Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3479

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
201700910/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:8254, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2015 heeft het dagelijks bestuur aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor het dempen van twee B-waterlopen ter hoogte van de [locatie A] te Rijsbergen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/100
JOM 2018/26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700910/1/A1.

Datum uitspraak: 20 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 december 2016 in zaak nr. 16/2590 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het Waterschap Brabantse Delta.

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2015 heeft het dagelijks bestuur aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor het dempen van twee B-waterlopen ter hoogte van de [locatie A] te Rijsbergen.

Bij besluit van 15 maart 2016 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en het dagelijks bestuur hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. H.J. Hertog-Visser, advocaat te Rotterdam, het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. M.A.A.M. van Kollenburg-van Linder, E. Jansen en E. Jacobs, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. B. Baan, advocaat te Etten-Leur, als partij gehoord.

Overwegingen

1.    Tussen de Tiggeltsebergstraat te Rijsbergen en de percelen van [vergunninghouder] en [appellant] bevindt zich een verbindingsweg die in eigendom is van [appellant]. Aan weerszijden van deze weg bevindt zich een sloot.  [vergunninghouder] wil deze beide sloten, voor zover gelegen tussen de Tiggeltsebergweg en haar perceel [locatie A], dempen omdat deze volgens haar de stevigheid van het wegdek ondermijnen doordat de berm in de waterloop wordt uitgereden. Feitelijk zijn deze sloten reeds gedeeltelijk gedempt. Het dagelijks bestuur heeft de gevraagde vergunning voor het dempen van de sloten onder het stellen van voorschriften verleend. [appellant] kan zich niet met de verlening van de vergunning verenigen omdat hij vreest dat het dempen van de sloten leidt tot wateroverlast op de weg.

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de sloten noodzakelijk zijn voor een goede afwatering van de weg. De door het dagelijks bestuur voorgeschreven drainagestrengen zullen een goede afwatering niet waarborgen. Daartoe voert hij aan dat de weg lager ligt dan de omliggende gronden, zodat water bij het dempen van de sloten op de weg zal blijven staan. Verder voert hij aan dat de drainagestrengen onder in de sloten komen te liggen en in natte perioden onder water zullen komen te staan, waardoor deze niet meer functioneren. Volgens hem valt te verwachten dat deze situatie zich met een zekere regelmaat zal voordoen, te meer nu planmatige ontwikkelingen in watergangen ten noorden van de sloten, waaronder de aanleg van een stuw, een goede afwatering zullen belemmeren. Bovendien valt te verwachten dat verkeer dat van de weg gebruik maakt, wanneer het moet uitwijken voor tegemoetkomend verkeer, de berm zal vastrijden. De aan de vergunning verbonden voorschriften zijn daarom onvoldoende om een goede afwatering te waarborgen, aldus [appellant].

2.1.    Het dagelijks bestuur heeft vergunning verleend met toepassing van artikel 3.1, eerste lid, van de Keur waterschap Brabantse Delta 2015. Dit artikellid luidt:

"Het is verboden zonder vergunning gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones of ondersteunende kunstwerken door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven."

2.2.    Het dagelijks bestuur heeft aan de vergunning voorschriften verbonden.

    Voorschrift 5.1 luidt:

"De werken worden door en voor rekening van de vergunninghouder uitgevoerd en in goede staat onderhouden."

    Voorschrift 9.3 luidt:

"De vergunninghouder dient maatregelen te treffen om wateroverlast en/of watertekort bij aangrenzende percelen te voorkomen, dit houdt in:

•  het aanleggen van drainagestrengen in te dempen sloten

•  eventuele bestaande uitstroomvoorzieningen verlengen naar deze nieuw te graven waterloop."

    Voorschrift 9.4 luidt:

"De waterafvoer en ontwatering van de aangrenzende/omliggende percelen gronden moet te allen tijde gewaarborgd blijven. Indien de hiervoor bedoelde waterafvoer en de ontwatering als gevolg van de demping in gevaar komt kan het dagelijks bestuur nadere maatregelen eisen van de vergunninghouder."

2.3.    Het dagelijks bestuur heeft ter zitting naar voren gebracht dat uit het Actueel Hoogtebestand van Nederland blijkt dat de weg hoger ligt dan de bermen en de omliggende gronden. Het heeft toegelicht dat water op de weg naar de bermen toestroomt en daar infiltreert in de grond. De grond is ter plaatse goed waterdoorlatend. Voor zover nodig kan de voorgeschreven drainage een effectieve afwatering ondersteunen ter vervanging van de sloten. Het gaat om een gangbare methode voor afwatering die ook veel wordt toegepast op landbouwgronden. Het water stroomt vanuit de grond in de drainagestrengen en wordt door de drainagestrengen geleid naar een gedeelte van de sloot dat gehandhaafd blijft. Dat gebeurt ook in de eventuele situatie dat de drainagestrengen onder water staan, aldus het dagelijks bestuur. De kans daarop acht het dagelijks bestuur overigens gering, nu de grondwaterstand ter plaatse laag is. Verder is de drainage volgens het dagelijks bestuur bestand tegen autoverkeer dat over de berm rijdt, evenzeer als drainagesystemen in landbouwgronden bestand zijn tegen landbouwmachines die over die gronden rijden. Wel is hiervoor vereist dat de drainagestrengen goed worden onderhouden, zoals voorgeschreven in vergunningvoorschrift 5.1, aldus het dagelijks bestuur.

2.4.    De Afdeling overweegt dat ervan uit kan worden gegaan dat de weg hoger ligt dan de bermen en de omliggende gronden, nu dit blijkt uit het Actueel Hoogtebestand Nederland. De door [appellant] ingezonden foto biedt geen reden om hieraan te twijfelen. Verder heeft het dagelijks bestuur overtuigend toegelicht dat kan worden aangenomen dat met de voorgeschreven drainagestrengen wordt voorkomen dat een goede afwatering van de weg in gevaar komt. Geen reden bestaat om eraan te twijfelen dat de drainagestrengen ook functioneren in de eventuele situatie dat de grond de hoeveelheid water niet kan verwerken en de drainagestrengen onder water staan. In dit verband kan dan ook in het midden blijven of de door [appellant] bedoelde ontwikkelingen ertoe zullen leiden dat die situatie zich met een zekere regelmaat zal voordoen. Verder is met vergunningvoorschrift 5.1 voldoende gewaarborgd dat de drainagestrengen in goede staat zullen blijven. Gelet daarop bestaat geen reden om eraan te twijfelen dat deze ook zullen functioneren voor zover autoverkeer over de berm zal rijden. Hier komt bij dat, voor zover toch wateroverlast dreigt te ontstaan, voorschrift 9.4 het dagelijks bestuur de mogelijkheid biedt om nadere maatregelen te eisen. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat de voorschriften niettemin ontoereikend zijn om wateroverlast op de weg als gevolg van het dempen van de sloten tegen te gaan. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het dagelijks bestuur de vergunning, na afweging van de daarbij betrokken belangen, in redelijkheid niet had kunnen verlenen.

    Het betoog faalt.

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2017

457-727.