Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:347

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
201505591/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:4763, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 januari 2013 heeft de raad van de gemeente Velsen vrijstelling verleend voor het oprichten van vier woningen en zes parkeerplaatsen aan de Kweekerslaan te Santpoort-Noord.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet ruimtelijke ordening
Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/211
AR 2017/698

Uitspraak

201505591/1/A1.

Datum uitspraak: 8 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], mede handelend onder de naam [bedrijf], wonend te Santpoort-Noord, gemeente Velsen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 mei 2015 in zaak nr. 14/2240 in het geding tussen:

[appellant] en [bedrijf]

en

het college van burgemeester en wethouders van Velsen.

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2013 heeft de raad van de gemeente Velsen vrijstelling verleend voor het oprichten van vier woningen en zes parkeerplaatsen aan de Kweekerslaan te Santpoort-Noord (hierna: het perceel).

Bij besluit van 9 augustus 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van vier woningen met bijgebouwen en het realiseren van zes parkeerplaatsen op het perceel.

Bij besluit van 15 april 2014 heeft het college het door [appellant] en [bedrijf] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] en [bedrijf] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 april 2014 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben het college, [vergunninghouder] en het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2016, waar [appellant], de raad en het college, vertegenwoordigd door A. Braams en W. Dooijes, en [vergunninghouder] zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen heeft het college ter zitting een stuk in het geding gebracht.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend met het oog op het inwinnen van nadere schriftelijke inlichtingen. Het college van gedeputeerde staten heeft nadere stukken ingediend. Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant] en [vergunninghouder] daarop een reactie gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2016, waar [appellant], de raad en het college, vertegenwoordigd door A. Braams en W. Dooijes, alsmede [vergunninghouder] en [belanghebbende] zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van vier woningen met bijgebouwen. Drie woningen zullen een garage direct aan de woning hebben en één woning zal beschikken over een vrij liggende garage in een hoek van het perceel. Voorts voorziet het bouwplan aan de noordzijde van het perceel in zes parkeerplaatsen ten behoeve van de bewoners. Ten tijde van de aanvraag stond op het perceel een aantal opstallen waaronder garageboxen. De opstallen zullen voor zover dat nog niet is gebeurd worden gesloopt. Het bouwplan is in strijd met het ten tijde van belang ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Biezen" omdat het niet past binnen de op het perceel rustende bestemmingen "Autoboxen" en "Ruitersport". Om het bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft de raad bij besluit van 17 januari 2013 onder voorbehoud van het verkrijgen van een verklaring van geen bezwaar met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend voor het bouwplan. Op 11 juli 2013 heeft het college van gedeputeerde staten een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO afgegeven. Het college heeft bij besluit van 9 augustus 2013 bouwvergunning eerste fase verleend.

De rechtbank heeft overwogen dat het besluit van het college van 15 april 2014 berust op een gebrekkig onderzoek naar de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse, zodat het in zoverre niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank heeft om die reden het besluit vernietigd. De rechtbank heeft echter aanleiding gezien om de rechtsgevolgen in stand te laten omdat het college in beroep wel alsnog voldoende onderzoek heeft verricht, waardoor het besluit alsnog van een deugdelijke motivering is voorzien. Volgens de rechtbank heeft het college terecht bouwvergunning verleend.

[appellant] woont op het aangrenzende perceel [locatie]. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten omdat het besluit van 15 april 2014 om nog meer redenen had moeten worden vernietigd. Hij stelt dat de gevraagde vergunning niet had mogen worden verleend.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aanvraag moet worden getoetst aan de WRO en aan de Woningwet zoals deze golden op 30 juni 2008. Hij voert daartoe aan dat de aanvraag niet vóór 1 juli 2008 is ingediend zodat de aanvraag aan de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) moet worden getoetst en aan de Woningwet zoals die sinds 1 juli 2008 gold. Hij voert verder aan dat op de bouwaanvraag de datum 1 juli 2008 is ingevuld maar dat dit is doorgekrast en dat het college geen ontvangstbewijs heeft overhandigd. Hij voert in dit verband verder aan dat het college in diens verzoek om een verklaring van geen bezwaar heeft vermeld dat de aanvraag op 27 juni 2008 is ingediend terwijl het college in het hier aan de orde zijnde besluit uitgaat van 30 juni 2008.

2.1. Op 1 juli 2008 is de Wro in werking getreden en de WRO ingetrokken.

Artikel 9.1.10, eerste lid van de Invoeringswet Wro luidt: "Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip."

Het derde lid luidt: "Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een aanvraag om bouwvergunning en een besluit tot verlening daarvan in overeenstemming met een verleende vrijstelling als bedoeld in het eerste lid."

Artikel 46, derde lid, tweede volzin, van de Woningwet, luidde ten tijde van belang: "Het eerste lid is niet van toepassing, indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk, voor het bouwen waarvan slechts bouwvergunning kan worden verleend, nadat vrijstelling is verleend als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden."

2.2. De bouwaanvraag dient gelet op artikel 46, derde lid, tweede volzin van de Woningwet (oud) te worden geacht mede een verzoek om vrijstelling in te houden. De bouwaanvraag is op 30 juni 2008 ondertekend. [vergunninghouder] stelt dat de aanvraag op die dag is afgegeven bij de balie van de gemeente. Op de bouwaanvraag is aangegeven dat de aanvraag op 30 juni 2008 is ontvangen. Het college heeft bij brief van 7 juli 2008 aan [vergunninghouder] medegedeeld dat op 30 juni 2008 een aanvraag is ingediend. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat aannemelijk is dat de aanvraag op 30 juni 2008 is ontvangen. Het enkele feit dat onder het kopje datum van ontvangst de datum 1 juli 2008 is doorgehaald en is veranderd in 30 juni 2008 en dat het college in het verzoek heeft vermeld dat de datum van de aanvraag 27 juni 2008 is, maken dat gelet op de verklaring van [vergunninghouder] en de brief van het college van 7 juli 2008 niet anders. Nu de aanvraag dateert van 30 juni 2008 dient deze, gelet op artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wro, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen te worden getoetst aan de WRO en aan de Woningwet zoals deze op die datum golden.

Het betoog faalt.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college van gedeputeerde staten ten onrechte een verklaring van geen bezwaar heeft afgegeven. Daartoe voert hij aan dat het bouwplan in strijd is met het provinciale beleid "Ruimte voor ruimte regeling". Het college van gedeputeerde staten is er bij de beoordeling van de aanvraag ten onrechte van uitgegaan dat de bebouwde oppervlakte en het bouwvolume afnemen. De door het college in beroep overgelegde berekening kan volgens [appellant] niet tot een ander oordeel leiden nu onduidelijk is of het college van gedeputeerde staten bij de beoordeling van de aanvraag de beschikking heeft gehad over die berekening. Over die berekening merkt hij verder op dat ten onrechte bebouwing wordt meegerekend die in eigendom is van een tuincentrum en ook ten behoeve van dat tuincentrum wordt gebruikt en dat er geen rekening is gehouden met de hoogteverschillen. Hij voert verder aan dat de bestaande bebouwing nog steeds in gebruik is en dat de landschappelijke context niet wordt verbeterd nu de huizen slechts enkele meters vanaf de weg worden gerealiseerd. Er is volgens hem derhalve niet voldaan aan de eis dat de ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd.

3.1. Artikel 19, eerste lid, van de WRO, luidde ten tijde van belang: "De gemeenteraad kan, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. (…)"

Het provinciale beleid "Ruimte voor ruimte regeling" waarnaar [appellant] verwijst heeft tot doel de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied te verhogen. Om dit te bewerkstelligen wordt als tegenprestatie voor de sloop van storende gebouwen en functies in het landelijk gebied de mogelijkheid geboden te bouwen in het landelijk gebied, passend in de omgeving en onder bepaalde voorwaarden. Eén van die voorwaarden is dat sprake is van een aantoonbare en duurzame vermindering van bebouwing in vergelijking met de te slopen bebouwing. Het gaat daarbij om een vermindering van zowel oppervlakte als volume. Een andere voorwaarde is dat de ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd door naast de sanering van storende gebouwen en functies, de woningbouw ruimtelijk in te passen in de omgeving.

De Ruimte voor ruimte regeling is neergelegd in artikel 16 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (hierna: PRVS), zoals deze gold ten tijde van belang. De aanvraag is gelet op de verklaring van geen bezwaar en gelet op hetgeen ter zitting is verhandeld en de schriftelijke nadere toelichting van het college van gedeputeerde staten, getoetst aan artikel 16 van de PRVS. Mede aan de hand van dat artikel heeft het college van gedeputeerde staten beoordeeld of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Op grond van artikel 16, derde lid, van de PRVS is de Uitvoeringsregeling Ruimte voor Ruimte vastgesteld (hierna: de uitvoeringsregeling) waarin nadere regels zijn gesteld ten aanzien van de eisen waaraan een ruimte voor ruimte regeling moet voldoen. Bij de beoordeling van de vraag of aan artikel 16 van de PRVS is voldaan dient derhalve ook te worden bezien of aan de uitvoeringsregeling wordt voldaan. In deze zaak heeft dit tot gevolg gehad dat het college van gedeputeerde staten heeft beoordeeld of het project leidt tot vermindering van bebouwing in vergelijking met de te slopen bebouwing, de ruimtelijke kwaliteit met het project wordt verbeterd en of de bedrijfsvoering van de omringende agrarische bedrijven niet wordt beperkt door het project.

3.2. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 14 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:20 overweegt de Afdeling dat de bevoegdheid tot het stellen van algemene regels, zoals vervat in de PRVS, provinciale staten toekomt krachtens artikel 4.1 van de Wro. Deze bevoegdheid bestond echter nog niet onder de WRO. Bindende werking van de PRVS die dateert van vóór de inwerkingtreding van de Wro verdraagt zich niet met inhoud en systematiek van de WRO, op grond waarvan het college van gedeputeerde staten toezicht houdt op de naleving van het provinciaal beleid door middel van het zogeheten goedkeuringsvereiste en de verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO. Dit neemt niet weg dat de verordening moet worden aangemerkt als de neerslag van ruimtelijk provinciaal beleid, waarmee het college van gedeputeerde staten ten tijde van het besluit op bezwaar rekening diende te houden.

3.3. Het college van gedeputeerde staten heeft naar aanleiding van de aanvraag van het college besloten om een verklaring van geen bezwaar af te geven. Volgens het college van gedeputeerde staten wordt aan artikel 16 van de PRVS en de uitvoeringsregeling voldaan. Hoewel de PRVS en de uitvoeringsregeling geen bindende werking hebben, heeft het college van gedeputeerde staten bij de beantwoording van de vraag of het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening daaraan getoetst. Het heeft zich op het standpunt gesteld dat het project leidt tot vermindering van bebouwing als het gaat om de oppervlakte. Ten aanzien van het bouwvolume heeft het college van gedeputeerde staten zich op het standpunt gesteld dat hoewel er feitelijk geen afname plaatsvindt, het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijk ordening. Daarbij heeft het college van gedeputeerde staten in aanmerking genomen dat indien wordt gekeken naar de planologische mogelijkheden het project leidt tot een vermindering van het bouwvolume.

3.4. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid een verklaring van geen bezwaar heeft kunnen afgegeven. Anders dan [appellant] stelt, beschikte het college van gedeputeerde staten over de door het college in beroep overgelegde berekening. Die berekening is aan het verzoek van het college ten grondslag gelegd en het college van gedeputeerde staten heeft op basis daarvan de verklaring van geen bezwaar afgegeven. Bij de berekening mocht het college, anders dan [appellant] stelt, de bebouwing betrekken die op het perceel van het tuincentrum stond, ook al was deze ten tijde van belang al gesloopt. De Afdeling overweegt in dit verband dat de "Ruimte voor ruimte regeling" daaraan niet in de weg staat nu in PRVS en de uitvoeringsregeling geen bepaling is opgenomen waarin wordt bepaald dat de bouwwerken op dezelfde percelen moeten staan en niet al gesloopt mogen zijn voorafgaand het verlenen van de vrijstelling. In dit verband acht de Afdeling voorts van belang dat het college ter zitting heeft toegelicht dat ingevolge het bestemmingsplan geen bouwwerken op het deel van het perceel van het tuincentrum waar [appellant] op doelt zijn toegestaan waardoor is gewaarborgd dat op dat deel van het perceel geen nieuwe gebouwen worden gerealiseerd. Nu er in zoverre geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de berekening van het college, is het college van gedeputeerde staten daar terecht van uitgegaan. Volgens de overgelegde berekening wordt 463 m² aan bebouwing gesloopt. Het bouwplan voorziet in 358 m² aan bebouwing zodat er meer vierkante meters bebouwing worden gesloopt dan gebouwd. Gelet hierop wordt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, in zoverre aan het provinciale beleid voldaan. Bij de berekening van het bouwvolume hoefde het college, anders dan [appellant] stelt, geen rekening te houden met het hoogteverschil, omdat dat in het kader van de "Ruimte voor ruimte regeling" geen rol speelt. Hoewel het bouwvolume niet afneemt, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijk ordening. Daarbij heeft het college van gedeputeerde staten in aanmerking kunnen nemen dat indien wordt gekeken naar de planologische mogelijkheden het project leidt tot een vermindering van het bouwvolume. Het enkele feit dat als gesteld de bestaande bebouwing nog steeds in gebruik is en dat de huizen als gesteld dicht langs de weg worden gerealiseerd, maakt niet dat de ruimtelijke kwaliteit van het gebied niet wordt verbeterd. Daartoe overweegt de Afdeling dat het college van gedeputeerde staten zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voorziet in woningen die passend zijn bij het straatbeeld waardoor de ruimtelijke kwaliteit van het gebied wordt verbeterd. Ten aanzien van de bedrijfsvoering van [appellant] overweegt de Afdeling dat het college van gedeputeerde staten zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken dat [appellant] daarin wordt belemmerd.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte bouwvergunning heeft verleend omdat het bouwplan niet duidelijk is. Zoals het college ter zitting heeft verklaard betreft het hier een bouwvergunning eerste fase. Het bouwplan behoeft nog niet alle aspecten in detail te bepalen nu bepaalde aspecten pas bij de verlening van de vergunning tweede fase aan de orde komen. Voldoende is dat het college op basis van de aanvraag kan toetsen aan het in artikel 44, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet (oud)neergelegde toetsingskader. Niet is gebleken dat het college daarvoor onvoldoende gegevens had.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat de raad in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen, niet heeft onderkend dat hij als gevolg van het bouwplan wateroverlast zal ondervinden. Daartoe voert hij aan dat door ophoging van het perceel druk zal worden uitgeoefend op het grondwater waardoor de grondwaterstand in de directe omgeving zal stijgen.

5.1. Over de vrees voor wateroverlast heeft de rechtbank terecht overwogen dat de raad onder verwijzing naar het nader uitgevoerde onderzoek en de brief van het Hoogheemraadschap van 29 oktober 2014 alsnog voldoende heeft gemotiveerd dat door het bouwplan en de voorgestelde wijze van afvoer geen toename van risico’s op grondwateroverlast in de omgeving zal plaatsvinden. Volgens dat onderzoek moet de wijze van afvoer van het hemel-, drainage- en vuilwater op het perceel worden gewijzigd. Door de aanleg van een keerwand en drainage alsmede de aansluiting van de hemelwaterafvoer op het riool in de Kweekerslaan zullen het perceel en de daaromheen liggende percelen beter worden ontwaterd. De grondwaterhuishouding van de woningen langs de Hagelingerweg zal worden verbeterd, aldus het onderzoek. De raad heeft naar aanleiding van het nader onderzoek besloten om de wijze van afvoer van het hemel-, drainage- en vuilwater van het perceel te wijzigen. Het Hoogheemraadschap heeft in zijn brief bevestigd dat de overeengekomen wijze van afvoer geen risico oplevert voor toename van grondwateroverlast in de omgeving. [appellant] heeft het voorgaande niet gemotiveerd weerlegd zodat de rechtbank terecht van de juistheid van het onderzoek en de brief van het Hoogheemraadschap is uitgegaan.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de raad niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen zonder een ontheffing van het college van gedeputeerde staten op grond van de Provinciale Milieuverordening van de provincie Noord-Holland (hierna: PMV). Daartoe voert hij aan dat het perceel waarop het bouwplan wordt gerealiseerd een aardkundig monument is. Het ophogen van het perceel zoals hier aan de orde en het heien op het perceel niet zijn toegestaan.

6.1. De vraag of voor de uitvoering van het bouwplan ontheffing is vereist op grond van de PMV, en zo ja, of deze kan worden verleend, komt aan de orde in een eventuele procedure op grond van de PMV. Dit doet er niet aan af dat de raad geen vrijstelling voor het bouwplan had mogen verlenen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten onderkennen dat de PMV aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat. Daarvan is in dit geval echter niet gebleken.

Niet aannemelijk is geworden dat de raad had moeten onderkennen dat de PMV aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat. Ter zitting heeft het college toegelicht dat er geen ontheffing is vereist omdat er niet wordt geheid. Voor de ophoging is volgens het college geen ontheffing vereist.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de raad niet in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen nu hij daardoor onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Door realisering van het bouwplan zal er volgens hem zicht op zijn woning ontstaan waardoor zijn privacy wordt geschaad. Hij voert verder aan dat hij als gevolg van het bouwplan geluidoverlast zal ondervinden door weerkaatsing van het verkeerslawaai van de nabijgelegen rotonde en het drukke verkeer.

7.1. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over zijn belangen ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank daarin aanleiding had moeten zien voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen. Daartoe heeft de rechtbank terecht overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aantasting van de privacy van [appellant] gelet op de ligging en afstand tot de omringende bebouwing niet zodanig van aard is dat de raad om die reden niet in redelijkheid vrijstelling kon verlenen. Daarbij heeft de raad mede in aanmerking kunnen nemen dat er weliswaar zicht mogelijk is vanuit de te realiseren woningen op het perceel van [appellant] maar dat er slechts een beperkt aantal woningen wordt gerealiseerd. Ten aanzien van de gestelde overlast overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er gelet op de situering van de woningen ten opzichte van elkaar en de ligging van de wegen geen sprake zal zijn van een zodanige toename van geluidshinder tegen de gevel van de woning van [appellant] als gevolg van het bouwplan dat om die reden geen vrijstelling zou kunnen worden verleend. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een aanzienlijke toename van geluidshinder zal zijn als gevolg van het bouwplan. De door [appellant] gestelde geluidsoverlast wordt voornamelijk veroorzaakt door het reeds bestaande verkeer.

Het betoog faalt.

8. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte bouwvergunning heeft verleend omdat het bouwplan de in het bestemmingsplan opgenomen rooilijn overschrijdt. De raad heeft onderkend dat in strijd met de bebouwingsvoorschriften uit het bestemmingsplan wordt gehandeld en voor die afwijking heeft de raad vrijstelling verleend. Gelet op de verleende vrijstelling kon het college de bouwvergunning niet wegens strijd met het bestemmingsplan weigeren.

9. [appellant] betoogt tenslotte tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college niet in strijd met het verbod van willekeur handelt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] geen verzoek om vrijstelling dan wel aanvraag om bouwvergunning heeft ingediend voor het realiseren van een vergelijkbaar bouwplan.

10. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Kranenburg

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2017

270-712.