Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:349

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
201603927/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De raad heeft bij besluit van 21 maart 2016 het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied, [locatie 1] en statische opslag in kassen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/779

Uitspraak

201603927/1/R2.

Datum uitspraak: 8 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend te Etten-Leur,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Etten-Leur,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Etten-Leur,

verweerder.

Procesverloop

De raad heeft bij besluit van 21 maart 2016 het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied, [locatie 1] en statische opslag in kassen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2016, waar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], in persoon en bijgestaan door mr. W. Krijger, en de raad, vertegenwoordigd door G.M.J. van Peperstraten, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Bij uitspraak van 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1583 heeft de Afdeling naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] het besluit van 30 september 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied" vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 1]. De Afdeling oordeelde dat nu op het perceel [locatie 1] (hierna: het perceel) geen agrarisch bedrijf, maar een transportbedrijf is gevestigd, het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid aangezien de raad zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat de bestemming "Agrarisch" binnen de planperiode van tien jaar zal worden verwezenlijkt en dat deze bestemming dan ook niet passend is. De raad heeft zich in zoverre op een ander standpunt gesteld dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, aldus de Afdeling. De Afdeling heeft uit het oogpunt van finale geschilbeslechting aanleiding gezien de beroepsgronden van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ook inhoudelijk te bespreken. De Afdeling heeft overwogen dat het betoog van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] dat het gebruik ten behoeve van hun transportbedrijf onder het overgangsrecht van het vorige bestemmingsplan valt en dit gebruik gelet hierop met het voorliggende plan voor een tweede maal onder het overgangsrecht is gebracht, faalt. Tevens heeft de Afdeling overwogen dat het feitelijk gebruik van het perceel bestaande uit het stallen van vrachtwagens, het gebruik van de bedrijfswoning en het gebruik van de bijgebouwen niet als zodanig is bestemd, omdat het gebruik van het perceel voor het stallen van vrachtwagens niet plaatsvindt als nevenfunctie bij de agrarische hoofdfunctie, maar verband houdt met het op het perceel als hoofdfunctie uitgeoefende transportbedrijf. De Afdeling heeft de raad opgedragen om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoefde niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht te worden voorbereid.

2. Met het besluit van 21 maart 2016 heeft de raad beoogd aan de gegeven opdracht te voldoen. De raad heeft met het plan beoogd op het perceel te voorzien in een transportbedrijf met de mogelijkheid van het stallen van 2 vrachtwagens.

3. [appellant sub 2], die woont aan de [locatie 2] direct naast het transportbedrijf, kan zich niet verenigen met de aan het perceel toegekende bedrijfsbestemming en wenst dat de agrarische bestemming blijft gehandhaafd en de transportactiviteiten niet als hoofdactiviteit mogelijk worden gemaakt.

4. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], die het transportbedrijf [appellant sub 1A] (hierna: het transportbedrijf) exploiteren aan de [locatie 1] te Etten-Leur, betogen dat de gewijzigde regeling voor het perceel ten onrechte niet voorziet in een positieve bestemming voor een transportbedrijf met 5 vrachtwagens.

5. De raad stelt dat het toekennen van een bedrijfsbestemming met stallingsmogelijkheden voor 2 vrachtwagens gelet op het sinds 1988/1989 bestaande gebruik en de voorgeschiedenis, een passende bestemming is.

6. De raad wenst, gelet op de korte afstand tussen de woning van [appellant sub 2] en andere omwonenden en het parkeerterrein waar de vrachtwagens worden gestald, de uitkomsten van het akoestisch onderzoek van Greten en het gemeentelijk beleid voor het buitengebied niet mee te werken aan de stallingsmogelijkheden ten behoeve van 5 vrachtwagens op het perceel.

Toetsingskader

7. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Inhoudelijk

8. In het plan zijn aan de gronden aan de [locatie 1] de bestemmingen "Tuin" en "Bedrijf" toegekend. Aan de gronden met de bestemming "Bedrijf" is de aanduiding "transportbedrijf" toegekend. Daarnaast is aan een deel van het voorterrein aan de wegzijde de aanduiding "parkeerterrein" toegekend. Aan een deel van de gronden met de bestemming "Bedrijf" is een bouwvlak toegekend.

Artikel 5, lid 5.1, onder a, onder 18, van de planregels luidt:

"De voor "Bedrijf" aangewezen gronden zijn bestemd voor een transportbedrijf, zonder op- en overslag, ter plaatse van de aanduiding "transportbedrijf". "

Artikel 5, lid 5.4.1, luidt:

"Naast het bepaalde in artikel 35 wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan:

i. het gebruik van gronden en bebouwing ter plaatse van de aanduiding "transportbedrijf" ten behoeve van:

- de stalling van vrachtwagens, behalve ter plaatse van de aanduiding "parkeerterrein" alwaar stalling van maximaal 2 vrachtwagens (trekkers/trucks al dan niet met oplegger/trailer) mag plaatsvinden;

- het in werking hebben van koelinstallaties/koelmotoren in, op of bij vrachtwagens, bedoeld voor de koeling van goederen, inclusief eventuele voorkoeling van de laadruimte;

- op- en overslag van goederen;

- buitenopslag van pallets;

- het schoonspuiten en/of wassen van vrachtwagens;

- reparatie van vrachtwagens, met uitzondering van op dat moment noodzakelijke, zeer ondergeschikte, kleinschalige reparatiehandelingen."

Artikel 5, lid 5.2.1, aanhef en onder a, luidt:

"Binnen de bedrijfsbestemming mogen gebouwen en overkappingen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd."

Bouwvlak

9. [appellant sub 2] heeft betoogd dat een bouwvlak is toegekend dat groter is dan de bestaande bedrijfsbebouwing. Hierdoor wordt ten onrechte uitbreiding van de bedrijfsbebouwing mogelijk gemaakt.

10. De raad heeft gemotiveerd gesteld dat uitbreiding van de bestaande bedrijfsbebouwing niet mogelijk is omdat het bouwvlak strak om de bedrijfsbebouwing is gelegd.

11. Op grond van de planregels mogen gebouwen en overkappingen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. [appellant sub 2] heeft het standpunt van de raad dat uitbreiding van de bedrijfsbebouwing niet mogelijk is niet gemotiveerd bestreden. Het betoog faalt.

Planregels

12. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat de in artikel 5, lid 5.4.1, aanhef en onder i, van de planregels opgenomen beperkingen ten aanzien van het gebruik van de gronden leiden tot een onevenredige beperking van hun bedrijfsvoering. Tevens betogen zij dat door deze beperkingen de regeling rechtsonzeker en niet handhaafbaar is.

13. De raad stelt zich op het standpunt dat, gelet op de bestaande bedrijfssituatie, deze regeling niet leidt tot een onevenredige beperking van de bedrijfsvoering. De raad stelt dat er altijd maximaal 2 vrachtwagens ter plaatste zijn gestald. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat de bepaling is opgenomen om tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden te komen. Tevens stelt de raad dat de regeling rechtszeker en handhaafbaar is.

14. In een akoestisch rapport van Greten Raadgevend Ingenieurs van 22 september 2014 (hierna: het akoestisch rapport), dat in opdracht van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] is opgesteld, is vermeld dat het gebruikelijke aantal vrachtwagens dat ter plaatse is gestald 2 bedraagt. Er wordt vermeld dat er meer vrachtwagens in gebruik zijn, maar die worden door de chauffeurs in de omgeving van hun eigen woning gestald. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat er structureel meer vrachtwagens werden gestald dan 2.

15. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] niet aannemelijk hebben gemaakt dat hetgeen in artikel 5, lid 5.4.1, aanhef en onder i, van de planregels is opgenomen omtrent gebruik van de gronden tot een onevenredige beperking van hun bedrijfsvoering leidt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat zij ten aanzien van het aantal te stallen vrachtwagens niet aannemelijk hebben gemaakt dat het bedrijf niet kan worden uitgeoefend bij een stallingsmogelijkheid voor maximaal 2 vrachtwagens. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen ter zitting omtrent alternatieve mogelijkheden, zoals het stallen in de woonomgeving van de chauffeurs, is vermeld. Tevens is uit de stukken gebleken dat er op het terrein geen opslag en overslag plaatsvindt. De koelinstallaties/koelmotoren worden uitsluitend gebruikt buiten het terrein nadat de te vervoeren goederen zijn opgehaald en worden na aflevering uitgeschakeld. De regeling is tevens her resultaat van een afweging van belangen waarbij de raad ook rekening heeft moeten houden met de belangen van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Naar het oordeel van de Afdeling zijn de in artikel 5, lid 5.4.1, aanhef en onder i, van de planregels opgenomen gebruiksregels voldoende duidelijk en niet rechtsonzeker. Tevens zijn deze regels controleerbaar en handhaafbaar. Het betoog faalt.

Woon- en leefklimaat

16. [appellant sub 2] voert aan dat, gelet op de korte afstand tussen de geparkeerde vrachtwagens en zijn woning, de bedrijfsbestemming op het perceel niet passend is. [appellant sub 2] vreest voor toenemende geluidoverlast ten gevolge van de toenemende bedrijfsactiviteiten en voor een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat ten gevolge van deze ontwikkelingen. Hij wijst in dit verband op de aanzienlijke afwijking van de aanbevolen afstand van 50 m in de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (VNG 2009) (hierna: de VNG-brochure) en naar de uitkomsten van het akoestisch rapport. Hij betoogt dat het bedrijf van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], dat steeds omvangrijker wordt, verplaatst dient te worden naar een industrieterrein, ook omdat de in omvang beperkte bedrijfsvoering teveel hinder oplevert.

17. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant sub 2] met de huidige regeling niet hoeft te vrezen voor een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

18. De raad heeft bezien of het transportbedrijf op het perceel kan voldoen aan de indicatieve richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-brochure. Hierin is voor goederenwegvervoerbedrijven (zonder schoonmaken tanks) <= 1.000 m2 (SBI code 6024) een afstand van 50 m aanbevolen voor een omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Voor een omgevingstype ‘gemengd gebied’ is een afstand van 30 m aanbevolen. De raad heeft de omgeving [locatie 1] kunnen karakteriseren als een gemengd gebied gezien de diversiteit aan functies aan de Hoevenseweg zoals een autobedrijf, agrarische bedrijven en woningen en omdat de Hoevenseweg een ontsluitingsweg is vanuit het centrum van Etten-Leur in de richting van het bedrijventerrein en Hoeven. De afstand tussen de uiterste situering van de woning [locatie 2] en het terrein met de aanduiding "parkeerterrein" is ongeveer 11 m. Het bestemmingsplan dat geldt ter plaatse van de woning geeft met uitzondering van een minimale afstand tot de perceelgrens van 5 m geen belemmeringen voor de uitbreiding van de woning [locatie 2] in de richting van het bedrijf. Gelet hierop zou een afstand van 5 m kunnen ontstaan tussen de uiterste situering van de woning [locatie 2] en het terrein met de aanduiding "parkeerterrein". De aanbevolen afstand van 30 m wordt derhalve niet gehaald. Er kan gemotiveerd worden afgeweken van de indicatieve richtafstanden. Voor de beoordeling of de raad in dit opzicht aan zijn motiveringsverplichting heeft voldaan dient in aanmerking te worden genomen dat hier slechts een bedrijf mogelijk wordt gemaakt waar 2 vrachtwagens kunnen worden gestald en de overige activiteiten sterk zijn ingeperkt.

19. In het akoestisch onderzoek is onderzocht of het wegrijden en aankomen van vrachtwagens voldoet aan de geluidsvoorschriften die zijn neergelegd in het Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit is opgenomen dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer bedraagt dan 50, 45 en 40 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor de maximale geluidsniveaus op de gevel van gevoelige gebouwen geldt dat deze niet meer mogen bedragen dan 70, 65 en 60 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Volgens het akoestisch rapport wordt voldaan aan het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Verder blijkt uit de meetresultaten dat het maximale geluidniveau in de vroege ochtend (nachtperiode) bij een vertrekkende vrachtwagen varieert van 64 tot 66 dB(A), waarbij het ontluchten van het remsysteem bepalend is voor de hoogte van de geluidbelasting. Daarnaast worden ook de maximale niveaus in de dagperiode met 2 dB(A) overschreden bij terugkeer van de vrachtwagens. Dat is het geval indien de achteruitrij-signalering niet kan worden uitgezet. In het akoestisch rapport is vermeld dat alleen met het nemen van akoestische maatregelen kan worden voldaan aan de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Het betreft het uitzetten van de achteruitrij-signalering (het waarschuwend piepgeluid) en het niet gebruiken van de hydraulische handrem. De raad wenst niet mee te werken aan deze maatregelen door opname in het plan omdat deze niet handhaafbaar zijn. Tevens is het plaatsen van een geluidscherm als maatregel genoemd. Daarover heeft de raad aangegeven dat een scherm van 2 m ter bescherming van de bovenverdieping van de woning van [appellant sub 2], waar de slaapkamer zich bevindt, te laag is. De raad acht een hoger scherm ruimtelijk niet aanvaardbaar, ook vanwege de negatieve effecten voor de bewoners van de woning.

20. Het perceel is aanvankelijk door de vader van [appellant sub 1A] en vervolgens door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] gebruikt. Van oudsher werden de gronden voor agrarische doeleinden gebruikt. Vanaf 1988/1989 vinden er transportactiviteiten plaats, aanvankelijk als nevenactiviteit en later als hoofdactiviteit. Het stallen van de vrachtwagens was bij de gemeente bekend en daartegen is nooit opgetreden. Over het stallen van vrachtwagens zijn, aldus de raad, nooit klachten van omwonenden ontvangen. In het bestemmingsplan "Buitengebied", dat de raad op 30 september 2013 heeft vastgesteld, heeft de raad het stallen van 2 vrachtwagens op het perceel positief bestemd en een wijzigingsbevoegdheid voor het stallen van een derde vrachtwagen opgenomen. Daarmee heeft de raad aangegeven het stallen van tenminste 2 vrachtwagens ruimtelijk aanvaardbaar te vinden. [appellant sub 2] of andere omwonenden hebben tegen dit bestemmingsplan geen beroep ingesteld.

21. De Afdeling overweegt ten aanzien van de vrees van [appellant sub 2] dat er een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat optreedt het volgende. Door middel van het stellen van de voorschriften in artikel 5, lid 5.4.1 aanhef en onder i, van de planregels heeft de raad de op het perceel mogelijke activiteiten sterk ingeperkt. De Afdeling stelt voorts vast dat het plan geen inrichting mogelijk maakt als bedoeld in de Wet milieubeheer zodat de normen uit het Activiteitenbesluit niet rechtstreeks van toepassing zijn. Dat neemt niet weg dat de raad de normen uit het Activiteitenbesluit als referentiekader heeft kunnen hanteren. Een overschrijding van die normen hoeft echter niet zonder meer aan een positieve bestemming voor een transportbedrijf waar maximaal 2 vrachtwagen mogen worden gestald in de weg te staan. Uit het akoestisch rapport blijkt dat wordt voldaan aan het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Verder blijkt uit dit onderzoek dat het maximale geluidniveau in de vroege ochtend (nachtperiode) bij een vertrekkende vrachtwagen als gevolg van het ontluchten van het remsysteem met 4 tot 6 d(B)A wordt overschreden. Daarnaast worden ook de maximale niveaus in de dagperiode met 2 dB(A) overschreden. Voor wat betreft de nachtperiode gaat het bij het stallen van 2 vrachtwagens om overschrijding van de piekbelasting die zich hooguit 2 maal voordoet bij vertrek van een vrachtwagen.

22. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich gelet op de omstandigheden die hiervoor zijn benoemd in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in deze concrete situatie het voortzetten van een activiteit die vanaf 1988/89 plaatsvindt met de in de planregels opgenomen gebruiksbeperkingen niet tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat leidt. Het betoog faalt.

23. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat de gewijzigde regeling voor het perceel ten onrechte niet voorziet in een transportbedrijf met 5 vrachtwagens. Zij betogen dat de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant (hierna: de Verordening 2014) een transportbedrijf met een omvang van 5 vrachtwagens mogelijk maakt. Zij voeren aan dat het voorliggende gewijzigde plan niet deugdelijk is gemotiveerd en niet in overeenstemming is met de opdracht van de Afdeling. Ten onrechte is wederom niet de feitelijke situatie bestemd als transportbedrijf met een mogelijkheid voor het stallen van 5 vrachtwagens. Zij betogen dat het gemeentelijk beleid zoals dat is neergelegd in de Structuurvisieplus van 2005-2020 (hierna: de Structuurvisie) een uitbreiding van bedrijvigheid als aan de orde langs de Hoevenseweg mogelijk maakt en derhalve ook niet in de weg staat aan de ontwikkeling.

24. De raad heeft gelet op de korte afstand tussen het parkeerterrein op het perceel en de woning van [appellant sub 2] en het gemeentelijk beleid niet willen meewerken aan uitbreiding van de stallingsmogelijkheden in het buitengebied. In de Structuurvisie is weliswaar een mogelijkheid voor een woon-werklocatie opgenomen voor de Hoevenseweg maar deze locatie ligt westelijker, ter hoogte van het bestaande bedrijventerrein. De locatie [locatie 1] ligt meer oostelijk nabij de bebouwde kom van Etten-Leur.

25. Zelfs indien de Verordening 2014 niet in de weg zou staan aan een transportbedrijf met 5 vrachtwagens op het perceel is de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet gehouden om een dergelijk bedrijf ter plaatse mogelijk te maken.

26. De raad heeft terecht gesteld dat uitbreiding van de stallingsmogelijkheden ten behoeve van het transportbedrijf niet past in het gemeentelijk beleid voor het buitengebied. In de Structuurvisie is weliswaar een mogelijkheid voor een woon-werklocatie opgenomen aan de Hoevenseweg maar deze locatie ligt westelijker ter hoogte van het bestaande bedrijventerrein. Tevens heeft de raad in redelijkheid in aanmerking kunnen nemen dat uitbreiding van de stallingsmogelijkheden leidt tot een toename van geluidoverlast en dat dat gelet op de afstand tot de woning van [appellant sub 2] niet wenselijk is. Het betoog faalt.

Alternatieve locatie

27. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat de raad het alternatieve voorstel van 17 maart 2016 van Greten Raadgevende Ingenieurs de stalling van vrachtwagens naar de westzijde van het perceel te verplaatsen ten onrechte niet heeft onderzocht. Zij stellen dat dit voorstel het mogelijk maakt om tot een uitbreiding van het transportbedrijf naar 5 vrachtwagens te komen zonder overschrijding van de geldende geluidsnormen.

28. De raad stelt dat de brieven van de adviseur van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] bij de besluitvorming zijn betrokken en heeft naar voren gebracht dat het alternatieve voorstel van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] tot verplaatsing van de inrit en het parkeerterrein van het bedrijf naar de westzijde van de bedrijfswoning is bezien maar niet nader onderzocht omdat de raad gelet op het gemeentelijke beleid niet wenst mee te werken aan een transportbedrijf met 5 vrachtwagens aan de [locatie 1].

29. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. De raad heeft dit gedaan en deugdelijk gemotiveerd dat hij niet wenst mee te werken aan het alternatieve voorstel. Het betoog faalt.

Conclusie

30. De beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] zijn ongegrond.

Proceskostenveroordeling

31. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Ouwehand

Voorzitter Griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2017

224.