Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3428

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
201609191/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:7120, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 24 juni 2015 heeft het college [appellant sub 2] en [appellante sub 1] onder aanzegging van bestuursdwang gelast om het niet-agrarische bedrijfsmatige gebruik van het perceel aan de [locatie] te Lunteren (hierna: het perceel) te (laten) beëindigen door geen (delen van) bedrijfsvoertuigen, dan wel transportvoertuigen meer (kortdurend) te (laten) parkeren op het perceel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609191/1/A1.

Datum uitspraak: 13 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellante sub 1], gevestigd te Lunteren, gemeente Ede,

2.    [appellant sub 2], wonend te Lunteren, gemeente Ede,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 oktober 2016 in zaken nrs. 15/7436 en 15/7438 in het geding tussen:

[appellante sub 1]

[appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 24 juni 2015 heeft het college [appellant sub 2] en [appellante sub 1] onder aanzegging van bestuursdwang gelast om het niet-agrarische bedrijfsmatige gebruik van het perceel aan de [locatie] te Lunteren (hierna: het perceel) te (laten) beëindigen door geen (delen van) bedrijfsvoertuigen, dan wel transportvoertuigen meer (kortdurend) te (laten) parkeren op het perceel.

Bij afzonderlijke besluiten van 3 november 2015 heeft het college de door [appellant sub 2] en [appellante sub 1] daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard wat betreft de motivering ervan en deze aangevuld en voor het overige ongegrond verklaard en de besluiten van 24 juni 2015 gehandhaafd.

Bij uitspraak van 4 oktober 2016 heeft de rechtbank de door [appellant sub 2] en [appellante sub 1] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 2] en [appellante sub 1] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2017, waar [appellant sub 2], mede als vertegenwoordiger van [appellante sub 1], en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Bongers en mr. S. Bougarfa, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: "De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken."

    Artikel 6:8, eerste lid, luidt: "De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt."

    Artikel 6:11 luidt: "Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest."

    Artikel 6:24 luidt: "Deze afdeling is met uitzondering van artikel 6:12 van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie kan worden ingesteld."

    Artikel 8:79, eerste lid, luidde ten tijde van belang: "Binnen twee weken na de dagtekening van de uitspraak zendt de griffier kosteloos een afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak aan partijen."

2.    De hogerberoepschriften zijn per faxbericht op 6 december 2016 verzonden en bij de Afdeling ingekomen op dezelfde datum. [appellant sub 2] en [appellante sub 1] stellen zich op het standpunt dat hun hogerberoepschriften tijdig zijn ingediend, omdat zij eerst van het bestaan van de aangevallen uitspraak op de hoogte zijn geraakt tijdens een gesprek met een raadslid van de gemeente Ede op 5 december 2016, waarin is verzocht om vanwege ontwikkelingen in hun zaken een afspraak te maken met de betrokken wethouder. [appellant sub 2] en [appellante sub 1] stellen dat zij de aangevallen uitspraak voor deze datum niet hebben ontvangen.

    [appellant sub 2] en [appellante sub 1] verwijzen naar een brief van de rechtbank van 23 januari 2017, waarin de rechtbank reageert op het verzoek van [appellant sub 2] om aan te geven wanneer hij de uitspraak van de rechtbank zou moeten hebben ontvangen. In die brief is vermeld dat een uitspraak met een verzendbrief aangetekend wordt verzonden aan partijen en dat dit ook in zijn geval is gebeurd met de uitspraken in zaaknummers 15/7436, 15/7437 en 15/7438, namelijk op 4 oktober 2016. De drie uitspraken zijn verstuurd in één envelop en een kopie van de verzendbrieven is bijgevoegd, aldus de brief. In de brief is verder vermeld dat op de verzendbrief een code staat, die inmiddels niet meer actief is, maar wellicht via de klantenservice van PostLNL nog is te achterhalen. Verder is daarin vermeld dat het poststuk niet retour is ontvangen en dat de rechtbank geen melding krijgt wanneer het poststuk is ontvangen.

2.1.     In de hier aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de zaken met nummers 15/7436 en 15/7438 behandeld. Uit een kopie van de door [appellant sub 2] toegestuurde verzendbrief van 4 oktober 2016 met als kenmerk zaaknummer 15/7436 volgt dat deze brief is geadresseerd aan de gemachtigde van [appellant sub 2] en [appellante sub 1] en is voorzien van diens postadres. Voorts is de verzendbrief voorzien van een barcode, hetgeen er op duidt dat het poststuk aangetekend is verzonden, hetgeen ook staat vermeld bovenaan de brief. Naar het oordeel van de Afdeling dient er onder deze omstandigheden van uit te worden gegaan dat de aangevallen uitspraak op 4 oktober 2016 aan de gemachtigde [appellant sub 2] en [appellante sub 1] is verzonden. Uit het voorgaande volgt dat de termijn voor het instellen van hoger beroep is aangevangen op 5 oktober 2016 en is geëindigd op 15 november 2016. De hogerberoepschriften zijn derhalve niet tijdig ingediend.

    Beoordeeld dient te worden of de te late indiening van de  hogerberoepschriften verschoonbaar is, als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. In dat kader dient te worden onderzocht of voormeld poststuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de gemachtigde van [appellant sub 2] en [appellante sub 1] is aangeboden. In dat verband is van belang dat de rechtbank heeft vermeld dat het poststuk niet retour is gekomen. Dat de rechtbank geen melding krijgt van PostNL dat een poststuk is ontvangen, laat onverlet dat aannemelijk is dat het poststuk op regelmatige wijze is aangeboden. De stelling van [appellant sub 2] en [appellante sub 1] dat zij eerst op 5 december 2016, tijdens een gesprek met een raadslid op de hoogte zijn geraakt van de aangevallen uitspraak, acht de Afdeling niet aannemelijk. Het college heeft ter zitting onweersproken gesteld dat er op 5 december 2016 geen ontwikkelingen waren in hun zaken en dat eerst op 19 december 2016 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen [appellant sub 2], de betrokken wethouder en een raadslid. Bovendien hebben [appellant sub 2] en [appellante sub 1] hun stelling niet met bewijzen gestaafd. Dat, als gesteld door [appellant sub 2] en [appellante sub 1], de barcode niet meer via de website van PostNL is te achterhalen en evenmin door de medewerker van de klantenservice van PostNL, terwijl dat wel mogelijk zou moeten zijn bij barcodes van jonger dan een jaar, doet aan het voorgaande niet af. Die omstandigheden sluiten niet uit dat het poststuk op een eerder moment met de barcode via de website van PostNL te volgen is geweest.

    Nu de hogerberoepschriften te laat zijn ingediend en niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellant sub 2] en [appellante sub 1] in verzuim zijn geweest, komt de Afdeling niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van hetgeen [appellant sub 2] en [appellante sub 1] in hoger beroep hebben aangevoerd.

3.     De hoger beroepen zijn niet-ontvankelijk.    

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de hoger beroepen niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen

lid van de enkelvoudige kamer    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2017

531-757.