Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:345

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
201606281/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:5404, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2015 heeft de CSG aan [appellante] een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: het schadefonds) van € 3.572,00 uitgekeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201606281/1/A2.

Datum uitspraak: 8 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2016 in zaak nr. 15/5872 in het geding tussen:

[appellante]

en

de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de CSG).

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2015 heeft de CSG aan [appellante] een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: het schadefonds) van € 3.572,00 uitgekeerd.

Bij besluit van 7 augustus 2015 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en aan haar een aanvullende uitkering uit het schadefonds van € 1.298,00 uitgekeerd.

Bij uitspraak van 15 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De CSG heeft gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid een schriftelijke uiteenzetting te geven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P. van Baaren, advocaat te Rotterdam, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. A.S.R. Bisesser-Chigharoe, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 8 november 2013 heeft [appellante] bij de CSG een aanvraag ingediend om een uitkering uit het schadefonds. Zij heeft in het aanvraagformulier vermeld dat [appellante] op 3 oktober 2013 slachtoffer is geworden van verkrachting door een buurman en ten gevolge daarvan lichamelijk en psychisch letsel heeft opgelopen.

2. Aan het besluit van 30 maart 2015 heeft de CSG onder meer ten grondslag gelegd dat het door [appellante] geleden psychisch letsel past in letselcategorie 4 van de zogenoemde Letsellijst, zoals deze luidde ten tijde van de aanvraag, en dat daarvoor een uitkering voor immateriële schade van € 3.500,00 wordt uitgekeerd. In hoger beroep is slechts in geschil of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de CSG zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellante] niet in aanmerking komt voor een hogere uitkering voor immateriële schade.

3. Bij aan de rechtbank gerichte brief van 2 maart 2016 heeft [appellante] een verklaring van [gezondheidszorgpsycholoog] van 11 september 2015 overgelegd. Daarin is vermeld dat na psychologisch onderzoek de angststoornis NAO (niet anders omschreven) bij [appellante] is vastgesteld. Naar aanleiding hiervan heeft de CSG advies gevraagd aan de medisch adviseur. In een advies van 4 maart 2016 heeft de medisch adviseur uiteengezet dat in de verklaring van 11 september 2015 geen melding is gemaakt van een posttraumatische stressstoornis als gevolg van het geweldsmisdrijf en dat de behandeling van gemiddelde duur is geweest. Volgens de medisch adviseur is de inhoud van de verklaring van 11 september 2015 geen reden [appellante] een uitkering in een hogere letselcategorie dan letselcategorie 4 toe te kennen.

aangevallen uitspraak

4. De rechtbank heeft overwogen dat de CSG met het advies van de medisch adviseur voldoende heeft gemotiveerd dat het door [appellante] geleden psychisch letsel past in letselcategorie 4. [appellante] heeft geen gegevens overgelegd op grond waarvan getwijfeld kan worden aan de juistheid van het medisch advies. Zij heeft voorts niet onderbouwd dat zij op grond van de door de gezondheidspsycholoog gestelde diagnose onder een hogere letselcategorie valt.

Naar aanleiding van vragen van de rechtbank heeft de CSG voldoende gemotiveerd waarom zij wel naar leeftijd differentieert bij het vaststellen van het geweldsaspect en niet bij het vooronderstellen van psychisch letsel en het beoordelen van de ernst daarvan op basis van de toedracht van het geweldsmisdrijf. De CSG heeft in dit kader verwezen naar de zogenoemde Beleidsbundel. Daarin is uiteengezet dat bij de beoordeling van het letsel geen onderscheid tussen volwassenen en minderjarigen wordt gemaakt. [appellante] heeft aangevoerd dat de CSG in bepaalde gevallen wel differentieert naar leeftijd voor het aannemen van ernstig psychisch letsel. Zij heeft daartoe gesteld dat een minderjarige die getuige van stelselmatig huiselijk geweld is, wordt verondersteld ernstig psychisch letsel op te lopen, terwijl bij een achttienjarige die getuige van stelselmatig huiselijk geweld is, geen ernstig psychisch letsel wordt verondersteld. De rechtbank heeft vastgesteld dat het door [appellante] bedoelde onderscheid niet wordt gemaakt in de Letsellijst. Aan het door [appellante] genoemde voorbeeld komt daarom niet de betekenis toe die zij daaraan gehecht wil zien.

De rechtbank acht het beleid van de CSG niet kennelijk onredelijk of anderszins onjuist. Niet is gebleken van aanknopingspunten voor het oordeel dat de CSG op voorhand moet aannemen dat leeftijd zonder meer van invloed is op de ernst van het letsel. Wanneer psychisch letsel vanwege de leeftijd van een minderjarige ten tijde van het geweldsmisdrijf ernstiger is dan aanvankelijk is aangenomen, kan dit, aan de hand van objectieve medische informatie, alsnog worden onderbouwd.

Ten slotte is niet gebleken van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan afwijken van het beleid genoodzaakt is, aldus de rechtbank.

hogerberoepsgronden

5. [appellante] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank. Zij stelt zich op het standpunt dat een uitkering voor immateriële schade van € 3.500,00 niet in verhouding tot haar letsel staat, dat zij onder een hogere letselcategorie dan letselcategorie 4 valt, dat haar jeugdige leeftijd een verzwarende omstandigheid is en dat ten onrechte geen rekening met haar jeugdige leeftijd is gehouden.

Ter toelichting hiervan heeft [appellante] in het hogerberoepschrift aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de CSG met het medisch advies van 4 maart 2016 voldoende heeft gemotiveerd dat zij onder letselcategorie 4 valt. Volgens [appellante] wordt bij een diagnose van een posttraumatische stressstoornis een uitkering in een hogere letselcategorie toegekend. Niet valt in te zien waarom dat niet evenzeer gebeurt bij een diagnose van een angststoornis NAO. Verder heeft de medisch adviseur ten onrechte geen nader onderzoek naar de gevolgen van het misdrijf gedaan.

Voorts heeft zij in het hogerberoepschrift aangevoerd dat de CSG niet voldoende heeft gemotiveerd waarom geen onderscheid naar leeftijd wordt gemaakt bij het vooronderstellen van psychisch letsel en het beoordelen van de ernst van dat letsel op basis van de toedracht van een zedenmisdrijf. Het door de CSG gevoerde beleid, waarbij de leeftijd van een slachtoffer van een zedenmisdrijf geen rol speelt, is volgens haar kennelijk onredelijk en onjuist.

Ter zitting van de Afdeling heeft zij aangevoerd dat de Letsellijst op 15 oktober 2014 is gewijzigd, dat sindsdien voor psychisch letsel in letselcategorie 4 (thans letselcategorie 3) € 5.000,00 wordt toegekend en dat zij derhalve een hogere uitkering had ontvangen, indien zij haar aanvraag op of na 15 oktober 2014 had ingediend. Volgens haar dient het meest gunstige beleid te worden toegepast.

beoordeling van de hogerberoepsgronden

5.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven kunnen uit het schadefonds uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.

5.2. Bij het beoordelen van een aanvraag om een uitkering uit het schadefonds hanteert de CSG beleid. Dit beleid is neergelegd in de Beleidsbundel en de Letsellijst en te raadplegen op de website van de CSG (www.schadefonds.nl).

5.3. Volgens paragraaf 4.6.1 van de Beleidsbundel van 15 oktober 2014 geldt het in deze beleidsbundel geformuleerde beleid vanaf de datum van publicatie van deze beleidsbundel en is het van toepassing op alle primaire aanvragen die op of na deze datum worden ingediend. Op een primaire aanvraag die vóór de datum van publicatie van deze beleidsbundel is ingediend, maar waarop nog geen beslissing is genomen op het moment van publicatie van deze beleidsbundel, is het beleid van toepassing dat gold ten tijde van het indienen van de aanvraag, tenzij uitdrukkelijk wordt verzocht om toepassing van het in deze beleidsbundel geformuleerde beleid.

5.4. Niet in geschil is dat [appellante] voorafgaand aan het besluit van 30 maart 2015 niet heeft verzocht om toepassing van het nieuwe beleid. De CSG heeft zich ter zitting van de Afdeling op het standpunt gesteld dat dit met zich brengt dat het oude beleid op de aanvraag van toepassing was. [appellante] heeft dit niet bestreden. In het betoog is derhalve geen grond te vinden voor het oordeel dat de CSG ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het ten tijde van de aanvraag gevoerde beleid van 6 november 2013.

5.5. Volgens paragraaf 1.2 van de Beleidsbundel van 6 november 2013 wordt de ernst van het letsel bepaald aan de hand van de aard en de gevolgen van het letsel. Letsel is ernstig als het langdurige of blijvende ernstige medische gevolgen heeft. Bij de beoordeling van het letsel wordt geen onderscheid gemaakt tussen volwassenen en minderjarigen.

Volgens paragraaf 1.2.5 kan de CSG ten aanzien van psychisch letsel bij verschillende geweldsmisdrijven zonder beoordeling van medische informatie ernstig psychisch letsel vooronderstellen. Dit doet de CSG op basis van de toedracht van het geweldsmisdrijf. Bij onder meer een zedenmisdrijf kan de CSG ernstig psychisch letsel vooronderstellen. Of de CSG ernstig psychisch letsel vooronderstelt, bepaalt zij op basis van de omstandigheden van het geval.

Volgens paragraaf 2.3 wordt onder immateriële schade verstaan het verlies van of de (tijdelijke) vermindering van levensvreugde. De hoogte van de immateriële schade wordt vooral bepaald aan de hand van de aard en de ernst van het letsel. Daarnaast worden ook de overige omstandigheden van het geval meegewogen. De aard en ernst van het letsel kunnen blijken uit de medische informatie die bij de aanvraag is gevoegd. Als de aard en ernst van het letsel niet duidelijk zijn, kan de medisch adviseur van het schadefonds worden geraadpleegd.

Volgens paragraaf 2.31 bedraagt een uitkering voor immateriële schade minimaal € 1.000,00 en maximaal € 10.000,00. De hoogte van de uitkering voor immateriële schade geeft de ernst van het geval in vergelijking met andere gevallen weer. Hierbij is het uitgangspunt dat een slachtoffer met ernstig letsel van de lichtste categorie € 1.000,00 uitgekeerd krijgt en een slachtoffer die grotendeels of volledig blijvend invalide is geworden € 10.000,00. De hoogte van de uitkeringen voor immateriële schade uit het schadefonds kan niet worden vergeleken met de bedragen die in het civiele recht worden toegekend.

Volgens de Letsellijst van 6 november 2013 hanteert de CSG acht categorieën van psychisch letsel, waaraan acht oplopende bedragen zijn gekoppeld. Op basis van de aard en ernst van het opgelopen letsel bepaalt de CSG in eerste instantie welke letselcategorie van toepassing is. Het bijbehorende bedrag is dan de uitkering voor immateriële schade. Hiervoor geldt: hoe ernstiger het letsel, hoe hoger het bedrag van de uitkering voor immateriële schade.

Voor de beoordeling van psychisch letsel heeft de CSG medische informatie nodig. Het is daarom belangrijk dat een diagnose is gesteld door een hulpverlener. Deze hulpverlener kan met toestemming van het slachtoffer medische informatie over het psychisch letsel aan de CSG geven. Aan de hand van deze informatie bepaalt de CSG of het opgelopen psychisch letsel ernstig is en welke letselcategorie hierbij past.

De lijst geeft een indicatie bij welke geweldsmisdrijven de CSG zonder beoordeling van medische informatie ernstig psychisch letsel kan vooronderstellen en welke letselcategorie daarbij hoort. Of de CSG ernstig psychisch letsel vooronderstelt en welke letselcategorie zij hierbij vindt passen, bepaalt zij op basis van de omstandigheden van het geval.

Tot letselcategorie 4 behoort psychisch letsel door een zedenmisdrijf met seksueel binnendringen, bijvoorbeeld met enig fysiek geweld, ernstiger seksueel geweld of gedurende korte periode meerdere keren gebeurd. Tot letselcategorie 5 behoort psychisch letsel door een zedenmisdrijf met seksueel binnendringen, naar de aard (en gevolgen) ernstiger dan letselcategorie 4, bijvoorbeeld met fysiek geweld, ernstiger seksueel geweld, ernstiger seksueel geweld of gedurende langere periode of hogere frequentie. Tot letselcategorie 6 behoort psychisch letsel door een zedenmisdrijf met seksueel binnendringen, onder verzwarende omstandigheden, bijvoorbeeld met grof fysiek geweld, ernstig seksueel geweld, gedurende zeer lange periode of zeer hoge frequentie, bij overval in woning of aantoonbare besmetting met seksueel overdraagbare aandoening. Tot letselcategorie 7 behoort psychisch letsel door een zedenmisdrijf met seksueel binnendringen, onder zeer ernstige omstandigheden, met zwaar lichamelijk letsel.

5.6. Psychisch letsel als gevolg van een zedenmisdrijf met seksueel binnendringen behoort tot letselcategorie 4 van de Letsellijst. In het advies van de medisch adviseur van 4 maart 2016 is inzicht gegeven in de feiten en omstandigheden die tot de conclusie leiden dat de verklaring van de gezondheidspsycholoog van 11 september 2015 geen reden is [appellante] een uitkering in een hogere letselcategorie toe te kennen. Die conclusie is niet onbegrijpelijk. Uit het betoog blijkt niet van een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. [appellante] heeft niet met een verklaring van een deskundige aannemelijk gemaakt dat, anders dan uit het advies van de medisch adviseur volgt, het zedenmisdrijf onder letselcategorie 5 valt. Zij kan voorts niet worden gevolgd in het standpunt dat ten onrechte geen nader onderzoek door de medisch adviseur heeft plaatsgevonden. [appellante] draagt immers de bewijslast voor haar stelling dat het zedenmisdrijf, gelet op de aard en de gevolgen ervan, niet onder letselcategorie 4 valt, maar onder letselcategorie 5. Daarvan uitgaande, was het niet aan de CSG om [appellante] tegemoet te komen in de voldoening aan deze bewijslast, door onderzoek naar de aard en ernst van het letsel te laten verrichten.

5.7. In paragraaf 1.2 van de Beleidsbundel is uitdrukkelijk vermeld dat bij de beoordeling van de ernst van het letsel geen onderscheid wordt gemaakt tussen volwassenen en minderjarigen. In het betoog is geen grond te vinden voor het oordeel dat deze beleidsregel onredelijk of onjuist is. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de leeftijd van het slachtoffer zonder meer invloed heeft op de ernst van het letsel. Daarnaast heeft de Letsellijst een indicatief karakter. De CSG bepaalt de letselcategorie op basis van de omstandigheden van het geval. Indien met medische informatie aannemelijk wordt gemaakt dat het misdrijf tot ernstiger gevolgen heeft geleid dan op grond van de standaarden over de toedracht van het geweldsmisdrijf was te verwachten, kan een uitkering in een hogere letselcategorie worden toegekend.

5.8. Het betoog faalt.

conclusie

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Hazen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2017

452.