Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3427

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
201609190/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2015 heeft het college [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast om voor 1 september 2015 de bovengrondse (diesel)opslagtank en wasinstallatie op het perceel [locatie] te Lunteren geheel te (laten) verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609190/1/A1.

Datum uitspraak: 13 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Lunteren, gemeente Ede,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 oktober 2016 in zaak nr. 15/7437 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2015 heeft het college [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast om voor 1 september 2015 de bovengrondse (diesel)opslagtank en wasinstallatie op het perceel [locatie] te Lunteren geheel te (laten) verwijderen.

Bij besluit van 3 november 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar wat betreft de motivering gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard, de motivering aangevuld en het besluit van 10 juli 2015 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 4 oktober 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2017, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Bongers en mr. S. Bougarfa, zijn verschenen.

    Overwegingen

1.    Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: "De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken."

    Artikel 6:8, eerste lid, luidt: "De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt."

    Artikel 6:11 luidt: "Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest."

    Artikel 6:24 luidt: "Deze afdeling is met uitzondering van artikel 6:12 van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie kan worden ingesteld."

    Artikel 8:79, eerste lid, luidde ten tijde van belang: "Binnen twee weken na de dagtekening van de uitspraak zendt de griffier kosteloos een afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak aan partijen."

2.    Het hogerberoepschrift is per faxbericht op 6 december 2016 verzonden en bij de Afdeling ingekomen op dezelfde datum. [appellant] stelt zich op het standpunt dat het hogerberoepschrift tijdig is ingediend, omdat hij eerst van het bestaan van de aangevallen uitspraak op de hoogte is geraakt tijdens een gesprek met een raadslid van de gemeente Ede op 5 december 2016, waarin hem is verzocht om vanwege ontwikkelingen in zijn zaak een afspraak te maken met de betrokken wethouder. [appellant] stelt dat hij de aangevallen uitspraak voor deze datum niet heeft ontvangen.

    [appellant] verwijst naar een brief van de rechtbank van 23 januari 2017, waarin de rechtbank reageert op zijn verzoek om aan te geven wanneer hij de uitspraak van de rechtbank zou moeten hebben ontvangen. In die brief is vermeld dat een uitspraak met een verzendbrief aangetekend wordt verzonden aan partijen en dat dit ook in zijn geval is gebeurd met de uitspraken in zaaknummers 15/7436, 15/7437 en 15/7438, namelijk op 4 oktober 2016. De drie uitspraken zijn verstuurd in één envelop en een kopie van de verzendbrieven is bijgevoegd, aldus de brief. In de brief is verder vermeld dat op de verzendbrief een code staat, die inmiddels niet meer actief is, maar wellicht via de klantenservice van PostLNL nog is te achterhalen. Verder is daarin vermeld dat het poststuk niet retour is ontvangen en dat de rechtbank geen melding krijgt wanneer het poststuk is ontvangen. [appellant] heeft voorts een kopie van een verzendbrief van de rechtbank van 4 oktober 2016, die als kenmerk zaaknummer 15/7436 heeft, bijgevoegd.

2.1.     Uit voormelde kopie van de verzendbrief van 4 oktober 2016 volgt dat deze brief is geadresseerd aan de gemachtigde van [appellant] en is voorzien van diens postadres. Voorts is de brief voorzien van een barcode, hetgeen er op duidt dat het poststuk aangetekend is verzonden, hetgeen ook staat vermeld bovenaan de brief. Naar het oordeel van de Afdeling dient er onder deze omstandigheden van uit te worden gegaan dat de aangevallen uitspraak op 4 oktober 2016 aan de gemachtigde van [appellant] is verzonden. Weliswaar heeft de verzendbrief als kenmerk het zaaknummer 15/7436 en is het zaaknummer van de aangevallen uitspraak 15/7437, maar naar het oordeel van de Afdeling kan ervan worden uitgegaan dat met deze verzendbrief ook de aangevallen uitspraak is verzonden, nu volgens de rechtbank de uitspraken in één envelop zijn verzonden. Uit het voorgaande volgt dat de termijn voor het instellen van hoger beroep is aangevangen op 5 oktober 2016 en is geëindigd op 15 november 2016. Het hogerberoepschrift is derhalve niet tijdig ingediend.

    Beoordeeld dient te worden of de te late indiening van het hogerberoepschrift verschoonbaar is, als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. In dat kader dient te worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de gemachtigde van [appellant] is aangeboden. In dat verband is van belang dat de rechtbank heeft vermeld dat het poststuk niet retour is gekomen. Dat de rechtbank geen melding krijgt van PostNL dat een poststuk is ontvangen, laat onverlet dat aannemelijk is dat het poststuk op regelmatige wijze is aangeboden. De stelling van [appellant], dat hij eerst op 5 december 2016 tijdens een gesprek met een raadslid op de hoogte is geraakt van de aangevallen uitspraak, acht de Afdeling niet aannemelijk. Het college heeft ter zitting onweersproken gesteld dat er op 5 december 2016 geen ontwikkelingen waren in deze zaak en dat eerst op 19 december 2016 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen [appellant], de betrokken wethouder en een raadslid. Bovendien heeft [appellant] zijn stelling niet met bewijzen gestaafd. Dat, als gesteld door [appellant], de barcode niet meer via de website van PostNL is te achterhalen en evenmin door de medewerker van de klantenservice van PostNL, terwijl dat wel mogelijk zou moeten zijn bij barcodes van jonger dan een jaar, doet aan het voorgaande niet af. Die omstandigheden sluiten niet uit dat het poststuk op een eerder moment met de barcode via de website van PostNL te volgen is geweest.

    Nu het hogerberoepschrift te laat is ingediend en niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellant] in verzuim is geweest, komt de Afdeling niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van hetgeen [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd.

3.     Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.    

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen

lid van de enkelvoudige kamer    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2017

531-757.