van Praxis niet slagen, reeds omdat het college de weggelakte delen in dat document niet op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob heeft geweigerd.

    Gelet op het voorgaande, ligt de vraag voor of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de documenten die als producties 1 tot en met 5 en 7 tot en met 9 bij het besluit van 18 september 2015 zijn gevoegd, zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad.

7.    Artikel 11, eerste lid, van de Wob luidt:

"In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen."

    Artikel 1, aanhef en onder c, luidt:

"In de wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder intern beraad verstaan: het beraad over een bestuurlijke aangelegenheid binnen een bestuursorgaan, dan wel binnen een kring van bestuursorganen in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een bestuurlijke aangelegenheid."

7.1.    Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11 van de Wob (Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 13) volgt dat het interne karakter van een stuk wordt bepaald door het oogmerk waarmee dit is opgesteld. Degene die het document heeft opgesteld moet de bedoeling hebben gehad dat dit zou dienen voor hemzelf of voor het gebruik door anderen binnen de overheid. Ook documenten die afkomstig zijn van derden die niet tot de kring van de overheid behoren (hierna: externe derden), kunnen worden aangemerkt als documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad indien de documenten met dat oogmerk zijn opgesteld. Het interne karakter van het beraad komt evenwel te vervallen wanneer daaraan het karakter van advisering of gestructureerd overleg moet worden toegekend.

7.2.    De Afdeling is thans - anders dan voorheen (vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1298) - van oordeel dat aan een beraad het interne karakter ontvalt indien daarbij een externe is betrokken die een eigen belang behartigt dat als zodanig bij het beraad een rol speelt. Hij adviseert in dat geval niet, of niet uitsluitend, in het belang van het bestuursorgaan dat hem om advies vraagt, maar zijn inbreng wordt (mede) ingegeven door een eigen belang bij de uitkomst van het beraad. Documenten van externe derden, zoals bedoeld in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11 van de Wob, die zijn opgesteld met het oog op intern beraad, kunnen naar het oordeel van de Afdeling slechts onder intern beraad vallen in het geval dat de externe derde geen ander belang heeft dan het bestuursorgaan vanuit de eigen ervaring en deskundigheid een opvatting te geven over een bestuurlijke aangelegenheid.

7.3.    De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennisgenomen van de door het college vertrouwelijk overgelegde documenten.

7.4.    De bij het besluit van 18 september 2015 gevoegde producties 1 en 8 zijn verslagen opgesteld van overleggen waaraan ambtenaren van de gemeente en advocaten en andere vertegenwoordigers van Hornbach hebben deelgenomen. Producties 2, 3, 4 en 9 betreffen e-mails tussen ambtenaren van de gemeente en advocaten van Hornbach. Productie 5 betreft een lijst van afspraken gemaakt bij een overleg waarbij een wethouder en ambtenaren aanwezig waren. Productie 7 is een nota van de advocaat van Hornbach. Alle documenten zijn opgesteld in de periode van januari 2015 tot en met april 2015 en hebben betrekking op argumenten en informatie over de strekking en mogelijke gevolgen van de tussenuitspraak van de Afdeling van 24 december 2014, waarbij de raad van de gemeente Almelo is opgedragen om gebreken in het besluit van 20 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Rhijnbeek" te herstellen, en het voornemen van Hornbach om een omgevingsvergunning aan te vragen. Uitwisseling van die argumenten en informatie heeft onder meer plaatsgevonden teneinde het college en vervolgens de raad in staat te stellen een standpunt in te nemen betreffende een bestuurlijke aangelegenheid, te weten het nemen van een herstelbesluit ten aanzien van het bestemmingsplan en het nemen van een besluit op de door Hornbach voorgenomen vergunningaanvraag. Productie 5 is een lijst van afspraken gemaakt bij een overleg waarbij geen externe derden betrokken waren. Die productie mocht derhalve op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob geweigerd worden. Producties 1 tot en met 4 en 7 tot en met 9 betreffen echter argumenten en informatie die de gemeente met Hornbach heeft gedeeld, dan wel die Hornbach bij de gemeente heeft voorgelegd. Bij de uitkomst van het beraad over het herstelbesluit ten aanzien van het bestemmingsplan "Rhijnbeek" en de door Hornbach voorgenomen aanvraag om een omgevingsvergunning heeft Hornbach een eigen belang. Hornbach is in dit geval niet een externe derde die uitsluitend adviseert in het belang van het bestuursorgaan en die geen ander belang heeft dan vanuit de eigen ervaring en deskundigheid een opvatting te geven. Gelet op hetgeen hiervoor onder 7.2 is overwogen, betreft de informatie in de producties 1 tot en met 4 en 7 tot en met 9 derhalve geen intern beraad en heeft het college die niet op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob mogen weigeren.

    Het betoog slaagt in zoverre.

8.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 5 april 2016 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 11, eerste lid, van de Wob voor vernietiging in aanmerking, voor zover het ziet op de producties 1 tot en met 4 en 7 tot en met 9. Het college dient opnieuw op het door Praxis gemaakte bezwaar te beslissen en daarbij te bezien of producties 1 tot en met 4 en 7 tot en met 9 openbaar kunnen worden gemaakt dan wel dat andere weigeringsgronden daaraan in de weg staan. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

9.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 30 september 2016 in zaak nr. 16/1346;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almelo van 5 april 2016, kenmerk UIT-1665800, voor zover het ziet op de producties 1 tot en met 4 en 7 tot en met 9;

V.    bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Almelo tot vergoeding van bij Praxis Vastgoed B.V. en Praxis Doe-het-zelf Center B.V. in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.980,00 (zegge: negentienhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Almelo aan Praxis Vastgoed B.V. en Praxis Doe-het-zelf Center B.V. het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 837,00 (zegge: achthonderdzevenendertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Noordhoek, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Noordhoek

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2017

819.