Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3490

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
201700895/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 december 2015 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor een uitbreiding van de woning op het perceel [locatie] te Epe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6723
Module Ruimtelijke ordening 2018/7894
JOM 2018/23
JGROND 2018/33 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
JGROND 2018/59 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2018/33 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2018/59 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700895/1/A1.

Datum uitspraak: 20 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], wonend te Epe (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 december 2016 in zaak nr. 16/4198 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Epe.

Procesverloop

Bij besluit van 24 december 2015 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor een uitbreiding van de woning op het perceel [locatie] te Epe.

Bij besluit van 10 juni 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2017, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door A. Oostwoud, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op de uitbreiding van een bestaande woning op het perceel met een schuur. Deze schuur vervangt een bestaande schuur, die naast de woning staat. Volgens het college is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan "Epe Noord actualisatie wonen - wonen in het bos". Het is niet bereid van dat bestemmingsplan af te wijken. [appellant] kan zich hiermee niet verenigen.

Toepasselijke regelgeving

2.    Ingevolge het bestemmingsplan "Epe Noord actualisatie wonen - wonen in het bos" rust op een gedeelte van het perceel de bestemming "Wonen - Wonen in het bos" en op het andere gedeelte de bestemming "Bos - Bostuin". Op het perceelsgedeelte met de bestemming "Wonen - Wonen in het bos" is een bouwvlak gelegen. De nieuw te bouwen schuur is deels voorzien buiten dat bouwvlak, op gronden met de bestemming "Bos - Bostuin".

    Artikel 3.1 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan luidt:

"De voor "Bos - Bostuin" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. (hoog)opgaande afschermende beplanting;

b. bos en waterlopen;

c. het behoud en herstel van landschappelijke en natuur(wetenschappe)lijke waarden;

d. ter plaatse van de aanduiding 'archeologische waarden', mede het behoud, de bescherming en/of het herstel van de voorkomende archeologische waarden;

met daarbijbehorende:

e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

f. andere werken, waterhuishoudkundige en andere voorzieningen."

    Artikel 3.2 luidt:

"Op de voor "Bos - Bostuin" aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd."

    Artikel 1.15 luidt:

"Bostuin: een veelal omvangrijke tuin, grotendeels bestaande uit bos, of met een bosachtige uitstraling, waar het intensievere gebruik en de specifieke tuininrichting zich beperkt tot 10% van het perceel waarop het bouwvlak is gelegen met een maximum van 400 m2 per perceel."

Beoordeling van het hoger beroep

3.    [appellant] heeft ter zitting over zijn betoog in het hogerberoepschrift over de door hem ondervonden informatieachterstand verklaard dat dit niet als een zelfstandige hogerberoepsgrond hoeft te worden begrepen. De Afdeling zal hierop in de uitspraak dan ook niet ingegaan.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan niet omgevingsvergunningvrij is. Hij voert daartoe aan dat rechtbank heeft miskend dat het bouwplan is voorzien in achtererfgebied in de zin van artikel 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor). Volgens [appellant] maakt de bestemming de inrichting van de gronden ten behoeve van het woongebruik mogelijk.

4.1.    Een bijbehorend bouwwerk dient om het als omgevingsvergunningvrij te kunnen aanmerken op grond van artikel 2, derde lid, van bijlage II van het Bor in het achtererfgebied te staan. Voor het antwoord op de vraag of het perceelsgedeelte waarop de uitbreiding is voorzien tot het achtererfgebied behoort, is van belang of het kan worden aangemerkt als erf in de zin van artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor. Ingevolge dat artikel wordt onder erf verstaan: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

    Ingevolge artikel 3.1 van de planvoorschriften heeft het perceelsgedeelte de bestemming "Bos-Bostuin". Gelet op de doeleindenomschrijving hebben deze gronden een natuurfunctie. De gronden mogen slechts worden bebouwd en ingericht met bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van deze bestemming. Daarnaast is in het bestemmingsplan een zogeheten aanlegvergunningstelsel voor deze gronden opgenomen. Artikel 3.1. van de planvoorschriften staat er derhalve aan in de weg de gronden aan te merken als erf, als hiervoor bedoeld. Dat de definitiebepaling van bostuin in artikel 1.15 niet uitsluit dat een bostuin als een tuin kan worden gebruikt en ingericht, leidt niet tot een ander oordeel, nu de definitiebepaling niet kan bewerkstellingen dat in afwijking van artikel 3.1 de gronden met de bestemming "Bos - Bostuin" als erf kunnen worden aangemerkt. Nu het perceelsgedeelte geen erf betreft, kan het evenmin als achtererf als bedoeld in die bepaling worden aangemerkt. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het vergunningvrij realiseren van het bouwplan op deze gronden niet mogelijk is.

    Het betoog faalt.

5.    Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit op bezwaar onrechtmatig is, nu eerst in een ongedateerde brief van de voorzitter van de commissie voor de Bezwaarschriften is vermeld dat dat het bouwplan niet omgevingsvergunningvrij is, omdat het niet is gelegen in achtererfgebied, overweegt de Afdeling dat [appellant] hiermee miskent dat reeds in het advies van de commissie voor de Bezwaarschriften is vermeld dat het gedeelte van het perceel waarop het bouwplan is voorzien geen erf is waarop vergunningvrij kan worden gebouwd. Het betoog kan reeds daarom niet leiden tot het ermee beoogde doel.

6.    Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het gedeelte van het bouwplan dat buiten het bouwvlak is gelegen een oppervlakte heeft van 14 m² in plaats van 20 m², geldt dat dit terecht is voorgedragen, maar niet kan leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Niet in geschil is dat een gedeelte van het bouwplan buiten het bouwvlak, op gronden met de bestemming "Bos-Bostuin" is gelegen. Vanwege deze overschrijding van het bouwvlak heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en terecht beoordeeld of het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren van het bestemmingsplan af te wijken.

7.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het bouwplan planologisch ongewenst is. Hij voert daartoe aan dat bij realisering van het bouwplan meer planten en bomen behouden blijven dan wanneer het bouwplan binnen het bouwvlak wordt gerealiseerd.

7.1.    Het college heeft zich in het besluit van 24 december 2015, dat in bezwaar is gehandhaafd, op het standpunt gesteld dat Epe Noord een wijk is met een bijzonder en groen karakter. Om dit groene karakter en bijbehorende kwaliteit ook daadwerkelijk te borgen, vindt het college het niet wenselijk om bebouwing binnen de bestemming "Bos-Bostuin" toe te staan. Volgens het college is dit ook de reden dat er vrij grote bouwvlakken op de plankaart zijn opgenomen. Er is zodoende binnen het bouwvlak ruimte voor aan-, uit- en bijgebouwen. Medewerking aan het bouwplan zal bovendien een precedent scheppen, aldus het college.

7.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Dat, zoals [appellant] betoogt, er meer bomen moeten worden gekapt indien er wordt gebouwd binnen het bouwvlak dan indien er op de door hem gewenste locatie op het perceel wordt gebouwd, leidt niet tot een ander oordeel. Op het perceel van [appellant] ligt, net zoals op de in de omgeving van zijn perceel liggende percelen, gedeeltelijk de bestemming "Wonen - Wonen in het bos" en gedeeltelijk de bestemming "Bos - Bostuin". De gronden met de bestemming "Wonen - Wonen in het bos" worden omgeven door gronden met de bestemming "Bos - Bostuin". Het college heeft ter zitting toegelicht dat hiermee is beoogd om het bebouwen van de percelen richting de randen te voorkomen. Op deze manier worden de groene randen van de percelen beschermd. Er zijn volgens het college op de gronden met de bestemming "Wonen - Wonen in het bos" vrij grote bouwvlakken opgenomen, zodat ruimte bestaat voor het bouwen van aan, - uit- en bijgebouwen. Het college vindt het niet bezwaarlijk als op het bouwvlak bomen worden gekapt ten behoeve van bebouwing; het wenst slechts de groene randen van het perceel behouden. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dat standpunt heeft kunnen stellen.

    Het betoog faalt.

8.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn betoog in beroep dat het college in de bezwaarprocedure onzorgvuldig heeft gehandeld door, in afwijking van het advies van de commissie voor de Bezwaarschriften, niet met hem in overleg te treden.

8.1.    In het advies heeft de commissie geconcludeerd dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren. De commissie heeft het college geadviseerd het bezwaar tegen het besluit van 24 december 2015 ongegrond te verklaren. In de omstandigheid dat de commissie het college tevens in overweging heeft gegeven met [appellant] in overleg te treden en het college dat niet heeft gedaan, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het besluit op bezwaar daarom op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Daargelaten dat de opmerking in het advies betrekking had op overleg om te bezien of bij een toekomstige herziening van het bestemmingsplan het bouwvlak op het perceel zou kunnen worden aangepast, heeft het college naar het oordeel van de Afdeling bij de totstandkoming van het besluit van belang kunnen achten dat tussen partijen reeds regelmatig overleg is geweest en een nieuw overleg geen nieuwe inzichten zou opleveren.

    Het betoog faalt.

9.    [appellant] betoogt dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor het kappen van bomen op het perceel het groene karakter van de wijk geen rol speelde, terwijl in de onderhavige procedure op dat groene karakter de nadruk wordt gelegd.

9.1.    [appellant] heeft een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de kap van vijf bomen op zijn perceel. De kap van twee van die bomen was aangevraagd om realisering van het bouwplan mogelijk te maken. De kap van de andere drie bomen was aangevraagd omdat die bomen concurreerden met andere bomen op het perceel en twee van die bomen beschadigd waren.

    Het college heeft de aanvraag getoetst aan artikel 4.11 van de Algemene plaatselijke verordening Epe 2008 (hierna: de APV), welk artikel nader is uitgewerkt in het Bomenbeleidsplan. In het besluit van 10 september 2015 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat door het verwijderen van de bomen er geen schade aan het bosrijke omgevingskarakter ontstaat. De nevenstaande bomen krijgen door het verwijderen van de vijf bomen een optimale bovengrondse groeiruimte tot hun beschikking, waardoor ze zich nog verder kunnen ontwikkelen in hun huidige groeifase. Omdat er geen weigeringsgronden zijn, heeft het college de omgevingsvergunning verleend.

9.2.    Dat het college zich in het besluit van 10 september 2015 op het standpunt heeft gesteld dat het kappen van de bomen niet leidt tot schade aan het bosrijke omgevingskarakter betekent, anders dan [appellant] betoogt, niet dat het college zich daarom in de onderhavige procedure niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de uitbreiding van de woning het in het bestemmingsplan gewaarborgde groene karakter en de bijbehorende kwaliteit aantast. De Afdeling overweegt daartoe dat in artikel 4:11, tweede lid, van de APV de gronden zijn opgenomen op grond waarvan een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen kan worden geweigerd. Voor het verlenen van een dergelijke vergunning geldt een ander toetsingskader dan voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en het afwijken van het bestemmingsplan.

    Het betoog faalt.

Conclusie

10.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Hoogvliet    w.g. Pieters

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2017

473.