Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3478

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
201700396/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:6958, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2016 heeft het college besloten tot invordering van een volgens hem door [appellant] verbeurde dwangsom ten bedrage van € 5.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700396/1/A1.

Datum uitspraak: 20 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Vlijmen, gemeente Heusden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 december 2016 in zaak nr. 16/1921 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heusden.

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2016 heeft het college besloten tot invordering van een volgens hem door [appellant] verbeurde dwangsom ten bedrage van € 5.000,00.

Bij besluit van 6 juni 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2017, waar het college, vertegenwoordigd door mr. Y.S.A. Titulaer-Kruize, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] woont aan de [locatie] te Vlijmen (hierna: het perceel). Tijdens een controle op 13 maart 2015 heeft het college geconstateerd dat op het perceel bedrijfsmatige activiteiten plaatsvonden en bedrijfsmatige voorzieningen aanwezig waren ten behoeve van een door [appellant] geëxploiteerde frietbezorgdienst. Bij besluit van 30 maart 2015 heeft het college [appellant] gelast om vóór 1 mei 2015 de bedrijfsmatige activiteiten op het perceel te staken en gestaakt te houden en alle bedrijfsmatige voorzieningen van het perceel te verwijderen en verwijderd te houden. Het college heeft aan deze last een dwangsom verbonden van € 5.000,00 per maand dat niet aan de last is voldaan, waarbij een deel van de maand als maand wordt beschouwd, met een maximum van € 15.000,00.

    Op 12 mei 2015 hebben toezichthouders een controle op het perceel uitgevoerd. Hun bevindingen hebben het college tot de conclusie geleid dat [appellant] de opgelegde last niet heeft nageleefd en dat een dwangsom van € 5.000,00 is verbeurd. Bij besluit van 3 maart 2016 is het college overgegaan tot invordering van deze dwangsom. [appellant] kan zich daarmee niet verenigen.

Verslag van de controle op 12 mei 2015

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij het nemen van het invorderingsbesluit ten onrechte is afgaan op het verslag van de controle op het perceel op 12 mei 2015. Het college merkt dit verslag volgens hem ten onrechte aan als een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal. Het is slechts getekend door de aanwezige gemeentelijke toezichthouder, en niet mede door de buitengewoon opsporingsambtenaar die hem vergezelde. Verder ontbreekt in het verslag volgens hem een deugdelijke en controleerbare vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden. Het verslag maakt niet duidelijk waarom de aangetroffen apparatuur leidt tot de conclusie dat de last is overtreden, aldus [appellant].

2.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1179, dient aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen. Dit brengt met zich dat de vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundige persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. De vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden dienen op een duidelijke wijze te worden vastgelegd. Dat kan geschieden in een schriftelijke rapportage, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd. Voor zover de vastgestelde feiten en omstandigheden in een geschrift zijn vastgelegd, dient een inzichtelijke beschrijving te worden gegeven van hetgeen is vastgesteld of waargenomen. Een schriftelijke rapportage dient voorts in beginsel te zijn voorzien van een ondertekening door de opsteller en een dagtekening. Aan het ontbreken van een ondertekening en een dagtekening kan worden voorbijgegaan, indien op andere wijze kan worden vastgesteld dat de opsteller van de rapportage degene is die de daarin vermelde feiten en omstandigheden heeft vastgesteld of waargenomen en wanneer die vaststelling of waarneming heeft plaatsgevonden.

2.2.    Aan het invorderingsbesluit ligt een verslag van het binnentreden van de woning van [appellant] op 12 mei 2015 ten grondslag. Dit verslag is opgesteld en ondertekend door een gemeentelijke toezichthouder, die kan worden aangemerkt als een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is niet vereist dat de bevindingen zijn vastgelegd in een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal.

    In het verslag is vermeld welke goederen zijn aangetroffen in de achtertuin en in de berging op het perceel. Bij het verslag zijn foto's gevoegd die de toezichthouder tijdens de controle heeft gemaakt, waarop de beschreven aangetroffen goederen zijn te zien. Daarmee zijn de waargenomen feiten en omstandigheden op een duidelijke wijze vastgelegd. Niet is vereist dat reeds in het verslag wordt toegelicht in hoeverre de aangetroffen goederen al dan niet een overtreding van de opgelegde last inhouden. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college bij het nemen van het invorderingsbesluit niet mocht afgaan op de in dit verslag neergelegde bevindingen.

    Het betoog faalt.

Overtreding van de last

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de bij besluit van 30 maart 2015 opgelegde last zodanig onduidelijk is, dat niet kan worden vastgesteld of hij deze last heeft overtreden. Daartoe voert hij aan dat in dat besluit is verwezen naar een niet gedateerd verslag dat niet bij het besluit was gevoegd. Mede daardoor is onduidelijk op welke als bedrijfsmatig aangeduide voorzieningen de last betrekking heeft, aldus [appellant]. Uit de waarnemingen op 12 mei 2015 kan volgens hem dan ook niet worden afgeleid dat hij deze last heeft overtreden. Daar komt bij dat de voorzieningen die op die datum op zijn perceel zijn waargenomen door het college op onjuiste gronden als bedrijfsmatige voorzieningen en als professionele horeca-apparatuur zijn aangemerkt, nu deze ook voor huishoudelijk gebruik kunnen worden benut en worden benut. Verder betoogt [appellant] dat nu hij de bedrijfsactiviteiten heeft gestaakt en aanwezige voorzieningen buiten gebruik heeft gesteld, hij aan de essentie van de last heeft voldaan, zodat de enkele aanwezigheid van de gestelde bedrijfsmatige voorzieningen niet meer als overtreding van de last kan worden aangemerkt. Bovendien is niet komen vast te staan dat de aangetroffen voorzieningen dezelfde zijn die voorafgaand aan de last zijn aangetroffen, aldus [appellant].

3.1.    De bij het besluit van 30 maart 2015 opgelegde last houdt in dat de bedrijfsmatige activiteiten op het perceel vóór 1 mei 2015 moeten worden gestaakt en gestaakt gehouden, en alle bedrijfsmatige voorzieningen, daaronder begrepen de in het verslag van binnentreden beschreven horecavoorzieningen en voorraden, van het perceel moeten worden verwijderd en verwijderd moeten worden gehouden. Het besluit van 30 maart 2015 staat in rechte vast, zodat niet ter beoordeling staat of deze last voldoende duidelijk is.

    De Afdeling overweegt dat, wat er ook zij van de vraag welke voorzieningen wel en niet onder de in de last bedoelde bedrijfsmatige voorzieningen moeten worden begrepen, er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat de frituuroven in elk geval tot de bedoelde bedrijfsmatige voorzieningen behoort. De gestelde omstandigheid dat deze frituuroven tevens voor huishoudelijk gebruik kan worden benut, biedt geen grond voor een andere conclusie. Overigens blijkt ook uit de brief van het college van 1 april 2015, waarbij het besluit van 30 maart 2015 aan [appellant] is bekendgemaakt, dat het college de frituuroven tot de bedrijfsmatige voorzieningen rekent, nu het deze onder "feiten" als voorbeeld van de aangetroffen bedrijfsmatige voorzieningen heeft genoemd.

    Uit het verslag van de controle op 12 mei 2015 blijkt dat op die datum in de berging op het perceel wederom een frituuroven is aangetroffen. De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat reeds uit de aanwezigheid van deze frituuroven volgt dat de last is overtreden. Daaraan doet de omstandigheid dat de bedrijfsactiviteiten waren gestaakt en de voorzieningen en apparatuur, waaronder deze frituuroven, buiten gebruik waren gesteld en waren afgekoppeld niet af, nu het verwijderen en verwijderd houden van bedrijfsmatige voorzieningen een afzonderlijk onderdeel van de opgelegde last vormt. Anders dan [appellant] veronderstelt, is verder niet van belang of de aangetroffen frituuroven dezelfde is die voorafgaand aan de last op het perceel is aangetroffen. De opgelegde last strekt mede tot het verwijderd houden van alle bedrijfsmatige voorzieningen. Daarin ligt besloten dat ook het terugplaatsen van soortgelijke bedrijfsmatige voorzieningen als zijn verwijderd, een overtreding van de opgelegde last inhoudt.

    Het betoog faalt.

4.    Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat [appellant] de aan hem opgelegde last heeft overtreden, als gevolg waarvan hij een dwangsom van € 5.000,00 heeft verbeurd.

Geheel of gedeeltelijk afzien van invordering

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zich bijzondere omstandigheden voordoen, waarin het college aanleiding had moeten vinden om geheel of gedeeltelijk af te zien van de invordering van de verbeurde dwangsom. Daartoe voert hij aan dat aan de essentie van de last het staken en gestaakt houden van de bedrijfsactiviteiten vormde, en dat hij daaraan had voldaan. Volgens [appellant] kan hem, gelet op de algemene formulering in de last wat betreft de verwijdering van bedrijfsmatige voorzieningen, in verminderde mate worden verweten niet alle betreffende voorzieningen te hebben verwijderd. Verder komt volgens [appellant] betekenis toe aan de omstandigheid dat het college pas kort voor het verjaren van de bevoegdheid tot het invorderen van de dwangsom alsnog tot invordering is overgegaan.

5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1218), dient bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de Memorie van Toelichting bij artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

    De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ4924) overwogen dat de omstandigheid dat gedeeltelijk aan de last is voldaan door het staken van de bedrijfsactiviteiten en het buiten gebruik stellen en afkoppelen van de frituuroven en andere apparatuur, voor het college geen reden hoefde te vormen om het in te vorderen bedrag te matigen. Zoals de Afdeling hiervoor heeft overwogen, is het verwijderen en verwijderd houden van de bedrijfsmatige voorzieningen een onderdeel van de last. De last strekt er in zoverre toe om te voorkomen dat de bedrijfsactiviteiten, nadat deze zijn gestaakt, met behulp van de bedrijfsmatige voorzieningen weer snel en eenvoudig kunnen worden opgestart. Het college mocht dan ook belang hechten aan naleving van dit onderdeel van de last. Voorts kon [appellant], zoals de Afdeling eveneens hiervoor heeft overwogen, uit de brief van 1 april 2015 genoegzaam afleiden dat de frituuroven in elk geval tot de te verwijderen bedrijfsmatige voorzieningen behoorde, zodat hem in elk geval in zoverre kan worden verweten dat hij de last niet heeft nageleefd. De rechtbank heeft in de gestelde onduidelijkheid over de reikwijdte van de last dan ook terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college het in te vorderen bedrag had moeten matigen. Tot slot valt evenmin in te zien dat de omstandigheid dat de bevoegdheid tot invordering van de verbeurde dwangsom een jaar na 12 mei 2015 zou verjaren, bij het nemen van het besluit tot invordering op 3 maart 2016 aanleiding had moeten vormen voor matiging van de dwangsom.

    Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2017

457-727.