Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3495

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
201505423/1/R2, 201505931/1/R2, 201505932/1/R2, 201506168/1/R2, 201506355/1/R2, 201506450/1/R2, 201508971/2/R2 en 201700782/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2015 heeft het college hogere waarden als bedoeld in artikel 45 van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting voor 3 woningen vanwege een industrieterrein. Tegen dit besluit heeft [appellant sub 1] beroep ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6659
Milieurecht Totaal 2018/6729
Omgevingsvergunning in de praktijk 2018/7759
M en R 2018/29 met annotatie van R. Benhadi
TBR 2018/43 met annotatie van R. Benhadi
JOM 2017/1406
JOM 2017/1412
JOM 2017/1420
JOM 2017/1421
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505423/1/R2 201505931/1/R2 201505932/1/R2 201506168/1/R2 201506355/1/R2 201506450/1/R2 201508971/2/R2 201700782/2/R2

Datum uitspraak: 20 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Hansweert, gemeente Reimerswaal,

2.    [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Hansweert, gemeente Reimerswaal,

3.    [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), wonend te Schore, gemeente Kapelle,

4.    Scheepswerf Reimerswaal B.V., gevestigd te Hansweert, gemeente Reimerswaal,

appellanten,

en

1.    de raad van de gemeente Reimerswaal,

2.    het college van burgemeester en wethouders van Reimerswaal,

3.    de raad van de gemeente Kapelle,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2015 heeft het college hogere waarden als bedoeld in artikel 45 van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting voor 3 woningen vanwege een industrieterrein. Tegen dit besluit heeft [appellant sub 1] beroep ingesteld.

Bij besluiten van 26 mei 2015 heeft de raad van Kapelle de bestemmingsplannen "Loswal Kapelle" en "Buitengebied 1e herziening" vastgesteld. Tegen het eerstgenoemde besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en de Scheepswerf beroep ingesteld. Tegen het laatstgenoemde besluit heeft [appellant sub 3] beroep ingesteld.

Eveneens bij besluiten van 26 mei 2015 heeft de raad van Reimerswaal de bestemmingsplannen "Loswal", "Hansweert, 1e herziening" en "Buitengebied, 1e herziening" vastgesteld. Tegen het eerstgenoemde besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de Scheepswerf beroep ingesteld. Tegen de 2 laatstgenoemde besluiten heeft [appellant sub 1] beroep ingesteld.

Bij besluit van 20 oktober 2015 heeft de raad van Reimerswaal het bestemmingsplan "Buitengebied, 3e herziening" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft [appellant sub 1] beroep ingesteld.

Bij besluit van 3 mei 2016 heeft het college het eerdere besluit van 29 april 2015 ingetrokken en gelijktijdig hogere waarden als bedoeld in artikel 45 van de Wgh vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege een industrieterrein voor 1 woning. Tegen dit besluit heeft [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Bij besluiten van 10 mei 2016 heeft de raad van Kapelle de bestemmingsplannen "Loswal Kapelle" en "Buitengebied 1e herziening" gewijzigd vastgesteld.

Bij besluiten van 31 mei 2016 heeft de raad van Reimerswaal de bestemmingsplannen "Loswal", "Hansweert, 1e herziening" en "Buitengebied, 1e herziening" gewijzigd vastgesteld.

Bij besluit van 20 december 2016 heeft de raad van Reimerswaal het bestemmingsplan "Buitengebied 2016" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld, hoewel zij ook een beroep van rechtswege hebben tegen dit besluit.

De raad van Reimerswaal en de raad van Kapelle hebben een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht over de besluiten van 29 april 2015 tot en met 31 mei 2016.

[appellant sub 2], de raad van Reimerswaal en de raad van Kapelle hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], de Scheepswerf, de raad van Reimerswaal en de raad van Kapelle hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken gelijktijdig ter zitting behandeld op 5 juli 2017, waar [appellant sub 1], bijgestaan door [gemachtigde], [appellant sub 2], in de persoon van [appellant sub 2B], de Scheepswerf, vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, en directeur, de raad van Reimerswaal, vertegenwoordigd door drs. D.J. Steenbergen, bijgestaan door ing. R.G.M. Lauwes en ing. R.E.S.S. Vliex, en de raad van Kapelle, vertegenwoordigd door C.J.M. Uitterhoeve, eveneens bijgestaan door ing. R.G.M. Lauwes en ing. R.E.S.S. Vliex, zijn verschenen.

Overwegingen

INLEIDING

1.    Het geschil gaat voornamelijk over de door [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] gestelde geluidsoverlast van Scheepswerf Reimerswaal, die is gevestigd op het industrieterrein aan de Kaai in Hansweert dat langs het kanaal door Zuid-Beveland ligt. Dit industrieterrein betreft een zogenoemd 'gezoneerd industrieterrein' als bedoeld in artikel 40 van de Wgh en in de voorliggende besluiten is onder meer de toegestane bedrijvigheid en de bijhorende geluidszone voor het eerst planologisch vastgelegd. Op het industrieterrein zijn behalve de Scheepswerf ook een zandhandel, een aannemingsbedrijf en een werkplaats van Rijkswaterstaat aanwezig.

    [appellant sub 1] woont op een afstand van ongeveer 70 meter van de grens van het terrein van de Scheepswerf en de afstand tot de kade waaraan de schepen worden gerepareerd is ongeveer 120 meter. De woning van [appellant sub 3] staat op een vergelijkbare afstand van het terrein van de Scheepswerf. [appellant sub 2] woont op een afstand van ongeveer 490 meter van de Scheepswerf.

    In april 2017 heeft de Scheepswerf een aanzienlijk deel van zijn bedrijfsactiviteiten verplaatst naar het havengebied in Vlissingen-Oost, waarbij ook het grootste van de 2 droogdokken is verplaatst van de locatie in Hansweert naar Vlissingen-Oost. Het kleinere droogdok is op de locatie in Hansweert gebleven. Desgevraagd is ter zitting door de Scheepswerf bevestigd dat zij in Hansweert haar activiteiten voortzet, als nevenvestiging. Voor de nog resterende bedrijfsactiviteiten in het plangebied zal een revisievergunning worden aangevraagd. Bij een eventuele verkoop van het bedrijfsterrein zal de Scheepswerf haar activiteiten mogelijk beëindigen.

    Beide gemeentebesturen zien desgevraagd geen reden om de bestemmingsplanregelingen aan te passen. Het plan voorziet naar hun mening in een adequate regeling van het industrieterrein, waarbij ook een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is geborgd. Er is volgens beide gemeenten behoefte aan dit type vestigingsmogelijkheden, met loswalcapaciteit.

OVERZICHT EN INHOUD VAN DE BESLUITEN

2.    Door verweerders zijn in het kader van deze samenhangende procedures in totaal 14 besluiten genomen met betrekking tot het industrieterrein en de bijbehorende geluidszone. Dit aanzienlijke aantal besluiten wordt slechts deels verklaard door het feit dat het industrieterrein op de grens van de gemeentes Kapelle en Reimerswaal ligt en de geluidszone zich uitstrekt over meerdere bestemmingsplannen die daarvoor zijn gewijzigd. Het grote aantal besluiten heeft geleid tot een weinig overzichtelijke situatie, waardoor de Afdeling het voor de begrijpelijkheid van deze uitspraak nuttig acht om aandacht te besteden aan de juridische consequenties daarvan voor de acht samenhangende zaken die in deze uitspraak worden afgedaan. Aan het einde van deze uitspraak is in rechtsoverweging 40 een korte samenvatting opgenomen van het uiteindelijke oordeel van de Afdeling over alle voorliggende besluiten.

2.1.    In het besluit hogere waarden van 29 april 2015 heeft het college voor 3 woningen - waaronder de woning van [appellant sub 1] - de maximaal toegestane geluidsbelasting van de gevel verhoogd. Voor de woning van [appellant sub 1] is een hogere waarde van 55 dB(A) vastgesteld en voor de andere 2 woningen is een hogere waarde van 51 dB(A) vastgesteld.

    In de 2 besluiten van 26 mei 2015 waarbij de bestemmingsplannen "Loswal" en "Loswal Kapelle" zijn vastgesteld, is het toegestane gebruik van het industrieterrein en een klein deel van de geluidszone vastgelegd. De overige 3 besluiten die zijn genomen op 26 mei 2015 betreffen uitsluitend het vastleggen van een deel van de geluidszone in de verbeelding van aangrenzende bestemmingsplannen.

    De 6 besluiten die zijn genomen op 3, 10 en 31 mei 2016 betreffen wijzigingen die beide gemeentes hebben aangebracht in de eerdere besluiten na de uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3788, waarbij het verzoek van [appellant sub 1] om een voorlopige voorziening is toegewezen en een deel van het bestemmingsplan "Loswal" van de gemeente Reimerswaal alsmede het besluit hogere waarden van 29 april 2015 zijn geschorst. In deze herstelbesluiten zijn extra planregels met betrekking tot de bedrijfsactiviteiten van de Scheepswerf toegevoegd, met als gevolg dat ook de geluidszone is verkleind. Dit leidde er tevens toe dat het besluit hogere waarden van 29 april 2015 is ingetrokken, omdat de geluidsbelasting van de gevels van 2 van de 3 betrokken woningen niet meer boven de 50 dB(A) uitkomt. Hierdoor is in het besluit hogere waarden van 3 mei 2016 alleen voor de woning van [appellant sub 1] nog een hogere waarde vastgesteld van 53 dB(A). Dit is een verlaging van 2 dB(A) ten opzichte van het ingetrokken besluit.

    De 2 besluiten van 20 oktober 2015 en 20 december 2016 van de raad van Reimerswaal betreffen de vaststelling van een bestemmingsplan voor het gehele buitengebied, waarin ook opnieuw een deel van de eerder vastgestelde geluidszone in de verbeelding is vastgelegd.

2.2.    Omdat de raad van Reimerswaal de jaarlijkse actualisering van het bestemmingsplan voor het buitengebied niet beperkt tot enkel de plandelen die worden gewijzigd, maar telkens een plan voor het gehele buitengebied vaststelt, zijn de 2 laatstgenoemde besluiten door de werking van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ook onderdeel van deze procedure geworden, hoewel daarbij niet is beoogd de eerder vastgestelde geluidszone te wijzigen. De Afdeling merkt op dat de geschetste werkwijze bij de actualisering van het bestemmingsplan buitengebied voor de rechtzoekenden, voor de Afdeling en ook voor de gemeenteraad zelf nodeloze complicaties meebrengt bij de behandeling van aanhangige beroepen.

ONTVANKELIJKHEID

[appellant sub 1]

3.    Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan voor de duur van 6 weken ter inzage gelegd en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

[appellant sub 1] heeft geen zienswijze naar voren gebracht tegen het ontwerpplan "Hansweert, 1e herziening" en "Buitengebied, 1e herziening" van de raad van Reimerswaal.

    Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

    Deze omstandigheid doet zich niet voor. De beroepen van [appellant sub 1] tegen deze 2 besluiten zijn niet-ontvankelijk.

3.1.    De omstandigheid dat de beroepen van [appellant sub 1] tegen de 2 besluiten van 26 mei 2015 niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, doet er niet aan af dat ingevolge het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege beroepen zijn ontstaan tegen de 2 herstelbesluiten van 31 mei 2016, waarbij de bestemmingsplannen "Hansweert, 1e herziening" en "Buitengebied, 1e herziening" zijn vastgesteld. De ratio van de regeling inzake het bezwaar of beroep van rechtswege brengt met zich dat niet-ontvankelijkheid van het oorspronkelijke rechtsmiddel niet de niet-ontvankelijkheid impliceert van het bezwaar of beroep van rechtswege. De ontvankelijkheid daarvan moet afzonderlijk worden beoordeeld.

    De ontvankelijkheidsgebreken aan de 2 beroepen werken slechts door voor zover die gebreken zich naar hun aard ook tot de 2 beroepen van rechtswege uitstrekken. Mede gelet op het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb is daarvan in dit geval sprake, voor zover de beroepen van rechtswege zich richten tegen onderdelen van de herstelbesluiten die ongewijzigd zijn ten opzichte van de oorspronkelijke besluiten.

3.1.1.    Gezien het voorgaande moet worden beoordeeld of het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 1] tegen het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan "Hansweert, 1e herziening" ontvankelijk is. In het kader van de ontvankelijkheid van dit beroep van rechtswege dient de Afdeling ook ambtshalve te beoordelen of [appellant sub 1] belanghebbende is bij dit herstelbesluit.

    In dit verband is van belang - zoals hiervoor onder 2.1 is overwogen - dat dit gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan uitsluitend voorziet in het vastleggen van een deel van de geluidszone die hoort bij het gezoneerde industrieterrein waarop de Scheepswerf is gevestigd. De woning van [appellant sub 1] bevindt zich niet binnen de begrenzing van het plangebied van dit gewijzigde plan en daarmee ligt zijn woning ook niet in dit deel van de geluidszone. Dit gewijzigde plan maakt ook geen ontwikkelingen mogelijk die van invloed zijn op de geluidsbelasting ter plaatse van zijn woning. De geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 1] en de omvang van de geluidszone ter plaatse van zijn woning zijn immers het gevolg van het gezoneerde industrieterrein dat in de - gewijzigde - bestemmingsplannen "Loswal" en "Loswal Kapelle" mogelijk wordt gemaakt. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat [appellant sub 1] geen rechtstreeks bij dit herstelbesluit betrokken belang heeft.

    De conclusie is dat [appellant sub 1] geen belanghebbende is bij dit herstelbesluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen. Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 1] tegen dit herstelbesluit is daarom niet-ontvankelijk.

3.1.2.    Hetgeen onder 3.1 is overwogen leidt ertoe dat het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 1] tegen het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied, 1e herziening" ontvankelijk zou kunnen zijn. Voorts stelt de Afdeling vast dat de woning van [appellant sub 1] binnen de begrenzing ligt van het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied, 1e herziening" van de raad van Reimerswaal en dat zijn woning ook binnen het deel van de geluidszone ligt dat in dit plan is vastgelegd. [appellant sub 1] is derhalve wel belanghebbende bij dit herstelbesluit.

    De toepassing van artikel 6:13 van de Awb verhindert in dit geval in beginsel niet dat [appellant sub 1] tegen de gewijzigde onderdelen van dit herstelbesluit een beroep van rechtswege heeft, omdat hem redelijkerwijs niet kan worden verweten daartegen geen zienswijze te hebben ingebracht. Tegen die gewijzigde besluitonderdelen kan - zonder dat tijdig een zienswijze is ingediend - uitsluitend worden opgekomen voor zover de aangebrachte wijzigingen voor betrokkenen een ongunstiger positie bewerkstelligen. Vergelijk de uitspraak van 9 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP3707.

    Hiervan is in dit geval geen sprake. Zoals hiervoor onder 2.1 is overwogen is als gevolg van de gewijzigd vastgestelde bestemmingsplannen "Loswal" en "Loswal Kapelle" de geluidszone in alle andere plannen verkleind. Dit is ook het geval voor het latere herstelbesluit uit 2016 waar het beroep van rechtswege van [appellant sub 1] tegen is gericht. In het oorspronkelijke bestemmingsplan "Buitengebied, 1e herziening" uit 2015 is een grotere geluidszone opgenomen dan in het latere herstelbesluit. Nu de beroepen van [appellant sub 1] tegen de diverse besluiten van de gemeenten Reimerswaal en Kapelle zijn gericht tegen de toename van de geluidsbelasting die de bestreden besluiten mogelijk maken, valt niet in te zien dat [appellant sub 1] door het herstelbesluit in een ongunstigere positie is gebracht. Het beroep van rechtswege van [appellant sub 1] tegen dit herstelbesluit is daarom niet-ontvankelijk.

4.    [appellant sub 1] heeft bij brief van 10 augustus 2015 beroep ingesteld tegen de besluiten van de raad van Reimerswaal van 26 mei 2015 tot vaststelling van de bestemmingsplannen "Loswal", "Hansweert, 1e herziening" en "Buitengebied, 1e herziening" alsmede het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Reimerswaal van 29 april 2015 tot vaststelling van hogere waarden. Bij brief van 29 augustus 2015 heeft [appellant sub 1] in verband met deze beroepen een nader stuk ingediend. Daarbij heeft [appellant sub 1] voor het eerst te kennen gegeven dat hij ook beroep instelt tegen het bestemmingsplan "Loswal Kapelle".

    Het besluit van de raad van Kapelle van 26 mei 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal Kapelle" heeft met ingang van 9 juli 2015 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. De beroepstermijn liep derhalve van 10 juli 2015 tot en met 20 augustus 2015. Het beroep van [appellant sub 1] tegen het bestemmingsplan "Loswal Kapelle" is ingesteld bij brief van 29 augustus 2015 en daarmee buiten de beroepstermijn ingediend. [appellant sub 1] heeft geen omstandigheden naar voren gebracht op basis waarvan deze termijnoverschrijding verschoonbaar zou moeten worden geacht als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 1] tegen dit besluit is eveneens niet-ontvankelijk.

4.1.    Voor [appellant sub 1] is ook een beroep van rechtswege ontstaan ten aanzien van het herstelbesluit van 10 mei 2016, dat betrekking heeft op de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal Kapelle". De ontvankelijkheid van dit beroep van rechtswege dient afzonderlijk te worden beoordeeld.

    In dit geval is geen sprake van een ontvankelijkheidsgebrek aan het beroep dat naar zijn aard ook doorwerkt tot het beroep van rechtswege. Een beroep van rechtswege is naar zijn aard tijdig ingesteld, ook als het oorspronkelijke rechtsmiddel te laat is ingesteld, mits ten tijde van het nemen van het nadere besluit nog niet op het oorspronkelijke rechtsmiddel is beslist. Die situatie doet zich hier voor. Vergelijk de uitspraak van 10 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1802.

    Het beroep van rechtswege van [appellant sub 1] tegen het besluit van 10 mei 2016 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal Kapelle" van de raad van Kapelle is - gelet op het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb - slechts ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen gewijzigde onderdelen van dit besluit en de aangebrachte wijzigingen [appellant sub 1] in een ongunstigere positie hebben gebracht.

    Hiervan is in dit geval sprake. Weliswaar bevatten de meeste planregels die in dit gewijzigde plan zijn toegevoegd een beperking van de toegestane bedrijfsactiviteiten en zijn deze daarmee gunstig voor de geluidhinder die [appellant sub 1] ervaart, maar ten opzichte van het oorspronkelijke plan uit 2015 is ook een definitie van het begrip 'walkast' toegevoegd. Die wijziging is ongunstig voor [appellant sub 1], aangezien zoals hierna onder 14.4 wordt overwogen de definitie van een walkast in de planregels afwijkt van de gangbare betekenis. Het beroep van rechtswege van [appellant sub 1] is derhalve ontvankelijk, voor zover het is gericht tegen dit onderdeel van het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan "Loswal Kapelle" en voor het overige niet-ontvankelijk.

[appellant sub 2]

5.    [appellant sub 2] heeft tegen de bestemmingsplannen "Loswal Kapelle" en 'Loswal" geen zienswijze naar voren gebracht. Uit artikel 6:13 van de Awb vloeit voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. In de beroepschriften stelt [appellant sub 2] dat hij zich richt tegen gewijzigde onderdelen van deze 2 besluiten. Een aantal beroepsgronden is inderdaad gericht tegen gewijzigde onderdelen van deze bestreden besluiten. Het beroep is in zoverre ontvankelijk.

    Ten aanzien van de beroepsgrond over de milieucategorie van de Scheepswerf, overweegt de Afdeling dat de door [appellant sub 2] bestreden bestemmingsplannen "Loswal Kapelle" en "Loswal" op dit punt niet gewijzigd zijn vastgesteld. De beroepen van [appellant sub 2] tegen deze 2 besluiten zijn in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

6.    Wat betreft het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van het college van 3 mei 2016, waarbij een hogere waarde van 53 dB(A) is vastgesteld voor de woning van [appellant sub 1], overweegt de Afdeling als volgt.

    [appellant sub 2] is niet de bewoner van de woning waarvoor bij dit besluit een hogere waarde is vastgesteld noch eigenaar van de gronden waarop deze woning staat. Zijn woning staat op een afstand van meer dan 700 meter van de woning van [appellant sub 1], waarvoor een hogere waarde is vastgesteld. Deze afstand is naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant sub 2] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

    De conclusie is dat [appellant sub 2] geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het besluit tot vaststelling van hogere waarden en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen. Het beroep van [appellant sub 2] tegen dit besluit is niet-ontvankelijk.

[appellant sub 3]

7.    Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 3], overweegt de Afdeling dat in het deskundigenbericht is vermeld dat [appellant sub 3B] - de moeder van [appellant sub 3A] - recentelijk is verhuisd en niet langer in de woning aan de [locatie 1] woont. [appellant sub 3C] heeft als eigenaar van deze woning nog steeds belang bij de uitkomst van deze procedure, maar wat betreft [appellant sub 3D] is de Afdeling van oordeel dat zij niet langer een belang heeft bij een uitspraak op de mede door haar ingestelde beroepen.

    De beroepen van [appellant sub 3] tegen de besluiten van de raad van Kapelle van 26 mei 2015 waarbij de bestemmingsplannen "Loswal Kapelle" en "Buitengebied 1e herziening" zijn vastgesteld, zijn niet-ontvankelijk voor zover die beroepen zijn ingesteld door [appellant sub 3B].

7.1.    Uit hetgeen hiervoor onder 3.1 is overwogen volgt dat voor [appellant sub 3] ook beroepen van rechtswege zijn ontstaan ten aanzien van de 2 herstelbesluiten van 10 mei 2016, die betrekking hebben op de gewijzigde vaststelling van de bestemmingsplannen "Loswal Kapelle" en "Buitengebied 1e herziening". De ontvankelijkheid van die beroepen van rechtswege dient afzonderlijk te worden beoordeeld. In dit geval heeft [appellant sub 3B] als gevolg van haar verhuizing evenmin een belang bij een uitspraak over de later genomen herstelbesluiten.

    De beroepen van [appellant sub 3] van rechtswege tegen de besluiten van de raad van Kapelle van 10 mei 2016 waarbij de bestemmingsplannen "Loswal Kapelle" en "Buitengebied 1e herziening" gewijzigd zijn vastgesteld, zijn niet-ontvankelijk voor zover dit [appellant sub 3B] betreft.

OMVANG VAN HET GESCHIL

8.    Voor zover de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] ontvankelijk zijn, strekken die beroepen gelet op hetgeen is bepaald in artikel 6:19, eerste en tweede lid, van de Awb zich ook uit tot sommige later genomen besluiten - voor zover zij daartegen zelf geen beroep hebben ingesteld - aangezien in die later genomen besluiten niet volledig aan hun bezwaren tegemoet is gekomen. Ter verduidelijking wordt hierna een overzicht geven van de besluiten die in deze samenhangende procedures wel of niet meer ter beoordeling van de Afdeling voorliggen en welke beroepen - al dan niet van rechtswege - daartegen nog aanhangig zijn.

Besluit van 29 april 2015

8.1.    Tegen het besluit van het college van 29 april 2015 waarbij hogere waarden zijn vastgesteld voor 3 woningen is nog een beroep van [appellant sub 1] aanhangig. Weliswaar is dit besluit op 3 mei 2016 is ingetrokken, maar de Afdeling kan over het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit uit 2015 nog een oordeel geven als het latere besluit wordt vernietigd.

Besluiten van 26 mei 2015

8.2.    Tegen het bestemmingsplan "Loswal Kapelle" van de raad van Kapelle zijn nog beroepen aanhangig van [appellant sub 2], [appellant sub 3] en de Scheepswerf. Tegen het bestemmingsplan "Buitengebied 1e herziening" van de raad van Kapelle is nog een beroep aanhangig van [appellant sub 3].

8.3.    Tegen de bestemmingsplannen "Hansweert, 1e herziening" en "Buitengebied, 1e herziening" van de raad van Reimerswaal is geen enkel beroep meer aanhangig als gevolg van de niet-ontvankelijkheid van de beroepen van [appellant sub 1]. Die besluiten staan derhalve ook niet meer ter beoordeling van de Afdeling.

    Die bestemmingsplannen zijn daardoor weliswaar onherroepelijk, maar aan die 2 besluiten komt geen betekenis meer toe. Hierbij is van belang dat zoals hierna onder 8.9 wordt overwogen de 2 latere herstelbesluiten uit mei 2016 in stand blijven en die besluiten de 2 oorspronkelijke besluiten uit 2015 geheel vervangen.

8.4.    Wel ter beoordeling staat het bestemmingsplan "Loswal" van de raad van Reimerswaal, waartegen nog beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de Scheepswerf aanhangig zijn.

Besluit van 20 oktober 2015

8.5.    Tegen het bestemmingsplan "Buitengebied, 3e herziening" van de raad van Reimerswaal is een beroep van rechtswege van [appellant sub 1] aanhangig.

Herstelbesluiten van 3, 10 en 31 mei 2016

8.6.    Tegen het besluit van het college van Reimerswaal waarbij voor de woning van [appellant sub 1] een hogere waarde van 53 dB(A) is vastgesteld, is door de niet-ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 2], uitsluitend nog een beroep van rechtswege van [appellant sub 1] aanhangig.

8.7.    Bij brief van 23 augustus 2016 heeft de Scheepswerf de Afdeling meegedeeld dat zij zich met de besluiten van de raad van Reimerswaal en de raad van Kapelle uit mei 2016 kan verenigen, omdat daarmee aan haar eerdere beroepschriften tegemoet is gekomen. Ter zitting heeft zij dit nogmaals bevestigd. Gelet hierop zijn voor de Scheepswerf geen beroepen van rechtswege ontstaan als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Hierdoor behoeven haar beroepen tegen de besluiten van de raad van Reimerswaal en de raad van Kapelle van 26 mei 2015 vooralsnog geen bespreking meer.

8.8.    Tegen het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan "Loswal Kapelle" van de raad van Kapelle zijn beroepen van rechtswege aanhangig van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3]. Tegen het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 1e herziening" van de raad van Kapelle is nog een beroep van rechtswege van [appellant sub 3] aanhangig.

    Wat betreft de 2 beroepen van rechtswege van [appellant sub 3] wijst de Afdeling er volledigheidshalve op dat dit uitsluitend de beroepen betreft voor zover die zijn ingesteld door [appellant sub 3A], gelet op hetgeen hiervoor is onder 7.1 is overwogen.

8.9.    Gelet op hetgeen hiervoor onder 3 tot en met 3.1.2 is overwogen is van [appellant sub 1] geen beroep van rechtswege meer aanhangig tegen de gewijzigd vastgestelde bestemmingsplannen "Hansweert, 1e herziening" en "Buitengebied, 1e herziening" van de raad van Reimerswaal. Deze besluiten staan derhalve niet meer ter beoordeling van de Afdeling en zijn onherroepelijk.

8.10.    Tegen het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan "Loswal" van de raad van Reimerswaal zijn wel van rechtswege beroepen aanhangig van [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

Besluit van 20 december 2016

8.11.    Tegen het bestemmingsplan "Buitengebied 2016" van de raad van Reimerswaal zijn beroepen van rechtswege aanhangig van [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

WIJZE VAN BESPREKING VAN DE BESLUITEN

9.    De voornaamste conclusie van het voorgaande is dat tegen de bestemmingsplannen "Loswal" en "Loswal Kapelle", die voorzien in het toegestane gebruik van het industrieterrein waarop de Scheepswerf is gevestigd, nog steeds beroepen aanhangig zijn en dus de bezwaren van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] over de gestelde geluidsoverlast van de Scheepswerf aan de orde zullen komen in deze procedure.

    Hierna worden de beroepsgronden voor elk afzonderlijk besluit of per groep van besluiten behandeld. Daarbij houdt de Afdeling een omgekeerde chronologische volgorde aan, wat betekent dat het laatst genomen besluit als eerste wordt behandeld. Dit houdt verband met het feit dat de later genomen besluiten de eerder genomen besluiten geheel of gedeeltelijk vervangen en daardoor pas aan een beoordeling van de eerdere besluiten wordt toegekomen als aan het latere besluit een gebrek kleeft dat tot vernietiging van dat besluit leidt.

9.1.    Voorts geldt bij de bespreking van de beroepsgronden het hierna volgende toetsingskader. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Bestemmingsplan "Buitengebied 2016"

10.    [appellant sub 1] betoogt onder meer dat de geluidszone in dit plan is aangepast, maar dat daarbij door de raad van Reimerswaal niet inzichtelijk is gemaakt of dit een voor hem nadelige wijziging betreft. Ook [appellant sub 2] richt zich tegen de gewijzigde vaststelling van de geluidszone in de verbeelding van het plan. Volgens [appellant sub 2] betekent die aanpassing dat de geluidszone dichterbij zijn woning komt te liggen, terwijl hij al jarenlang geluidsoverlast ervaart van de Scheepswerf.

10.1.    Voor een deel van de geluidszone rondom het industrieterrein is het bestemmingsplan "Buitengebied 2016" het laatst door de raad van Reimerswaal vastgestelde plan. In het plangebied van dit plan ligt hetzelfde deel van de geluidszone dat ook is opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied, 1e herziening", dat op 31 mei 2016 gewijzigd is vastgesteld. Wat betreft dit deel van de geluidszone vervangt het bestemmingsplan "Buitengebied 2016" dit eerdere bestemmingsplan.

    Met betrekking tot de ligging van de geluidszone in het bestemmingsplan "Buitengebied 2016" stelt de Afdeling vast dat de grens van de geluidszone in de verbeelding van dit plan kennelijk onjuist is aangegeven. De Afdeling constateert dat bij de gewijzigde vaststelling op 31 mei 2016 van het voorgaande plan "Buitengebied, 1e herziening" de geluidszone is verkleind ten opzichte van het oorspronkelijke plan "Buitengebied, 1e herziening" dat op 26 mei 2015 is vastgesteld, omdat bij die gewijzigde vaststelling in 2016 tegelijkertijd aanvullende planregels voor de bedrijfsactiviteiten van de Scheepswerf zijn toegevoegd die tot minder geluidsproductie leiden. In het bestemmingsplan "Buitengebied 2016" is die eerdere, bewuste verkleining van de geluidszone echter ongedaan gemaakt, want de geluidszone is weer even groot als in het oorspronkelijke bestemmingsplan "Buitengebied, 1e herziening" uit 2015. Hierdoor is de geluidszone voor [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in nadelige zin gewijzigd. Uit het besluit van 20 december 2016 van de raad van Reimerswaal blijkt overigens niet dat deze vergroting van de geluidszone ten opzichte van de herstelbesluiten uit mei 2016 is beoogd. De grens van de geluidszone zoals die is opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied 2016" sluit niet meer aan op de grens van de geluidszone in de 2 aangrenzende bestemmingsplannen - "Hansweert, 1e herziening" van de gemeente Reimerswaal en "Buitengebied 1e herziening" van de gemeente Kapelle - aangezien daarin nog wel een kleinere geluidszone is opgenomen. Hierdoor is een onwenselijke en rechtsonzekere situatie ontstaan. Dit betoog slaagt.

Tussenconclusie

11.    Gelet op het voorgaande is het besluit van 20 december 2016 van de raad van Reimerswaal tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2016", voor zover dat betrekking heeft op de vaststelling van de aanduiding 'geluidzone - industrielawaai', genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen van rechtswege van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen dit besluit zijn gegrond. Dit besluit dient in zoverre wegens strijd met het rechtzekerheidsbeginsel en artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Hetgeen [appellant sub 1] voor het overige tegen dit plan heeft aangevoerd behoeft geen bespreking meer.

Bestemmingsplan "Loswal" (herstelbesluit) en

Bestemmingsplan "Loswal Kapelle" (herstelbesluit)

12.    Zoals hiervoor onder 2.1 is overwogen, voorzien de in 2016 gewijzigd vastgestelde bestemmingsplannen "Loswal" (Reimerswaal) en "Loswal Kapelle" (Kapelle) in een planologische regeling voor het gezoneerde industrieterrein waarop onder andere de Scheepswerf is gevestigd. Deze 2 bestemmingsplannen zijn identiek wat betreft de planregels voor de scheepswerf. Daarom zullen deze 2 plannen hierna samen worden aangeduid als 'het plan'. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben tegen het plan een aantal bezwaren naar voren gebracht, die voornamelijk betrekking hebben op geluidaspecten.

Belangenafweging

13.    [appellant sub 1] betoogt dat onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van omwonenden, omdat de Scheepswerf voor geluidsoverlast zorgt. Hiertoe voert hij aan dat in het plan onvoldoende regels zijn opgenomen die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij zijn woning waarborgen, zoals een beperking van de werktijden in de avond- en nachtperiode. Voorts betoogt hij dat het planologisch vastleggen van een geluidszone ten onrechte wordt gepresenteerd als een maatregel ter bescherming van de belangen van omwonenden. Volgens [appellant sub 1] wordt hiermee juist een illegale situatie alsnog gelegaliseerd ten koste van omwonenden.

13.1.    Voorafgaand aan de vaststelling van het plan gold ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Wgh (oud) reeds van rechtswege sinds 1 juli 1993 een geluidszone. De grens van die geluidszone lag op de gevel van de woning van [appellant sub 1], wat betekent dat ter plaatse van die woning de geluidsbelasting niet meer dan 50 dB(A) mocht zijn. Ter zitting is toegelicht dat de geluidszone is vergroot vanwege de wens van de scheepswerf om aan 4 schepen tegelijk reparaties te kunnen verrichten in plaats van aan 3 schepen. In de akoestische rapporten is - uitgaande van die gewenste bedrijfssituatie - geconstateerd dat door de daarmee gepaard gaande extra geluidsbelasting niet kan worden voldaan aan de geluidszone zoals die sinds 1 juli 1993 van rechtswege geldt. In de akoestische rapporten is geconcludeerd dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] wel kan worden voldaan aan de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB(A), waarvoor een besluit inzake hogere geluidswaarden door het college is genomen.

    Zoals reeds in de uitspraak van 30 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3788, over het verzoek van [appellant sub 1] om een voorlopige voorziening in deze samenhangende procedures is overwogen, wordt een goede ruimtelijke ordening voor het aspect geluid slechts gedeeltelijk ingevuld door de Wgh en heeft dit begrip daarbuiten een zelfstandige betekenis. De stelling van verweerders dat uit de akoestische onderzoeken volgt dat aan de normen van de Wgh kan worden voldaan - hetgeen door [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] wordt bestreden - betekent dat zelfs als ervan zou worden uitgegaan dat die stelling juist is, bij de vaststelling van het plan nog steeds een afweging dient te worden gemaakt tussen de belangen van de Scheepswerf die zijn gemoeid bij een vergroting van de geluidszone en het belang van [appellant sub 1] bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

13.2.    Uit de dossierstukken blijkt dat verweerders op de hoogte zijn van de geluidsoverlast die omwonenden stellen te ervaren van de Scheepswerf. [appellant sub 1] heeft ook stukken overgelegd van een langdurig handhavingstraject door de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) van de provincie Zeeland met betrekking tot de milieuvergunning van de Scheepswerf, waarvan verweerders in hun brief van 9 juni 2017 aangeven dat dit traject tot op heden voor geen van de partijen naar tevredenheid is verlopen. In het plan wordt echter de toegestane geluidsbelasting vanwege het industrieterrein verder verhoogd om zo tegemoet te kunnen komen aan de bedrijfseconomische wensen van de Scheepswerf. Door vergroting van de geluidszone neemt de toegestane geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 1] toe van 50 dB(A) naar 53 dB(A). Omdat deze geluidswaarde een gemiddelde etmaalwaarde betreft, kan de geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 1] op sommige momenten van de dag in werkelijkheid hoger zijn.

    Door het planologisch vastleggen van de geluidszone geldt dat de gezamenlijke geluidsproductie van alle bedrijven op het industrieterrein aan de Kaai niet meer dan 50 dB(A) mag bedragen op de grens van de geluidszone. Zonder een geluidszone wordt de geluidsbelasting van elk bedrijf afzonderlijk beoordeeld aan de hand van de geldende vergunningen en kan de gezamenlijke geluidsbelasting hoger zijn dan 50 dB(A). In dit geval betekent de vastgestelde geluidszone voor [appellant sub 1] echter een verslechtering van zijn woon- en leefklimaat. Zoals hiervoor onder 13.1 is overwogen, mocht door de geluidszone van rechtswege op de woning van [appellant sub 1] de geluidsbelasting immers niet meer dan 50 dB(A) zijn.

13.3.    In de stukken die ten grondslag liggen aan het plan hebben verweerders verzuimd inzichtelijk te maken waarom het voor de Scheepswerf uit bedrijfseconomisch oogpunt niet alleen noodzakelijk is dat aan 4 in plaats van 3 schepen gelijktijdig reparaties kunnen worden verricht, maar tevens waarom het noodzakelijk is dat deze werkzaamheden op elke dag van de week en dag en nacht moeten kunnen worden uitgevoerd. Tevens geven de stukken geen blijk van een afweging tussen de veronderstelde noodzaak tot vergroting van de geluidszone en het belang van [appellant sub 1] bij het voorkomen van een verslechtering van zijn woon- en leefklimaat. In de herstelbesluiten van mei 2016 zijn weliswaar aanvullende planregels ten aanzien van de activiteiten van de Scheepswerf opgenomen, maar daarbij mist de Afdeling een deugdelijke motivering waarom geen verdergaande beperkingen in de planregels konden worden opgenomen, bijvoorbeeld ten aanzien van de dagen of tijdstippen waarop mag worden gewerkt, gezien het zeer luidruchtige karakter van de bedrijfsactiviteiten van de Scheepswerf in combinatie met het feit dat de woning van [appellant sub 1] op korte afstand van de Scheepswerf staat.

    De stelling van verweerders dat het beperken van werkzaamheden in de avond en nacht niet mogelijk is in de planregels, omdat voor die bedrijfsactiviteiten aan de Scheepswerf een vergunning is verleend strookt niet met de brief van de Scheepswerf van 12 juni 2017, waarin zij opmerkt dat in de nieuwe bedrijfssituatie - na de gedeeltelijke verhuizing - de werktijden zullen veranderen in die zin dat in de nieuwe situatie continue zal worden gewerkt, terwijl dat in de oude bedrijfssituatie niet het geval is en dat voor die nieuwe bedrijfssituatie een revisievergunning zal worden aangevraagd. Voorts is in dit verband van belang dat de geldende milieuvergunning uit 2003 weliswaar geen voorschriften bevat over de bedrijfstijden, maar dat in het besluit van 30 september 2003 waarbij de vergunning is verleend is bepaald dat die is verleend overeenkomstig de aanvraag. In die aanvraag is op bladzijde 19 onder meer vermeld dat overwerk in de avondperiode en op zaterdag zal plaatsvinden en dat bij uitzonderlijke omstandigheden - zoals extreme drukte - in 2 ploegen zal worden gewerkt van maandag tot en met zaterdag, waarbij de werkzaamheden beginnen om 05:45 uur en eindigen omstreeks 01:00 uur. Uit het voorgaande leidt de Afdeling af dat in ieder geval het verrichten van bedrijfsactiviteiten op zondag niet is aangevraagd en derhalve ook niet is vergund in 2003. Daarnaast is op basis van de overgelegde stukken niet vast te stellen dat bedrijfsactiviteiten tussen 01:00 uur en 05:45 uur zijn aangevraagd en vergund. Hierbij hecht de Afdeling eraan op te merken dat zij heeft gezien dat in het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zeeland van 15 maart 2017, waarbij een last onder dwangsom aan de Scheepswerf is opgelegd, andere vergunde bedrijfstijden voor de nachtelijke uren zijn vermeld. Die afwijkende werktijden volgen echter niet uit de vergunningaanvraag van 1 april 2003 die als bijlage bij het deskundigenrapport is gevoegd. Dat die afwijkende werktijden zouden zijn vergund kan de Afdeling dan ook niet vaststellen. Gezien het voorgaande volgt de Afdeling verweerders niet in het standpunt dat de geldende milieuvergunning uit 2003 een beletsel vormt voor het opnemen van planregels waarin nadere beperkingen worden gesteld aan de dagen of tijdstippen waarop de Scheepswerf in bedrijf mag zijn. Het plan is in zoverre onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Dit betoog slaagt.

Laagfrequent geluid

14.    [appellant sub 1] betoogt dat draaiende scheepsmotoren en de aggregaten die zowel op de wal als op de afgemeerde schepen voor de opwekking van stroom worden gebruikt geluidsoverlast in de vorm van laagfrequent geluid met zich meebrengen. Dit laagfrequent geluid wordt volgens [appellant sub 1] niet tegengehouden door geluidwerende voorzieningen, zoals de bestaande geluidswal. Met name in de avond en nacht is dit type geluid erg hinderlijk, omdat het langdurig aanwezig is en het zijn nachtrust verstoort. [appellant sub 1] heeft ter onderbouwing van dit betoog geluidsmetingen overgelegd die in zijn opdracht zijn verricht door CTIsa, waaruit blijkt dat bij zijn woning sprake is van langdurig laagfrequent geluid. Volgens [appellant sub 1] hebben verweerders ter voorkoming van deze geluidsoverlast ten onrechte het gebruik van walstroom in de planregels niet verplicht gesteld en het gebruik van aggregaten en het laten draaien van scheepsmotoren niet uitgesloten.

14.1.    Verweerders onderkennen dat het gebruik van walaggregaten soms tot meer geluidshinder heeft geleid dan gewenst. Daarom zijn met de herstelbesluiten ter beperking van het geluid aanvullende planregels opgenomen over het gebruik van walaggregaten. Daarbij wijzen verweerders erop dat de planregels verplichten tot het gebruik van walaggregaten, die tevens moeten worden afgeschermd, in plaats van de scheepsmotoren voor de stroomvoorziening en dat voor aggregaten een maximale geluidsproductie in de planregels is opgenomen. Daarbij laten de aanvullende planregels toe dat vergelijkbare voorzieningen op de schepen zoals aggregaten of zogenoemde 'binnenmotoren' worden gebruikt om stroom op te wekken. Verder stellen verweerders zich op het standpunt dat het laagfrequent geluid niet afkomstig is van de Scheepswerf. Uit waarnemingen ter plaatse is gebleken dat de draaiende motoren van passerende schepen en van schepen die de sluizen in- en uitvaren duidelijk hoorbaar zijn. Vanaf de woning van [appellant sub 1] gezien liggen het kanaal en de sluizen achter de Scheepswerf en wekt dit volgens verweerders de indruk dat het laagfrequent geluid van de Scheepswerf afkomstig is. De meetgegevens bevestigen dit, want het laagfrequent geluid is vooral in de nachtelijke uren gemeten. Het is op die tijdstippen zeer uitzonderlijk dat een schip bij de Scheepswerf aankomt of vertrekt, terwijl de gemeten periodes van laagfrequent geluid die 10 tot 20 minuten duren overeenkomen met de passeertijd van schepen in de sluizen. Derhalve is dit naar alle waarschijnlijkheid de bron van het laagfrequent geluid. Ook is uit metingen gebleken dat passerend autoverkeer op de Westelijke Kanaalweg incidenteel laagfrequent geluid veroorzaakt, aldus verweerders.

14.2.    Artikel 3, lid 3.3, onder m, van de planregels luidt: "schepen maken voor stroomvoorziening gebruik van walkasten met een geluidsniveau van maximaal 81,8 dB(A) samengesteld uit het bronvermogen van de walkast en de afscherming door een scherm met een hoogte van 1 meter boven de uitlaat binnen een afstand van ten hoogste 1,5 meter van het aggregaat, of een hiermee vergelijkbare voorziening op schepen die evenveel of minder geluidseffecten tot gevolg heeft."

    In artikel 1 van de planregels is het begrip 'walkast' als volgt omschreven: "een mobiele voorziening voor het opwekken van elektriciteit, geplaatst op de wal danwel op een schip in plaats van een scheepsmotor."

14.3.    In het deskundigenbericht is vermeld dat onduidelijkheid bestaat over de begrippen 'walstroom' en 'walkast'. Met walstroom wordt doorgaans bedoeld dat afgemeerde schepen voor de stroomvoorziening gebruik maken van een aansluitpunt op het reguliere elektriciteitsnet en dat een dergelijk aansluitpunt meestal een walkast wordt genoemd. Bij het gebruik van mobiele aggregaten worden afgemeerde schepen door middel van kabels direct aangesloten op een aggregaat en dus niet op het reguliere elektriciteitsnet. Voorts is in het deskundigenbericht vermeld dat in een gesprek met de Scheepswerf is aangegeven dat bij onderhoud en reparaties aan schepen zowel gebruik wordt gemaakt van walstroom als van mobiele aggregaten en dat het ook voorkomt dat de benodigde stroom wordt geproduceerd door de scheepsmotoren.

    Volgens het deskundigenbericht kan bij het proefdraaien en warmdraaien van scheepsmotoren sprake zijn van een geluidsbelasting met relatief veel laagfrequent geluid bij de woning van [appellant sub 1]. Dit laagfrequent geluid dringt ook door tot in zijn woning, omdat gevels van woningen voor dit type geluid minder goed isoleren. Voorts is in het deskundigenbericht vermeld dat het bekend is dat laagfrequente geluiden in de woning bij lage geluidsniveaus als zeer hinderlijk worden ervaren . Uit de aanvullende geluidsmetingen die in oktober en november 2015 zijn gedaan door Vliex, neergelegd in de notitie van 14 maart 2016, wordt in het deskundigenbericht geconstateerd dat in elk geval een deel van het laagfrequent geluid wordt veroorzaakt door de motoren van schepen die liggen afgemeerd bij de Scheepswerf.

    Voorts wordt in het deskundigenbericht opgemerkt dat in de notitie van 30 december 2016 van Vliex wordt geconcludeerd dat met inbegrip van draaiende scheepsmotoren aan de vastgestelde hogere waarde van 53 dB(A) op de gevel van de woning van [appellant sub 1] wordt voldaan als het proefdraaien beperkt blijft tot maximaal 1 uur in de dagperiode en het warmdraaien - voor vertrek van een schip - beperkt blijft tot maximaal een kwartier in de avondperiode.

14.4.    De Afdeling constateert dat uit de wijze waarop de planregels zijn geformuleerd volgt dat in de planregels - in afwijking van de gangbare betekenis van het woord - met een walkast wordt gedoeld op mobiele aggregaten en niet op een vast aansluitpunt op de wal voor het gebruik van het reguliere elektriciteitsnetwerk. In de herstelbesluiten zijn aan het gebruik van mobiele aggregaten in het hiervoor aangehaalde artikel 3, lid 3.3, onder m, van de planregels nadere eisen gesteld wat betreft het geluid dat deze apparaten mogen produceren en de afscherming ervan voor demping van het geproduceerde geluid.

    Voor zover [appellant sub 1] stelt dat het gebruik van mobiele aggregaten in de planregels dient te worden uitgesloten vanwege het laagfrequent geluid dat die aggregaten veroorzaken, overweegt de Afdeling als volgt. Artikel 3, lid 3.3, onder m, van planregels is door middel van de herstelbesluiten toegevoegd aan het plan ter beperking van de geluidsbelasting, maar niet ter voorkoming van laagfrequent geluid. In de notitie van 14 maart 2016, opgesteld door ir. R.G.M. Louwes en ing. R.E.S.S. Vliex die als bijlage bij het verweerschrift is gevoegd, is kort samengevat vermeld dat uit een veldmeting op 25 februari 2016 is gebleken dat dergelijke mobiele aggregaten niet de oorzaak zijn van het laagfrequent geluid dat bij de woning van [appellant sub 1] is gemeten. Nu dit door [appellant sub 1] niet onderbouwd is weersproken, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het gebruik van mobiele aggregaten ten onrechte is toegestaan in de planregels. Dit betoog faalt.

14.5.    Wat betreft de vraag of draaiende scheepsmotoren op de Scheepswerf de oorzaak zijn van de overlast die [appellant sub 1] met name in de avond- en nachtperiode van laagfrequent geluid ervaart, overweegt de Afdeling als volgt. Niet in geschil is dat scheepsmotoren - die worden gebruikt voor de voortstuwing - laagfrequent geluid produceren. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 13 december 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ4285, kan laagfrequent geluid worden aangemerkt als oorzaak van objectiveerbare hinder.

14.5.1.    Een deel van het laagfrequent geluid wordt veroorzaakt door de bedrijfsactiviteiten van de Scheepswerf. Het proefdraaien en warmdraaien van scheepsmotoren gedurende een beperkte tijd tijdens de dag- en avondperiode is immers onderdeel van de vergunde bedrijfsvoering, maar dat veroorzaakt naar het oordeel van de Afdeling - gezien de beperkte tijdsduur ervan - niet zodanige overlast voor [appellant sub 1] dat de verweerders deze bedrijfsactiviteiten in de planregels hadden moeten uitsluiten. In zoverre faalt het betoog.

14.5.2.    Een deel van het gemeten laagfrequent geluid - met name in avond en nacht - wordt niet verklaard door de vergunde bedrijfsvoering van de Scheepswerf. De Afdeling begrijpt dat dit volgens [appellant sub 1] wordt veroorzaakt door het onnodig laten draaien van de scheepsmotoren om stroom op te wekken, omdat ook gebruik kan worden gemaakt van walstroom. Ter zitting is door de Scheepswerf toegelicht dat de stroomvoorziening voor de zogenoemde hotelfunctie van afgemeerde schepen - waarbij het personeel op het schip verblijft en overnacht - niet wordt geleverd door de scheepsmotoren die zorgen voor de voortstuwing van het schip, maar door kleinere hulpmotoren. Dergelijke hulpmotoren zijn volgens de Scheepswerf stiller dan reguliere aggregaten. Aanvullend heeft de Scheepswerf opgemerkt dat voor de werkzaamheden die zij aan schepen verricht geen gebruik wordt gemaakt van voorzieningen op de schepen zoals de scheepsmotoren of hulpmotoren, maar van walaggregaten of walstroom.

    Wat betreft de door [appellant sub 1] overgelegde geluidsmetingen door CTIsa is in het deskundigenbericht erop gewezen dat in de geluidsmetingen van CTIsa geen correcte toepassing is gegeven aan de meteocorrectieterm en de correctie voor de gevelreflectie van de woning van [appellant sub 1]. Een belangrijker gegeven is dat deze metingen geen uitsluitsel geven over de vraag wat de bron is van het optredende laagfrequent geluid. Deze metingen van CTIsa geven op zichzelf dan ook geen reden om aan te nemen dat de voortstuwingsmotoren van de afgemeerde schepen bij de Scheepswerf de bron zijn van het laagfrequent geluid in de avond- en nachtperiode.

    Dat sprake is van laagfrequent geluid bij de woning van [appellant sub 1] is onderkend in de onderzoeken die verweerders hebben laten uitvoeren door Vliex en is als zodanig dan ook niet in geschil. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de voortstuwingsmotoren van afgemeerde schepen worden gebruikt als stroomvoorziening voor de hotelfunctie van de schepen of voor de werkzaamheden van de Scheepswerf en dus de bron zouden zijn van het laagfrequent geluid dat bij de woning van [appellant sub 1] in de avond- en nachtperiode is gemeten. Hierbij is van belang dat artikel 3, lid 3.3, onder m, van de planregels voorschrijft dat afgemeerde schepen voor stroomvoorziening gebruik moeten maken van een walkast of een vergelijkbare voorziening aan boord van het schip en de definitie van het begrip 'walkast' sluit het gebruik van de scheepsmotor uitdrukkelijk uit.

    Het voorgaande neemt niet weg dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat eerdergenoemde hulpmotoren of vergelijkbare voorzieningen op schepen geen laagfrequent geluid produceren. Tevens is niet inzichtelijk gemaakt door verweerders of alle schepen die bij de Scheepswerf worden afgemeerd beschikken over dergelijke hulpmotoren voor de stroomvoorziening en dat daardoor voor de hotelfunctie van een schip - in weerwil van artikel 3, lid 3.3, onder m, van de planregels - soms wel gebruik moet worden gemaakt van de voortstuwingsmotoren. Bovendien wordt in de definitie van het begrip 'walkast' in de planregels wat betreft de term 'scheepsmotor' geen onderscheid gemaakt tussen hulpmotoren en voortstuwingsmotoren en is volgens de definitie een walkast een mobiele voorziening. Hierdoor volgt uit deze definitie in samenhang gelezen met artikel 3, lid 3.3, onder m, van de planregels dat het gebruik van hulpmotoren aan boord van een schip - wat ook scheepsmotoren zijn en waarvan niet inzichtelijk is gemaakt dat dit mobiele voorzieningen zijn - voor de stroomvoorziening niet is toegestaan op basis van de planregels. Hierdoor is in deze planregels niet geregeld wat verweerders kennelijk hebben beoogd.

    De constatering in de Vliex-notitie van 30 december 2016 dat de meeste momenten waarop laagfrequent geluid is gemeten de nachtperiode betreft en dit patroon afwijkt van de bedrijfsactiviteiten van de Scheepswerf, leidt op zichzelf nog niet tot de conclusie dat dit geluid niet afkomstig kan zijn van de Scheepswerf. Het langdurige en nachtelijke gebruik van hulpmotoren voor de hotelfunctie zou wellicht een verklaring kunnen geven voor het feit dat de momenten waarop laagfrequent geluid is gemeten afwijkt van de vergunde bedrijfsactiviteiten van de Scheepswerf. De metingen die in oktober en november 2015 door Vliex zijn uitgevoerd geven naar het oordeel van de Afdeling een aanwijzing maar geen uitsluitsel over de herkomst van het gemeten laagfrequent geluid bij de woning van [appellant sub 1]. Gezien het voorgaande is het plan op dit punt onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Dit betoog slaagt.

    Hierbij hecht de Afdeling eraan op te merken dat dit oordeel niet inhoudt dat [appellant sub 1] aannemelijk heeft gemaakt dat de bron van het laagfrequent geluid zich op de Scheepswerf bevindt, maar slechts dat de uitgevoerde geluidsonderzoeken onvoldoende basis bieden om het standpunt van verweerders te kunnen volgen dat de bron van het hinderlijke laagfrequent geluid dat bij de woning van [appellant sub 1] is gemeten zich niet bevindt op de Scheepswerf. Ten overvloede merkt de Afdeling op dat het onderzoek naar de herkomst van het laagfrequent gericht is geweest op de mobiele aggregaten en scheepsmotoren, maar dat dit niet de enige bekende bronnen van laagfrequent geluid zijn.

Representatieve bedrijfssituatie

15.    [appellant sub 3] voert aan dat in het geluidsmodel ten onrechte is uitgegaan van het gelijktijdig werken aan 2 schepen, terwijl in de praktijk aan meer schepen tegelijkertijd wordt gewerkt. Dit is geen representatieve invulling van de bedrijfssituatie, aldus [appellant sub 3].

    [appellant sub 1] voert aan dat onduidelijk is wat de representatieve bedrijfssituatie van de Scheepswerf is die voor de beoordeling van de geluidsbelasting is gebruikt. De verwijzing door verweerders naar de voorschriften van de geldende milieuvergunning van de Scheepswerf is daarvoor onvoldoende, aldus [appellant sub 1].

15.1.    Wat betreft het betoog van [appellant sub 3] overweegt de Afdeling dat in het rapport van Kraaij Akoestisch Adviesbureau uit 2012 (hierna: het Kraaij-rapport) is uitgegaan van het gelijktijdig werken aan 4 schepen op de Scheepswerf, namelijk aan 2 schepen in een droogdok en aan 2 schepen langs de kade. Op bladzijde 15 van het Kraaij-rapport is vermeld dat rekening is gehouden met werkzaamheden aan een tweede schip langs de kade, wat wellicht een verwarrende passage in dit rapport kan zijn in die zin dat dit de indruk kan wekken dat slechts van 2 schepen is uitgegaan. Dat neemt echter niet weg dat in het Kraaij-rapport ook rekening is gehouden met werkzaamheden aan 2 schepen in droogdokken. Dit blijkt ook uit figuur 5 en figuur 6 in het Kraaij-rapport, waarin in totaal 4 schepen zijn te zien. Dit betoog mist dan ook feitelijke grondslag.

15.2.    Volgens het deskundigenbericht is in de geluidsrapporten die aan het plan ten grondslag liggen, te weten het hiervoor reeds genoemde Kraaij-rapport uit 2012 en het rapport van Rho Adviseurs B.V. uit 2015, niet inzichtelijk gemaakt of de actuele of de vergunde bedrijfssituatie voor het geluidsmodel is gebruikt. De bijdrage van de Scheepswerf aan de geluidsbelasting op de omgeving is op basis van die rapporten niet duidelijk. Voorts is in het deskundigenbericht vermeld dat in bijlage I bij de notitie van Vliex van 29 december 2016 alsnog inzichtelijk is gemaakt welke bedrijfsvoering in het geluidsmodel is betrokken en wat de geluidsbijdrage is van de afzonderlijke geluidsbronnen op de Scheepswerf.

15.3.    De Afdeling stelt vast dat in de 2 eerdergenoemde geluidsrapporten uit 2012 en 2015 geen overzicht is opgenomen van de diverse bedrijfsactiviteiten van de Scheepswerf, de duur ervan en niet is vermeld welke geluidsproductie die activiteiten veroorzaken. Bijlage VI bij het Kraaij-rapport uit 2012 bevat slechts een overzicht van de (punt)bronnen die gebruikt zijn voor het akoestisch model, zonder nadere aanduiding van de duur van die geluidsbronnen of de geluidsproductie ervan. Het Rho-rapport uit 2015 bevat geen enkel overzicht van de bedrijfsactiviteiten van de Scheepswerf. Dit is bijvoorbeeld in tabel 1.1 en tabel 1.2 van het Rho-rapport uit 2015 wel inzichtelijk gemaakt voor aannemingsbedrijf Van der Straaten, dat ook op het gezoneerde industrieterrein is gevestigd.

    Gelet hierop bieden de 2 geluidsrapporten naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende inzicht in de bedrijfssituatie van de Scheepswerf die is gebruikt voor het akoestisch model en hebben verweerders deze 2 geluidsrapporten in zoverre niet aan het plan ten grondslag kunnen leggen. Dit betoog van [appellant sub 1] slaagt.

Hydrojetten

16.    [appellant sub 3] betoogt dat het zogenoemde 'hydrojetten' - reinigen van schepen met water onder extreem hoge druk - behoort tot bedrijfsactiviteiten van de Scheepswerf en dat dit op onjuiste wijze in het geluidsmodel is opgenomen. Dit is in het geluidsmodel opgenomen als puntbron, terwijl deze activiteit verspreid over het gehele droogdok plaatsvindt.

16.1.    In het deskundigenbericht is vermeld dat in het geluidsmodel voor hydrojetten 2 puntbronnen onder de waterlijn en 2 puntbronnen boven de waterlijn zijn opgenomen. Volgens het deskundigenbericht is aannemelijk dat hydrojetten over de gehele lengte van een schip plaatsvindt in een droogdok. Maar volgens de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai' (hierna: de Handleiding) kunnen soortgelijke geluidsbronnen, op ongeveer gelijke hoogte en met ongeveer gelijke omstandigheden naar het immissiepunt, worden samengevoegd tot een puntbron als voldaan is aan de voorwaarde dat de afstand van het midden van de geluidsbronnen tot het immissiepunt gelijk is of groter is dan anderhalf maal de grootste diameter van het brongebied. Volgens het deskundigenbericht wordt aan deze voorwaarde voldaan en is het hydrojetten op een juiste wijze gemodelleerd.    

16.2.    In hetgeen [appellant sub 3] naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling - mede gelet op het deskundigenbericht - geen aanleiding voor het oordeel dat in het geluidsmodel dat ten grondslag ligt aan het plan het hydrojetten ten onrechte als puntbron is gemodelleerd. Dit betoog faalt.

Verkeersgeluid

17.    [appellant sub 3] betoogt dat het geluidsmodel er ten onrechte van uitgaat dat de weg Kaai langs de Scheepswerf zal worden afgesloten en het verkeer zal worden omgeleid via een nieuwe verbindingsweg naar de bestaande rotonde. Hierbij wijst [appellant sub 3] erop dat niet zeker is dat gebruik zal worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid die in de planregels is opgenomen voor de aanleg van die nieuwe ontsluitingsweg en dat tegen het eventueel vast te stellen wijzigingsplan voor de nieuwe ontsluitingsweg nog rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. In het geluidsmodel mag volgens [appellant sub 3] niet worden geanticipeerd op deze onzekere toekomstige verkeerssituatie, maar had moeten worden uitgegaan van de bestaande infrastructuur.

17.1.    In artikel 18, lid 18.2, onder b, van de planregels is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die de aanleg van een nieuwe ontsluitingsweg mogelijk maakt. In het eerdergenoemde Rho-rapport uit 2015 is zowel onderzoek gedaan naar het verkeersgeluid in de bestaande situatie als in de situatie waarin de bestaande ontsluitingsweg Kaai wordt afgesloten en een nieuwe ontsluitingsweg wordt aangelegd. Dit blijkt duidelijk uit paragraaf 3.3 van het Rho-rapport en de daarin opgenomen tabellen, waarin voor beide situaties de geluidsbelasting vanwege het verkeer is berekend. Dit betoog mist dan ook feitelijke grondslag.

18.    [appellant sub 3] betoogt dat ten onrechte niet is onderzocht dat de geluidsbelasting vanwege het verkeersgeluid op de gevel van zijn woning onder de 48 dB blijft.

18.1.    De Afdeling overweegt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB als bedoeld in artikel 82 van de Wgh niet van toepassing is op bestaande situaties. Dit volgt uit artikel 73 van de Wgh. In dit geval is de woning van [appellant sub 3] een reeds lang bestaande woning en zijn de naastgelegen Kanaalweg en Kaai bestaande wegen. Hierdoor hoeft op de gevel van de woning van [appellant sub 3] niet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB te worden voldaan. Verweerders hebben dan ook geen onderzoek naar hoeven doen waaruit blijkt dat bij de woning van [appellant sub 3] die voorkeurswaarde wordt gehaald. Dit betoog treft geen doel.

Referentievlak en populierenbos

19.    [appellant sub 3] voert aan dat in het geluidsmodel ten onrechte geen referentievlak is opgenomen voor de hoogte van de geluidschermen die in het plan zijn voorzien. Daarnaast is in het geluidsmodel geen rekening gehouden met een populierenbos, dat een reflecterende en geluiddempende werking heeft ten opzichte van zijn woning.

19.1.    In het deskundigenbericht is vermeld dat in het geluidsmodel wel een referentievlak is gedefinieerd. Daarbij wordt er in het deskundigenbericht op gewezen dat de maaiveldhoogtes, de hoogtes van de gemodelleerde geluidschermen, geluidsbronnen en gebouwen allemaal zijn gedefinieerd ten opzichte van dit referentievlak. Volgens het deskundigenbericht zijn de schermhoogtes in het geluidsmodel op juiste wijze gemodelleerd.

    Wat betreft het populierenbos verwijst het deskundigenbericht naar de eerdergenoemde Handreiking, waarin als voorwaarde voor geluidreflectie wordt gesteld dat het object een min of meer vlakke en geluidreflecterende wand moet hebben. Onder andere bomenrijen dienen volgens de Handreiking uitgesloten te worden als reflecterend object. Met het populierenbos is volgens het deskundigenbericht dan ook terecht geen rekening gehouden in het geluidsmodel.

19.2.    Anders dan [appellant sub 3] stelt, is in het geluidsmodel dat aan het plan ten grondslag ligt wel een referentievlak opgenomen. Dit blijkt uit bijlagen 5 tot en met 7 van het eerdergenoemde Kraaij-rapport uit 2012, waarin de technische modellering van het geluidsmodel uiteen is gezet. Dit betoog mist feitelijke grondslag.

19.3.    Niet in geschil is dat het bewuste populierenbos inmiddels is gekapt. In het deskundigenbericht is vermeld dat dit populierenbos ten noorden van de woning van [appellant sub 3] stond. Nu het terrein van de Scheepswerf ten oosten van de woning van [appellant sub 3] ligt en het bos derhalve niet daartussen heeft gelegen, kan het voormalige populierenbos feitelijk geen geluiddempende werking hebben gehad voor het geluid afkomstig van de Scheepswerf. Bovendien is in het geluidsmodel in overeenstemming met paragraaf 5.3.3 van de Handreiking geen rekening gehouden met het populierenbos, nu dit volgens de Handreiking geen object is dat geluid reflecteert. Dit betoog faalt.

Shovel en kranen

20.    [appellant sub 3] betoogt dat een shovel die de zandhandel op het industrieterrein in gebruik heeft, niet in het geluidsmodel is betrokken. Ook zijn volgens [appellant sub 3] niet alle kranen die op het terrein van de Scheepswerf staan in het geluidsmodel meegenomen.

20.1.    Wat betreft de shovel van de zandhandel, overweegt de Afdeling dat daar wel rekening mee is gehouden in het geluidsmodel. In het eerdergenoemde Kraaij-rapport uit 2012 is op bladzijde 15 vermeld dat de shovel als geluidsbron is ingevoerd, met een totale bedrijfsduur van 5 uur. Tevens constateert de Afdeling dat de shovel van de zandhandel met meerdere puntbronnen in figuur 2 van het Kraaij-rapport is gemodelleerd en de shovel eveneens in bijlage 3 bij dit rapport is ingevoerd als puntbron. Derhalve is met de shovel rekening gehouden in het akoestisch model en mist dit betoog feitelijke grondslag.

20.2.    Niet in geschil is dat ten tijde van de vaststelling van het plan op de Scheepswerf 5 kranen aanwezig waren. Zoals blijkt uit bijlage 1 bij het eerdergenoemde Kraaij-rapport uit 2012 is in het geluidsmodel voor de representatieve bedrijfssituatie van de Scheepswerf uitgegaan van 4 bouwkranen en 1 zogenoemde Hyster Carry Krane. Het antwoord op de vraag of daarmee alle aanwezige kranen op de Scheepswerf in het geluidsmodel zijn betrokken acht de Afdeling niet doorslaggevend voor het oordeel over de deugdelijkheid van het geluidsmodel. De Afdeling ziet geen aanleiding om verweerders niet te volgen in het standpunt dat niet zozeer het aantal kranen, maar de totale gezamenlijke bedrijfsduur van die kranen bepalend is voor de geluidsbelasting. De kranen zijn immers niet continu in bedrijf en ongeacht het aantal aanwezige kranen dient die maximale bedrijfsduur in acht te worden genomen om aan de vastgestelde geluidszone te kunnen voldoen. Dit betoog faalt.

Cumulatie

21.    [appellant sub 3] voert aan dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de samenloop van diverse geluidsbronnen ter plaatse van zijn woning en dat artikel 110f van de Wgh hiertoe verplicht. Hierbij wijst hij in het bijzonder op de cumulatie van het geluid dat afkomstig is van de hoogspanningsleidingen op korte afstand van zijn woning, het geluid van het wegverkeer en het geluid van voorbij varende schepen.

21.1.    De Afdeling volgt [appellant sub 3] niet in zijn betoog dat in dit geval uit artikel 110f, eerste lid, van de Wgh voor verweerders een verplichting voortvloeit om onderzoek te doen naar de samenloop van verschillende geluidsbronnen. Hierbij is van belang dat artikel 110f van de Wgh alleen van toepassing is als voor een woning - of ander geluidsgevoelig object - een hogere waarde wordt vastgesteld en daarnaast sprake is van meerdere geluidszones, waarbij de voorkeursgrenswaarde door minstens 2 geluidsbronnen wordt overschreden. Daarvan is in het geval van de woning van [appellant sub 3] geen sprake, zodat dit wetsartikel niet van toepassing is.

    Dit neemt niet weg dat - zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 13 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0242 - zich ook buiten de gevallen waarin de Wgh voorschrijft onderzoek te verrichten naar de cumulatieve geluidbelasting gevallen kunnen voordoen waarin rekening moet worden gehouden met een negatieve invloed van cumulatieve geluidbelasting op het woon- en leefklimaat ter plaatse van bepaalde woningen. Teneinde een goede afweging te maken in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in die gevallen onderzoek te worden verricht naar de cumulatieve geluidbelasting op de gevel van de betrokken woningen.

    Gelet op de bestaande geluidsbelasting bij de woning van [appellant sub 3], die niet ver van de Scheepswerf ligt, bestond aanleiding voor een onderzoek naar mogelijke cumulatieve geluidsbelasting. De Afdeling stelt vast dat in het eerdergenoemde Kraaij-rapport uit 2012 geen onderzoek is verricht naar mogelijke cumulatieve effecten van diverse geluidsbronnen en dat in paragraaf 3.3 van het Rho-rapport uit 2015 uitsluitend is gekeken naar de cumulatie van geluid afkomstig van het industrieterrein en wegverkeer. Nu ter plaatse van de woning van [appellant sub 3] sprake is van meer geluidsbronnen dan enkel het industrieterrein en wegen, is het geluidsonderzoek naar het oordeel van de Afdeling in zoverre gebrekkig en hebben verweerders dit in zoverre niet aan het plan ten grondslag kunnen leggen. Dit betoog van [appellant sub 3] slaagt.

Geluidschermen

22.    [appellant sub 1] betoogt dat in het plan ten onrechte niet is verzekerd dat het bestaande geluidscherm van 5 meter tegenover zijn woning zal worden opgehoogd tot 8 meter. Tevens voert hij aan dat het geluidscherm dat in het plan is voorzien niet hoog en lang genoeg is. In dit verband wijst hij erop dat de Scheepswerf werkzaamheden verricht aan schepen die hoger zijn dan de maximale hoogte van het geluidscherm van 8 meter die in het plan is voorzien. Daarnaast is onduidelijk of het geluidscherm - dat bestaat uit gestapelde zeecontainers - voldoende geluidwerend is en daar geen geluid doorheen lekt. Als laatste stelt [appellant sub 1] dat onduidelijk is of het geluidscherm van zeecontainers voldoende veilig is en ook bij extreme weersomstandig goed verankerd is.

22.1.    Verweerders stellen dat het bestaande geluidscherm zal worden verhoogd en verlengd. Uit de geluidsberekeningen blijkt dat het geluidscherm voldoende hoog is en dat de zeecontainers voldoende massa hebben om geluidwerend te zijn. Voorts is met het waterschap overleg gevoerd over de veiligheid van de zeecontainers en heeft het waterschap met het gebruik van zeecontainers ingestemd.

22.2.    In de verbeelding van het plan is langs de hele westelijke zijde van het terrein van de Scheepswerf - tegenover de woning van [appellant sub 1] - de aanduiding 'geluidscherm' opgenomen. In artikel 3, lid 3.3, aanhef en onder l, eerste en tweede lid, van de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die luidt: "bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de bestemming 'Bedrijf - Haven' zijn uitsluitend toegestaan indien ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm' zoals opgenomen in lid 3.1 en lid 12.1 een geluidsafschermende voorziening met een hoogte van ten minste 7,8 m en ten hoogste 8 m is gerealiseerd en voor een geluidsafschermende voorziening met een hoogte van ten minste 7,8 m en ten hoogste 8 m ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm' zoals opgenomen in lid 3.1 en lid 12.1:

a.    terstond na het onherroepelijk worden van het plan een omgevingsvergunning voor bouwen wordt aangevraagd;

b.    na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning terstond wordt gerealiseerd;"

    In artikel 1 van de planregels is 'geluidsafschermende voorziening' als volgt gedefinieerd: "een geluidsafschermende voorziening in de vorm van een scherm, gestapelde zeecontainers of een andere, daarmee vergelijkbare constructie".

22.3.    In het deskundigenbericht is vermeld dat in de eerdergenoemde geluidsrapporten uit 2012 en 2015 rekening is gehouden met een geluidscherm van 7,8 meter en dat daarin geluidsbronnen zijn gemodelleerd op 8,3 meter hoogte, zijnde de dekhoogte van een schip. Voor het geluid van de kranen die zich op het terrein van de Scheepswerf bevinden is een hoogte van 15 meter aangehouden. Voorts is in het geluidsmodel rekening gehouden met 2 aggregaten, waarvan 1 op de wal en 1 op een schip is geplaatst. Volgens het deskundigenbericht zijn de daarbij gebruikte bronhoogtes reëel. Een geluidscherm dat bestaat uit zeecontainers voldoet volgens het deskundigenbericht aan de eisen die de planregels stellen aan het geluidwerend vermogen van een geluidscherm.

22.4.    Gelet op de voorwaardelijke verplichting die voor het geluidscherm bestaande uit zeecontainers is opgenomen in artikel 3 van de planregels, volgt de Afdeling [appellant sub 1] niet in zijn betoog dat de realisering ervan onvoldoende is verzekerd in het plan. Daarbij wijst de Afdeling er volledigheidshalve op dat de planregels niet uitsluitend een maximale hoogte van 8 meter voorschrijven, maar tevens een minimale hoogte van 7,8 meter. Hierdoor kan niet worden volstaan met het bestaande geluidscherm dat 5 meter hoog is, want daarmee zou niet worden voldaan aan de voorwaardelijke verplichting die in de planregels is opgenomen. Dit betoog faalt.

22.5.    Ten aanzien van de hoogte van de werkzaamheden aan schepen, is in het geluidsmodel uitgegaan van een hoogte van 8,3 meter. Nu [appellant sub 1] zijn betoog op dit punt niet nader heeft onderbouwd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit geen representatieve hoogte is voor de werkzaamheden aan schepen. Weliswaar zouden werkzaamheden aan de stuurhut, masten of kranen op schepen op een grotere hoogte dan 8,3 meter kunnen plaatsvinden, maar de Afdeling ziet geen aanleiding om verweerders niet te volgen in het standpunt dat aan die onderdelen van schepen geen of slechts bij uitzondering werkzaamheden worden verricht. Bovendien mag het eventueel verrichten van werkzaamheden aan die onderdelen van schepen niet ertoe leiden dat de geldende geluidswaarde voor de woning van [appellant sub 1] wordt overschreden. Dit betoog faalt.

22.6.    Wat betreft het geluidwerend vermogen van het geluidscherm is van belang dat in artikel 3, lid 3.3, onder e, van de planregels is bepaald dat de massa van de geluidsafschermende voorziening ten minste 10 kg/m2 is. Nu [appellant sub 1] dit betoog niet nader heeft onderbouwd en gezien het deskundigenbericht op dit punt, ziet de Afdeling geen aanleiding om eraan te twijfelen dat een geluidswal bestaande uit zeecontainers voldoende geluidwerend is. Evenmin ziet de Afdeling reden voor het oordeel dat een geluidscherm dat bestaat uit zeecontainers niet voldoende veilig zou zijn. De wijze waarop de gestapelde zeecontainers zullen worden verankerd is een kwestie van uitvoering. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze betogen falen.

23.    [appellant sub 3] betoogt dat de verlaging van het toekomstige geluidscherm tegenover zijn woning in het plan van 7,8 meter naar 3,75 meter niet voldoende worden verklaard door de nadere beperkingen in de bedrijfsactiviteiten en bedrijfstijden. Volgens [appellant sub 3] is het onmogelijk dat deze beperkingen met een geluidscherm dat de helft lager zal worden tot een vermindering van de geluidsbelasting van 59 dB(A) naar 50 dB(A) leiden.

23.1.    Verweerders stellen zich op het standpunt dat het toekomstige geluidscherm tegenover de woning van [appellant sub 3] lager kan worden, omdat voor het aannemingsbedrijf dat op het industrieterrein is gevestigd het aantal uren dat onder meer las- en slijpwerkzaamheden mogen worden verricht is verminderd. Deze aangepaste bedrijfsvoering is in het geluidsmodel doorgerekend en daaruit blijkt dat de geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 3] afneemt. Hierdoor kan op deze plek met een lager geluidscherm worden volstaan, aldus verweerders.

23.2.    Ten aanzien van het lagere geluidscherm tegenover de woning van [appellant sub 3] is in het deskundigenbericht vermeld dat in het oorspronkelijke geluidsmodel uit 2012 werd uitgegaan van een geluidscherm van 7,8 meter. Uit latere berekeningen in 2015 op basis van de gewijzigde bedrijfsactiviteiten van het aannemingsbedrijf blijkt dat ook met een lager geluidscherm van 3,75 meter bij de woning van [appellant sub 3] aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) kan worden voldaan.

23.3.    De woning van [appellant sub 3] ligt niet tegenover het terrein van de Scheepswerf, maar tegenover de bedrijfsterreinen van de zandhandel en in mindere mate tegenover het aannemingsbedrijf. In het plan is voor dit deel van het toekomstige geluidscherm, voor zover van belang, in artikel 3, lid 3.3, onder l, het volgende bepaald: "bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de bestemming 'Bedrijf - Haven', met uitzondering van de gronden voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 2', zijn uitsluitend toegestaan indien ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van verkeer - geluidscherm 1' en specifieke vorm van verkeer - geluidscherm 2' zoals opgenomen in lid 3.1 en lid 10.1 een geluidsafschermende voorziening met een hoogte van ten minste 3,75 m respectievelijk 7,8 m en ten hoogste 4,25 meter respectievelijk 8 m is gerealiseerd".

23.4.    Met betrekking tot het lagere geluidscherm van 3,75 meter tegenover de woning van [appellant sub 3], dat langs de bedrijfsterreinen van de zandhandel en het aannemingsbedrijf zal worden gerealiseerd, overweegt de Afdeling als volgt. De verlaging van het geluidscherm is doorgerekend in het eerdergenoemde Rho-rapport uit 2015 en uit onder andere tabel 1 in dat rapport blijkt dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 3] met een geluidscherm van 3,75 meter ook aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt voldaan. Nu [appellant sub 3] zijn twijfels over de juistheid van het geluidsonderzoek op dit punt niet nader heeft onderbouwd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich ten onrechte op het standpunt stellen dat met een geluidscherm van 3,75 meter ook aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan bij de woning van [appellant sub 3]. Dit betoog treft geen doel.

24.    [appellant sub 2] is tegen de beoogde verhoging van het bestaande geluidscherm van 5 meter naar 7,8 meter en verlenging ervan, omdat dit volgens hem een negatieve invloed zal hebben op de geluidsoverlast die hij ervaart. In dit verband betoogt hij dat dit geluidscherm - aan de westzijde van de Kanaalweg - het geluid dat afkomstig is van de Scheepswerf weerkaatst, waardoor de geluidsbelasting op zijn woning zal toenemen. Met dit effect is ten onrechte geen rekening gehouden. Daarom dient ook aan de oostzijde van de Kanaalweg een geluidscherm te worden opgericht, zodat de geluidsbelasting op zijn woning niet toeneemt.

24.1.    Verweerders stellen zich op het standpunt dat een geluidscherm aan de oostzijde van het kanaal niet noodzakelijk is, omdat de geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 2] zonder geluidscherm ruimschoots onder de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) ligt en het plaatsen van een geluidscherm aan die zijde geen invloed zou hebben op de geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 2].

24.2.    In het deskundigenbericht is vermeld dat uit berekeningen blijkt dat door het hogere en langere geluidscherm de geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 2] met ten hoogste 1 dB(A) zal toenemen. Na realisering van dit geluidscherm zal de geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 2] 42,9 dB(A) bedragen. Volgens het deskundigenbericht is het realiseren van een geluidscherm aan de oostzijde van het kanaal niet effectief vanwege de grote afstand tot de geluidsbronnen.

24.3.    Het plan voorziet in een geluidscherm langs de westelijke zijde van de bedrijfsterreinen van de Scheepswerf, het aannemingsbedrijf en de zandhandel. De oostzijde van deze bedrijfsterreinen grenst aan het kanaal. Nu deze bedrijfsterreinen bereikbaar moeten zijn over water, zou een eventueel geluidscherm aan de overzijde van het kanaal moeten worden geplaatst. Het kanaal is ter plaatse meer dan 200 meter breed, waardoor een geluidscherm aan de oostelijke zijde van het kanaal op grote afstand van de Scheepswerf en de andere geluidsbronnen zou komen te staan. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding, mede gelet op het deskundigenbericht, om verweerders niet te volgen in het standpunt dat een geluidscherm aan de oostzijde van het kanaal niet effectief zou zijn.

    Bovendien is door [appellant sub 2] niet onderbouwd weersproken dat ook zonder geluidscherm aan de oostzijde van het kanaal ter plaatse van zijn woning de geluidsbelasting ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) ligt. Gelet op de afstand van ongeveer 490 meter tussen de woning van [appellant sub 2] en de Scheepswerf ziet de Afdeling ook geen aanleiding om deze conclusie in twijfel te trekken. In zoverre hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen noodzaak bestaat voor een geluidscherm aan de oostzijde. Dit betoog faalt.

Geluidsmetingen RUD

25.    [appellant sub 1] voert aan dat de geluidsmetingen die in opdracht van de RUD zijn gedaan geen representatief beeld geven van de geluidsbelasting, omdat slechts metingen zijn gedaan op 3 relatief rustige dagen, en niet berusten op juiste uitgangspunten. Hierbij wijst [appellant sub 1] erop dat ten onrechte alleen in de dagperiode is gemeten, geen rekening is gehouden met een toeslag voor tonaal of impulsachtig geluid en een onjuiste meteocorrectieterm is gebruikt bij de metingen.

25.1.    De Afdeling stelt vast dat de door [appellant sub 1] bestreden geluidsmetingen, die door Peutz B.V. zijn verricht in opdracht van de RUD in januari en februari 2015, geen betrekking hebben op het voorliggende plan. Deze geluidsmetingen zijn verricht in het kader van de handhaving van de geluidvoorschriften van de milieuvergunning van de Scheepswerf. Kwesties met betrekking tot handhaving van deze vergunning kunnen in de voorliggende procedures over de diverse bestemmingsplannen en het besluit hogere waarden niet aan de orde worden gesteld. Aan deze metingen kan dan ook niet het belang worden gehecht dat [appellant sub 1] daaraan gehecht wil zien. Dit geldt temeer nu de bewuste metingen zijn gedaan in 2015 en derhalve betrekking hebben op de bestaande situatie en niet op de beoogde situatie in het voorliggende plan, waarbij onder andere een hoger geluidscherm is voorzien. Reeds hierom faalt dit betoog en ziet Afdeling geen reden om in te gaan op de gestelde onjuistheden in deze geluidsmetingen.

Permanente meetopstelling

26.    Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 3] betogen dat permanente geluidsmetingen bij hun woningen moeten worden uitgevoerd, omdat de Scheepswerf volgens hen niet aan de geluidsnormen van de milieuvergunning voldoet, overweegt de Afdeling dat hiervoor eveneens geldt dat de handhaving van die geluidvoorschriften niet aan de orde kan worden gesteld in een bestemmingsplanprocedure. Reeds hierom faalt dit betoog.

    Overigens is in het deskundigenbericht vermeld dat tijdens het bezoek ter plaatse is geconstateerd dat in de voortuin van [appellant sub 1] meetapparatuur is opgesteld en dat die wordt beheerd en uitgelezen door medewerkers van de RUD. In zoverre is reeds deels aan deze wens tegemoet gekomen om permanente geluidsmetingen te verrichten.

Milieucategorie

27.    [appellant sub 1] en [appellant sub 3] betogen dat de Scheepswerf ten onrechte als een bedrijf in milieucategorie 3.2 is aangemerkt in de planregels. Volgens hen is de Scheepswerf een bedrijf in milieucategorie 5.1 vanwege de geluidsproductie, waarvoor een richtafstand van 500 meter tot woningen geldt en aan die afstand wordt niet voldaan.

27.1.    Verweerders stellen zich op het standpunt dat de Scheepswerf in de Staat van Bedrijfsactiviteiten die hoort bij de planregels, is ingedeeld in een milieucategorie 3.2, omdat het aspect geluid daarbij buiten beschouwing is gelaten. Voor het geluid is immers als gevolg van de aanwijzing als gezoneerd industrieterrein door middel van de geluidszone reeds voorzien in een adequate regeling. In dit verband wijzen verweerders erop dat als in de Staat van Bedrijfsactiviteiten het aspect geluid zou zijn meegewogen, een scheepswerf volgens de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (hierna: VNG-brochure) een categorie 5.1-bedrijf is met een richtafstand van 500 meter tot woongebieden. Dit impliceert volgens verweerders dat de 50 dB(A)-contour van iedere scheepswerf op 500 meter ligt. De Scheepswerf is in het plan gehouden aan de geluidszone op een kortere afstand dan de indicatieve richtafstand van 500 meter, met een verplichte realisering van geluidsafscherming. Vandaar dat de gekozen regeling in het bestemmingsplan aanvaardbaar is en aanzienlijk betere waarborgen biedt dan een regeling met een gestandaardiseerde lijst uit de VNG-brochure, aldus verweerders.

27.2.    In de verbeelding is aan het plandeel dat ziet op het terrein van de Scheepswerf onder meer de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 1' toegekend. In artikel 3, lid 3.1, onder d, van de planregels is bepaald dat ter plaatse van deze aanduiding tevens een bedrijfsactiviteit met de SBI-code-2008 301, 3315.4 uit ten hoogste categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'gezoneerd industrieterrein' is toegestaan.

    Deze SBI-code hoort bij scheepsbouw- en reparatiebedrijven in de Staat van Bedrijfsactiviteiten die in de bijlage bij de planregels is opgenomen. In de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn dergelijke bedrijfsactiviteiten aangemerkt als milieucategorie 3.2, met een grootste afstand van 100 meter voor geur en stof. Volgens de VNG-brochure zijn scheepswerven ingedeeld in milieucategorie 5.1, vanwege de indicatieve afstand van 500 meter voor geluid. Indien het geluid buiten beschouwing wordt gelaten, is in de VNG-brochure als grootste indicatieve afstand 100 meter opgenomen, dat neerkomt op milieucategorie 3.2.

    De Afdeling overweegt dat de VNG-brochure een indicatief en globaal karakter heeft en gemotiveerd dient te worden toegepast. Door zich op het standpunt te stellen dat de geluidhinder voor de omliggende woningen reeds op andere wijze - door middel van de wettelijk verplichte geluidszone - is gereguleerd in het plan, hebben verweerders naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd waarom bij de indeling van de Scheepswerf in een milieucategorie het aspect 'geluid' buiten beschouwing is gelaten. Nu het aspect 'geluid' buiten beschouwing wordt gelaten, is de grootste indicatieve afstand 100 meter en hebben verweerders de Scheepswerf in het plan in redelijkheid kunnen aanmerken als een bedrijf in milieucategorie 3.2. Dit betoog treft dan ook geen doel.

Wijzigingsbevoegdheden

28.    [appellant sub 1] voert aan dat in het plan een aantal ongeclausuleerde wijzigingsbevoegdheden is opgenomen die de aanleg van een nieuwe ontsluitingsweg, een parkeerterrein, verplaatsing van het bestaande geluidscherm en verandering van de geluidsproductie mogelijk maken. Volgens [appellant sub 1] is onvoldoende gemotiveerd dat het gebruik maken van deze wijzigingsbevoegdheden niet leidt tot een verslechtering van zijn woon- en leefklimaat. Ook [appellant sub 3] richt zich tegen de wijzigingsbevoegdheid die verandering van de geluidsproductie mogelijk maakt, omdat hierdoor de bestaande geluidsbelasting nog verder kan worden verhoogd.

28.1.    Artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) luidt: "Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen."

    Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6 van de Wro berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Onder omstandigheden kan voldoende zijn dat duidelijk is welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd.

    Nu [appellant sub 1] zijn betoog niet nader heeft onderbouwd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de wijzigingsbevoegdheden die zijn opgenomen in artikel 18, lid 18.2, en in artikel 3, lid 3.6.1, van de planregels niet voldoende door objectieve normen zijn begrensd. Dit betoog treft geen doel.

28.2.    Wat betreft de door [appellant sub 1] en [appellant sub 3] gevreesde verslechtering van het woon- en leefklimaat door de wijzigingsbevoegdheid waarmee de onderlinge geluidsproductie van de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein kan worden veranderd, overweegt de Afdeling als volgt.

    Over gebruikmaking van deze wijzigingsbevoegdheid is in artikel 3, lid 3.6.1, onder b, van de planregels het volgende bepaald: "de gezamenlijke geluidsproductie van de inrichtingen mag niet meer bedragen dan het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevels van de woningen zoals genoemd onder k, met dien verstande dat voor de woningen genoemd in lid 3.3 onder k.2 en k.3 een toename tot 53 dB(A) is toegestaan". Voorts is in artikel 3, lid 3.6.1, onder e, het volgende bepaald: "in geen geval mag de wijziging leiden tot aanpassing van de 'geluidszone - industrie' zoals vastgesteld in het bestemmingsplan Loswal (NL.IMRO.0703.BGRWBPLoswal-va01), het bestemmingsplan Buitengebied, 1e herziening (NL.IMRO.0703.BGRWBP1H-va01) en het bestemmingsplan Hansweert, 1e herziening (NL.IMRO.0703.01HaBPKom1H-va01) van de gemeente Reimerswaal en het bestemmingsplan Loswal Kapelle (NL.IMRO.0678.Loswal-vast1) en het bestemmingsplan 1e herziening Buitengebied (NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ001-vast) van de gemeente Kapelle".

    Uit het voorgaande volgt dat de aanwending van deze wijzigingsbevoegdheid er niet toe mag leiden dat de eerder vastgestelde geluidszone wordt veranderd en derhalve de geluidsbelasting op de omgeving niet verder mag worden verhoogd. De Afdeling volgt [appellant sub 1] en [appellant sub 3] dan ook niet in hun betoog dat deze wijzigingsbevoegdheid kan leiden tot een verslechtering van hun woon- en leefklimaat. Dit betoog faalt.

28.3.    Ten overvloede wijst de Afdeling erop dat hetgeen is bepaald in artikel 3, lid 3.6.1, onder b, van de planregels bij de vaststelling van de gewijzigde plannen ten onrechte niet is aangepast aan het nieuwe besluit hogere waarden van 3 mei 2016. Hierdoor zijn de voorwaarden van deze wijzigingsbevoegdheid in strijd met elkaar. Voor deze 2 woningen waarnaar in deze bepaling wordt verwezen - aan de [locatie 2] en de [locatie 3] - gelden immers sinds dat nieuwe besluit geen hogere waarden meer en liggen deze 2 woningen derhalve niet meer binnen de geluidszone. Als gevolg hiervan kan de geluidsbelasting op de gevels van deze 2 woningen niet worden verhoogd tot 53 dB(A). Buiten de grens van de geluidszone mag de geluidsbelasting immers niet hoger zijn dan 50 dB(A). Om een geluidsbelasting van 53 dB(A) mogelijk te maken voor de desbetreffende 2 woningen zou de grens van de geluidszone dan moeten worden gewijzigd en artikel 3, lid 3.6.1, onder e, van de planregels staat een wijziging van de geluidszone niet toe.

Tussenconclusie

29.    Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van rechtswege van [appellant sub 2] tegen de herstelbesluiten van 31 mei 2016 van de raad van Reimerswaal en van 10 mei 2016 van de raad van Kapelle, ongegrond.

    Hetgeen onder 4.1 is overwogen over de ontvankelijkheid van het beroep van rechtswege van [appellant sub 1] tegen het herstelbesluit van de raad van Kapelle in combinatie met hetgeen onder 14.4 is overwogen, leidt tot de conclusie dat het beroep van rechtswege van [appellant sub 1], voor zover dat ontvankelijk is, tegen het herstelbesluit van 10 mei 2016 van de raad van Kapelle ongegrond is. Het voorgaande betekent ook dat de beroepsgronden van [appellant sub 1] die zijn besproken onder 13.3, 14.5.2 en 15.3 uitsluitend kunnen slagen ten aanzien van het herstelbesluit van de raad van Reimerswaal. De Afdeling is van oordeel dat de raad van Reimerswaal de aan de orde zijnde belangen onvoldoende heeft afgewogen en wat betreft het laagfrequent geluid onvoldoende onderzoek aan dit besluit ten grondslag heeft gelegd. Dit besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van rechtswege van [appellant sub 1] tegen het herstelbesluit van 31 mei 2016 van de raad van Reimerswaal is dan ook gegrond.

    Gelet op hetgeen onder 21.1 is overwogen, is het beroep van rechtswege van [appellant sub 3], voor zover dat ontvankelijk is, tegen het herstelbesluit van 10 mei 2016 van de raad van Kapelle, gegrond.

30.    Het voorgaande leidt ertoe dat het herstelbesluit van 31 mei 2016 van de raad van Reimerswaal, waarbij het bestemmingsplan "Loswal" gewijzigd is vastgesteld, en het herstelbesluit van 10 mei 2016 van de raad van Kapelle, waarbij het bestemmingsplan "Loswal Kapelle" gewijzigd is vastgesteld, wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dienen te worden vernietigd.

31.    Ten aanzien van het gebrek dat onder 15.3 is geconstateerd, overweegt de Afdeling dat in bijlage I bij de notitie van Vliex van 29 december 2016 door verweerders alsnog inzicht is geboden in de bedrijfssituatie van de Scheepswerf die ten grondslag ligt aan de akoestisch model en dit gebrek in zoverre is hersteld.

    Wat betreft het gebrek dat onder 21.1 is geconstateerd ten aanzien van het onderzoek naar de cumulatieve geluidsbelasting bij de woning van [appellant sub 3], overweegt de Afdeling dat in de notitie van Vliex van 2 maart 2017 alsnog de uitkomsten zijn vermeld van nader onderzoek naar die cumulatieve geluidsbelasting en is ook dit gebrek in zoverre hersteld.

    Nu in dit geval beide herstelbesluiten ook nog wegens 2 andere redenen worden vernietigd, bestaat geen aanleiding om de rechtsgevolgen van deze 2 besluiten in stand te laten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.

Bestemmingsplan "Buitengebied 1e herziening" (herstelbesluit)

Begrenzing geluidszone

32.    [appellant sub 3] voert aan dat de grens van de geluidszone exact op de hoeken van de gevels van zijn woning ligt, maar dat het geluidsmodel en geluidsmetingen nooit zo accuraat kunnen zijn dat de geluidsbelasting op zijn woning maximaal 50 dB(A) is. Hierbij wijst [appellant sub 3] erop dat uit eigen metingen blijkt dat de geluidsbelasting op de gevel van zijn woning in werkelijkheid hoger is.

32.1.    Het deel van de begrenzing van geluidszone dat langs de woning van [appellant sub 3] loopt is vastgelegd in het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 1e herziening" van de raad van Kapelle.    Zoals hiervoor onder 13.2 is overwogen betreffen de geluidswaarden van de Wgh een gemiddelde etmaalwaarde, waardoor de werkelijke geluidsbelasting op sommige momenten van de dag in werkelijkheid hoger kan zijn. De omstandigheid dat [appellant sub 3] hogere geluidswaarden bij zijn woning heeft gemeten dan 50 dB(A), betekent derhalve niet dat daardoor niet aan de gemiddelde voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt voldaan op de gevel van zijn woning. Hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, geeft dan ook geen aanleiding om de juistheid van de begrenzing van de geluidszone ter plaatse van zijn woning in twijfel te trekken. Dit betoog faalt.

Tussenconclusie

33.    Het beroep van rechtswege van [appellant sub 3], voor zover dat ontvankelijk is, tegen het herstelbesluit van de raad van Kapelle van 10 mei 2016, waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied, 1e herziening" gewijzigd is vastgesteld, is ongegrond. Dit besluit is derhalve onherroepelijk.

Bestemmingsplan Buitengebied, 3e herziening

34.    Zoals hiervoor onder 2.1 is overwogen ziet dit plan op de vaststelling van een bestemmingsplan voor het gehele buitengebied, waarin ook opnieuw een deel van de eerder vastgestelde geluidszone in de verbeelding is vastgelegd. De woning van [appellant sub 1] ligt onder andere binnen dit plangebied.

34.1.    Tegen dit bestemmingsplan heeft [appellant sub 1] in zijn beroepschrift geen afzonderlijke beroepsgronden naar voren gebracht. Dit neemt niet weg dat de beroepsgronden van [appellant sub 1] tegen de herstelbesluiten uit mei 2016 reden hebben gegeven voor vernietiging van die besluiten. In die herstelbesluiten was de geluidszone verkleind en was de geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 1] als gevolg daarvan lager dan de geluidsbelasting die de grotere geluidszone in het bestemmingsplan "Buitengebied, 3e herziening" mogelijk maakt. De gebreken die aanleiding hebben gegeven voor vernietiging van de herstelbesluiten uit 2016 gelden daardoor ook voor de besluiten die daaraan vooraf zijn gegaan, waaronder dit bestemmingsplan.

Tussenconclusie

35.    Gelet op het voorgaande is het beroep van rechtswege van [appellant sub 1] tegen het besluit van 20 oktober 2015 van de raad van Reimerswaal, waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied, 3e herziening" gegrond. Dit besluit dient, voor zover dat betrekking heeft op de vaststelling van de aanduiding 'geluidzone - industrielawaai', wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Besluiten van 26 mei 2015

36.    Uit hetgeen hiervoor onder 8.2 tot en met 8.4 en onder 8.7 is overwogen, volgt dat tegen 3 van de oorspronkelijke 5 bestemmingsplannen van de gemeenten Reimerswaal en Kapelle nog beroepen aanhangig zijn. De gevolgen van de eerder in deze uitspraak aangekondigde vernietigingen van de herstelbesluiten voor deze 3 oorspronkelijke bestemmingsplannen worden hierna uiteengezet.

Bestemmingsplan "Loswal Kapelle"

36.1.    Tegen het bestemmingsplan "Loswal Kapelle" van de raad van Kapelle zijn nog beroepen aanhangig van [appellant sub 2], [appellant sub 3] en de Scheepswerf.

    Hiervoor is, onder 29, door de Afdeling geoordeeld dat het beroep van rechtswege van [appellant sub 2] tegen het herstelbesluit van dit plan ongegrond is. Gezien de beroepsgronden die [appellant sub 2] daartegen naar voren heeft gebracht, is het beroep van [appellant sub 2], voor zover dat ontvankelijk is, tegen het oorspronkelijke besluit uit 2015 tot vaststelling van dit plan eveneens ongegrond.

    Hiervoor is, onder 29, door de Afdeling geoordeeld dat het beroep van rechtswege van [appellant sub 3], voor zover ontvankelijk, tegen het herstelbesluit van dit plan gegrond is. Het gebrek dat onder 21.1 is geconstateerd kleeft ook aan het oorspronkelijke besluit uit 2015 tot vaststelling van dit plan. Het beroep van [appellant sub 3], voor zover dat ontvankelijk is, tegen dit besluit is derhalve eveneens gegrond.

    Het beroep van de Scheepswerf tegen het oorspronkelijke plan uit 2015 heeft mede aanleiding gegeven tot aanpassing van dit plan in het latere herstelbesluit uit mei 2016, waarin volledig aan de bezwaren van de Scheepswerf tegemoet is gekomen. Reeds hierom is het beroep van de Scheepswerf tegen dit besluit gegrond en behoeven haar beroepsgronden tegen dit besluit geen bespreking meer.

Bestemmingsplan "Buitengebied 1e herziening"

36.2.    Tegen het bestemmingsplan "Buitengebied 1e herziening" van de raad van Kapelle is nog een beroep aanhangig van [appellant sub 3].

    Hiervoor is, onder 33, door de Afdeling geoordeeld dat het beroep van rechtswege van [appellant sub 3], voor zover ontvankelijk, tegen het herstelbesluit van dit plan ongegrond is. Het feit dat dit latere besluit in stand blijft en dit besluit het oorspronkelijke besluit uit 2015 tot vaststelling van dit plan geheel vervangt, leidt ertoe dat het oorspronkelijke bestemmingsplan uit 2015 geen betekenis meer heeft. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 3] geen belang meer heeft bij een inhoudelijke bespreking van zijn beroep tegen dit plan. In verband hiermee dient het beroep van [appellant sub 3] tegen het oorspronkelijke besluit van de 26 mei 2015 van de raad van Kapelle geheel niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Bestemmingsplan "Loswal"

36.3.    Tegen het bestemmingsplan "Loswal" van de raad van Reimerswaal zijn nog beroepen aanhangig van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de Scheepswerf.

    Hiervoor is, onder 29, door de Afdeling geoordeeld dat het beroep van rechtswege van [appellant sub 1], tegen het herstelbesluit van dit plan gegrond is. De gebreken die onder 13.3, 14.5.2 en 15.3 zijn geconstateerd kleven ook aan het oorspronkelijke besluit uit 2015 tot vaststelling van dit plan. Het beroep van [appellant sub 1] tegen dit besluit is derhalve eveneens gegrond.

    Hiervoor is, onder 29, door de Afdeling geconcludeerd dat het beroep van rechtswege van [appellant sub 2] tegen het herstelbesluit van dit plan ongegrond is. Gezien de beroepsgronden die [appellant sub 2] daartegen naar voren heeft gebracht, is het beroep van [appellant sub 2], voor zover dat ontvankelijk is, tegen het oorspronkelijke besluit uit 2015 tot vaststelling van dit plan eveneens ongegrond.

    Het beroep van de Scheepswerf tegen het oorspronkelijke plan uit 2015 heeft mede aanleiding gegeven tot aanpassing van dit plan in het latere herstelbesluit uit mei 2016, waarin volledig aan de bezwaren van de Scheepswerf tegemoet is gekomen. Reeds hierom is het beroep van de Scheepswerf tegen dit besluit gegrond en behoeven de beroepsgronden van de Scheepswerf tegen dit besluit geen bespreking meer.

Tussenconclusie

37.    Het bovenstaande betekent dat de besluiten van 26 mei 2015 van de raad van Kapelle en de raad van Reimerswaal, waarbij de bestemmingsplannen "Loswal Kapelle" en "Loswal" zijn vastgesteld, wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dienen te worden vernietigd.

    Het besluit van 26 mei 2015 van de raad van Kapelle, waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied 1e herziening" is vastgesteld, is weliswaar onherroepelijk, maar aan dat besluit komt geen betekenis meer toe.

Besluiten hogere waarden 2016 en 2015

38.    In de besluiten van 29 april 2015 en 3 mei 2016 heeft het college voor de woning van [appellant sub 1] een hogere waarde van eerst 55 dB(A) en later 53 dB(A) vastgesteld.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 9 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3751, is in de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1975/76, 13 639, nrs. 1-4, blz. 138-139) bij artikel 46 van de Wgh - de huidige artikelen 44 en 45 - vermeld dat een hogere geluidbelasting dan 50 dB(A) wordt toegestaan, voor zover daartoe zwaarwegende redenen aanwezig zijn. De Afdeling leidt hieruit af dat er zwaarwegende argumenten moeten zijn die ertoe nopen bij de geluidzonering van een industrieterrein uit te gaan van een hogere waarde dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A).

    Aan deze beide besluiten kleeft hetzelfde gebrek als aan het besluit van de raad van Reimerswaal tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal". In beide besluiten van het college is naar het oordeel van de Afdeling evenmin deugdelijk gemotiveerd waarom geen verdergaande beperkingen konden worden gesteld aan de bedrijfsactiviteiten van de Scheepswerf, wat tot een lagere geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] zou leiden. Gelet hierop heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat in dit geval zwaarwegende redenen bestaan om af te wijken van de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A).

Tussenconclusie

39.    Gelet op het voorgaande zijn het beroep van rechtswege van [appellant sub 1] tegen het besluit van 3 mei 2016 van het college waarbij ingevolge artikel 45 van de Wgh een hogere waarde van 53 dB(A) is vastgesteld voor de woning van [appellant sub 1] en het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 29 april 2015 van het college waarbij ingevolge artikel 45 van de Wgh hogere waarden zijn vastgesteld voor 3 woningen gegrond. Deze 2 besluiten dienen wegens strijd met artikel 110a van de Wgh te worden vernietigd.

EINDCONCLUSIE

Samenvatting

40.    Het voorgaande komt erop neer dat een aantal beroepen - al dan niet van rechtswege - van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk is. Verder zijn van alle beroepen in totaal 6 beroepen van [appellant sub 1], 1 beroep van [appellant sub 2], 2 beroepen van [appellant sub 3] en 2 beroepen van de Scheepswerf gegrond. Tevens is 1 beroep van [appellant sub 1], zijn 4 beroepen van [appellant sub 2] en is 1 beroep van [appellant sub 3] geheel of gedeeltelijk ongegrond.

    Van de 14 besluiten die in deze samenhangende procedures zijn bestreden worden in deze uitspraak 8 besluiten geheel of gedeeltelijk vernietigd. Verder zijn 6 besluiten onherroepelijk vanwege een niet-ontvankelijk of ongegrond beroep daartegen. Aan 3 van die onherroepelijke besluiten komt echter geen betekenis meer toe, omdat de latere herstelbesluiten in stand blijven.

Rechtsgevolgen van de uitspraak

41.    De gewijzigd vastgestelde bestemmingsplannen "Loswal" en "Loswal Kapelle" uit 2016 en de oorspronkelijke bestemmingsplannen "Loswal" en "Loswal Kapelle" uit 2015, waaronder de bijbehorende geluidszone die in deze 4 bestemmingsplannen is opgenomen, alsmede het gedeelte van de geluidszone dat in de bestemmingsplannen "Buitengebied, 3e herziening" en "Buitengebied 2016" is opgenomen worden vernietigd. Het gevolg daarvan is dat voor het industrieterrein aan de Kaai niet langer sprake is van een gezoneerd industrieterrein als bedoeld in artikel 40 van de Wgh, aangezien voor dit industrieterrein niet eerder een geluidszone in een bestemmingsplan is vastgelegd. Dit heeft tot gevolg dat de geluidszone van rechtswege zoals die sinds 1 juli 1993 van rechtswege gold, voor de gronden die liggen binnen de begrenzing van de plangebieden van de bestemmingsplannen die worden vernietigd, opnieuw gaat gelden. Hierdoor mag de geluidsbelasting op de gevels van de woningen die zich in de desbetreffende plangebieden bevinden niet hoger zijn dan 50 dB(A).

    De op 31 mei 2016 gewijzigd vastgestelde bestemmingsplannen "Hansweert, 1e herziening" en "Buitengebied, 1e herziening" van de raad van Reimerswaal en het op 10 mei 2016 gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied, 1e herziening" van de raad van Kapelle zijn onherroepelijk als gevolg van deze uitspraak. In die plannen is ook een deel van de geluidszone opgenomen en dat deel van de geluidszone is groter dan de geluidszone van rechtswege. Nu echter ook de 2 besluiten van het college tot vaststelling van hogere waarden worden vernietigd, geldt onder meer voor de woning van [appellant sub 1] - die binnen de geluidszone ligt die is opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied, 1e herziening" van de raad van Reimerswaal - dat ook daarvoor de geluidsbelasting niet hoger mag zijn dan 50 dB(A).

Opdrachten

42.    De bestemmingsplannen "Buitengebied, 3e herziening" en "Buitengebied 2016" zijn gedeeltelijk vernietigd, namelijk voor zover die betrekking hebben op de vaststelling van de aanduiding 'geluidzone - industrielawaai'.

    Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), ziet de Afdeling aanleiding om de raad van Reimerswaal op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen 4 weken na verzending van de uitspraak te verwerken in de 2 elektronisch vastgestelde plannen die te raadplegen zijn op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

43.    De bestemmingsplannen "Loswal" en "Loswal Kapelle" uit 2015 alsmede de gewijzigd vastgestelde bestemmingsplannen "Loswal" en "Loswal Kapelle" uit 2016 zijn geheel vernietigd.

    Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad van Reimerswaal en de raad van Kapelle op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen 4 weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

44.    De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad van Reimerswaal en de raad van Kapelle op te dragen om voor de vernietigde bestemmingsplannen met inachtneming van deze uitspraak nieuwe plannen vast te stellen voor het industrieterrein aan de Kaai en zal daartoe een termijn stellen.

Ten overvloede

45.    Ten behoeve van de nieuw te nemen besluiten wijst de Afdeling erop dat het uit een oogpunt van kenbaarheid van het geldende planologische regime de voorkeur verdient als het gezoneerde industrieterrein en de bijbehorende geluidszone niet opnieuw wordt geregeld in 5 afzonderlijke bestemmingsplannen, maar dat beide gemeenteraden daarvoor slechts 1 bestemmingsplan zouden vaststellen.

    Daarnaast ligt het in de rede dat verweerders bij de nieuw te nemen besluiten een hernieuwde afweging maken over de vraag of het uit ruimtelijk oogpunt wenselijk is dat het gebruik van de gronden als scheepswerf opnieuw als zodanig wordt bestemd. Het gedeeltelijke vertrek van de bestaande scheepswerf en de mogelijke toekomstige verkoop van het terrein van de scheepswerf geeft daar aanleiding toe. Gebruik waarvan het aannemelijk is dat het binnen de planperiode eindigt hoeft niet positief te worden bestemd en van wegbestemmen zou in dit geval geen sprake zijn, nu de in 2004 verleende vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor vestiging van de Scheepswerf aan de Kaai in Hansweert niet eerder opgenomen is geweest in een bestemmingsplan. Voorts ligt het in de rede dat verweerders bij het vaststellen van nieuwe bestemmingsplannen niet langer wijzigingsbevoegdheden opnemen waaraan, zoals ter zitting is gebleken, niet langer behoefte bestaat nu de Scheepswerf haar bedrijfsactiviteiten grotendeels heeft verplaatst.

    In het geval dat verweerders ervoor kiezen om het gebruik van de gronden als scheepswerf in de nieuw vast te stellen plannen wel als zodanig te bestemmen, maar een nadere inperking van de activiteiten dan wel bedrijfstijden behorende bij het gebruik als scheepswerf met het oog op de belangen van omwonenden alsnog noodzakelijk wordt geacht door verweerders, dienen daartoe planregels te worden opgenomen in de desbetreffende bestemmingsplannen. In die situatie kan niet worden volstaan met een verwijzing naar hetgeen is opgenomen in de voorschriften van de milieuvergunning van de Scheepswerf uit 2003. Daar komt bij dat de Scheepswerf heeft meegedeeld dat een revisievergunning voor wijziging van de bedrijfsvoering op de locatie in Hansweert zal worden aangevraagd. Een positieve bestemming van het gebruik van de gronden als scheepswerf maakt het immers mogelijk dat een andere scheepswerf dan Scheepswerf Reimerswaal ter plaatse bedrijfsactiviteiten ontplooit, die niet is gehouden aan die milieuvergunning. Bovendien zijn bij de verlening van een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer (thans: de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) niet alle gevolgen die ruimtelijk relevant zijn, in de beoordeling van die aanvraag betrokken.

Proceskosten

46.    Ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken. Ten aanzien van [appellant sub 2] en de Scheepswerf dienen verweerders op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

    Nu zowel bestemmingsplannen van beide gemeenteraden als de besluiten tot vaststelling van hogere waarden van het college worden vernietigd, acht de Afdeling het redelijk om de raad van Reimerswaal, het college en de raad van Kapelle ieder te veroordelen tot vergoeding van één derde van de proceskosten van [appellant sub 2] en de Scheepswerf.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk van:

a.    [appellant sub 1] tegen het besluit van:

-    de raad van de gemeente Kapelle van 26 mei 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal Kapelle";

    -    de raad van de gemeente Reimerswaal van 26 mei 2015 tot vaststelling van het bestemmingplan "Hansweert, 1e herziening";

    -    de raad van de gemeente Reimerswaal van 26 mei 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied, 1e herziening";

    -    de raad van de gemeente Kapelle van 10 mei 2016 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal Kapelle", voor zover dat niet is gericht tegen gewijzigde onderdelen van dit besluit;

    -    de raad van de gemeente Reimerswaal van 31 mei 2016 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Hansweert, 1e herziening";

    -    de raad van de gemeente Reimerswaal van 31 mei 2016 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied, 1e herziening";

b.    [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van:

-    de raad van de gemeente Kapelle van 26 mei 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal Kapelle", voor zover het beroep betrekking heeft op de aan de Scheepswerf toegekende milieucategorie in de planregels;

- de raad van de gemeente Reimerswaal van 26 mei 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal", voor zover het beroep betrekking heeft op de aan de Scheepswerf toegekende milieucategorie in de planregels;

-    het college van burgemeester en wethouders van Reimerswaal van 3 mei 2016 tot vaststelling van hogere waarden als bedoeld in artikel 45 van de Wgh voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege een industrieterrein voor 1 woning;

c.    [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] tegen het besluit van:

-    de raad van de gemeente Kapelle van 26 mei 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 1e herziening";

-    de raad van de gemeente Kapelle van 26 mei 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal Kapelle", voor zover het beroep is ingesteld door [appellant sub 3B];

-    de raad van de gemeente Kapelle van 10 mei 2016 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal Kapelle", voor zover het beroep is ingesteld door [appellant sub 3B];

-    de raad van de gemeente Kapelle van 10 mei 2016 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 1e herziening", voor zover het beroep is ingesteld door [appellant sub 3B];

II.    verklaart het beroep gegrond van:

a.    [appellant sub 1] tegen het besluit van:

    -    het college van burgemeester en wethouders van Reimerswaal van 29 april 2015 tot vaststelling van hogere waarden als bedoeld in artikel 45 van de Wgh voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege een industrieterrein voor 3 woningen;

    -    de raad van de gemeente Reimerswaal van 26 mei 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal";

    -    de raad van de gemeente Reimerswaal van 20 oktober 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied, 3e herziening";

    -    het college van burgemeester en wethouders van Reimerswaal van 3 mei 2016 tot vaststelling van hogere waarden als bedoeld in artikel 45 van de Wgh voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege een industrieterrein voor 1 woning;

    -    de raad van de gemeente Reimerswaal van 31 mei 2016 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal";

    -    de raad van de gemeente Reimerswaal van 20 december 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2016";

b.    [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van:

-    de raad van de gemeente Reimerswaal van 20 december 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2016";

c.    [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] tegen het besluit van:

-    de raad van de gemeente Kapelle van 26 mei 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal Kapelle", voor zover dat is ingesteld door [appellant sub 3C];

-    de raad van de gemeente Kapelle van 10 mei 2016 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal Kapelle", voor zover dat is ingesteld door [appellant sub 3C];

d.    Scheepswerf Reimerswaal B.V. tegen het besluit van:

-    de raad van de gemeente Kapelle van 26 mei 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal Kapelle;

-    de raad van de gemeente Reimerswaal van 26 mei 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal";

III.    vernietigt het besluit van:

a.    van de raad van de gemeente Kapelle:

-    van 26 mei 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal Kapelle";

-    van 10 mei 2016 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal Kapelle";

b.    van de raad van de gemeente Reimerswaal:

-    van 26 mei 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal";

-    van 20 oktober 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied, 3e herziening", voor zover dat betrekking heeft op de vaststelling van de aanduiding 'geluidzone - industrielawaai';

-    van 31 mei 2016 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal";

-    van 20 december 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2016", voor zover dat betrekking heeft op de vaststelling van de aanduiding 'geluidzone - industrielawaai';

c.    het college van burgemeester en wethouders van Reimerswaal:

-    van 29 april 2015 tot vaststelling van hogere waarden als bedoeld in artikel 45 van de Wgh voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege een industrieterrein voor 3 woningen;

-    van 3 mei 2016 tot vaststelling van hogere waarden als bedoeld in artikel 45 van de Wgh voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege een industrieterrein voor 1 woning;

IV.    draagt de raad van de gemeente Reimerswaal op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III.b, tweede en vierde gedachtestreepje, worden verwerkt in de elektronisch vastgestelde plannen die te raadplegen zijn op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

V.    draagt de raad van de gemeente Reimerswaal op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III.b, eerste en derde gedachtestreepje, worden verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI.    draagt de raad van de gemeente Kapelle op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel III.a wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VII.    draagt de raad van de gemeente Reimerswaal en de raad van de gemeente Kapelle op om binnen 52 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen nieuwe bestemmingplannen vast te stellen voor het industrieterrein aan de Kaai;

VIII.    verklaart het beroep ongegrond van:

a.    [appellant sub 1] tegen het besluit van:

-    de raad van de gemeente Kapelle van 10 mei 2016 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal Kapelle", voor zover het beroep ontvankelijk is;

b.    [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van:

    -    de raad van de gemeente Kapelle van 26 mei 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal Kapelle", voor zover het beroep ontvankelijk is;

    -    de raad van de gemeente Reimerswaal van 26 mei 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal", voor zover het beroep ontvankelijk is;

    -    de raad van de gemeente Kapelle van 10 mei 2016 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal Kapelle";

    -    de raad van de gemeente Reimerswaal van 31 mei 2016 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Loswal";

c.    [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] tegen het besluit van:

    -    de raad van de gemeente Kapelle van 10 mei 2016 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 1e herziening", voor zover dat is ingesteld door [appellant sub 3C];

IX.    veroordeelt de raad van de gemeente Kapelle, de raad van de gemeente Reimerswaal en het college van burgemeester en wethouders van Reimerswaal gezamenlijk op de hiervoor onder 46 vermelde wijze tot vergoeding van:

a.    bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de bestuursorganen aan hun betalingsverplichtingen hebben voldaan;

b.    bij Scheepwerf Reimerswaal B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.237,50 (zegge: twaalfhonderdzevenendertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X.    gelast dat de raad van de gemeente Reimerswaal aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a.    € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 1];

b.    € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de bestuursorganen aan hun betalingsverplichtingen hebben voldaan;

c.    € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de bestuursorganen aan hun betalingsverplichtingen hebben voldaan;

d.    € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) voor Scheepswerf Reimerswaal B.V..

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, griffier.

w.g. Van Sloten    w.g. Vreugdenhil

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2017

571.