Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3426

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
201608972/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:5515, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 januari 2016 heeft het college de aanvraag van [appellant] tot wijziging van de voorschriften 2.1.3 en 2.1.4 van de hem bij besluit van 10 april 2013 verleende omgevingsvergunning voor het veranderen van de werking van een inrichting op het perceel [locatie] te Kerkdriel afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6534
JOM 2017/1372
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608972/1/A1.

Datum uitspraak: 13 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], handelend onder de naam [bedrijf], wonend te Kerkdriel, gemeente Maasdriel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 oktober 2016 in zaak nr. 16/1563 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel.

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2016 heeft het college de aanvraag van [appellant] tot wijziging van de voorschriften 2.1.3 en 2.1.4 van de hem bij besluit van 10 april 2013 verleende omgevingsvergunning voor het veranderen van de werking van een inrichting op het perceel [locatie] te Kerkdriel afgewezen.

Bij uitspraak van 18 oktober 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.C. de Vries, mr. J.J. Vogel en ing. J.G.M. Snoeijs, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] exploiteert op het perceel een rundveeslachterij. Bij besluit van 10 april 2013 heeft het college [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van de werking van de inrichting. Op grond van voorschrift 2.1.5. van deze vergunning is het als incidentele bedrijfssituatie (hierna: IBS) toegestaan om ten behoeve van het offerfeest maximaal 10 dagen per jaar ritueel schapen te slachten in de dag-, avond- en nachtperiode. Ten aanzien van de IBS zijn in de voorschriften 2.1.3 en 2.1.4 geluidgrenswaarden gesteld voor onderscheidenlijk het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) en het maximale geluidniveau (LAmax).

    [appellant] heeft het college bij brief van 15 april 2015 verzocht om wijziging van de geluidgrenswaarden in de vergunningvoorschriften 2.1.3 en 2.1.4, omdat deze volgens hem voor de IBS ontoereikend zijn. [appellant] heeft in deze brief verder vermeld dat het niet nodig is om zijn aanvraag te onderbouwen met een akoestisch rapport, omdat in het rapport van de Omgevingsdienst Rivierenland van 4 december 2014 (hierna: het ODR-rapport) de geluidimmissies zijn vermeld die optreden tijdens het offerfeest en verzocht is om de hoogst gemeten immissiewaarden te vergunnen.

    Het college heeft bij brief van 28 mei 2015 gereageerd op de aanvraag van [appellant]. Uit deze reactie volgt dat het college voor de beoordeling van de aanvraag een akoestisch rapport nodig acht. Volgens de brief dient dat rapport inzicht te geven in de bedrijfsactiviteiten en de productiecapaciteit en dient het een beschrijving te geven van de geluidbronnen, de tijd en tijdsduur dat deze bronnen in werking zijn en de belasting die daardoor optreedt, gespecificeerd per geluidbron. Verder moet het inzicht geven in de mogelijke technische en organisatorische maatregelen om de geluidbelasting (hinder) naar de omgeving te beperken. Voorts is in de reactie vermeld dat een duidelijke omschrijving van de IBS ontbreekt.

    Op 15 juli 2015 heeft [appellant] het college het in zijn opdracht door G&O uitgebrachte rapport van 10 juli 2015 (hierna: het G&O-rapport) toegezonden. Volgens het G&O-rapport mogen de resultaten van een akoestisch onderzoek bekend worden verondersteld, nu zij niet zullen afwijken van de resultaten in het ODR-rapport. Voorts is in het G&O-rapport vermeld en beschreven dat de incidentele activiteiten betrekking hebben op de aanvoer van de schapen en runderen, het stallen van deze dieren op het terrein van de inrichting, het inpandig slachten van de dieren en de afvoer van het slachtafval en het vlees. Verder is uiteengezet dat in verband met de routing binnen de inrichting ten behoeve van het vuile weg schone weg principe en de oppervlakte van het perceel er geen mogelijkheden zijn om de in het geding zijnde activiteiten op een ander deel van het terrein te laten plaatsvinden en dat bronmaatregelen redelijkerwijs niet zijn te treffen omdat het om dieren gaat en wisselend materieel van derden.

    Het college heeft aan zijn besluit van 25 januari 2016 tot afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat de verstrekte gegevens en bescheiden niet aannemelijk maken dat voldoende rekening wordt gehouden met de bescherming van het milieu.

Het hoger beroep

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte heeft geweigerd een gedegen bestuurlijke afweging te maken. Het ODR-rapport geeft in combinatie met het G&O-rapport een representatief beeld van de IBS, alsmede een duidelijke weergave van de aard van de geluiden en de te verwachten geluidbelasting en de methode waarmee deze zijn vastgesteld. Niet valt in te zien waarom het ODR-rapport, dat is opgesteld in het kader van een handhavingsprocedure en uitkomsten bevat van de geluidmetingen die zijn uitgevoerd tijdens het offerfeest van 1 oktober 2014 tot en met 7 oktober 2014, niet kan worden gehanteerd als basis voor de bestuurlijke afweging of hogere dan de vergunde geluidniveaus kunnen worden toegestaan, aldus [appellant]. Voorts wijst hij erop dat de resultaten van een nieuw uit te voeren akoestisch onderzoek volgens het G&O-rapport niet zullen afwijken van de door de ODR gemeten waarden in 2014, dat in dat rapport de IBS uitvoerig is beschreven en is bezien of er alternatieven zijn of maatregelen kunnen worden getroffen.

2.1.    Het college heeft in beroep toegelicht dat de benodigde gegevens ontbraken om een adequate bestuurlijke afweging te kunnen maken. Omdat de termijn in artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) om de aanvraag buiten behandeling te kunnen stellen was verstreken, heeft het inhoudelijk op de aanvraag beslist, aldus het college.     Volgens het besluit van 25 januari 2016 liggen aan de afwijzing van de aanvraag om de vergunningvoorschriften 2.1.3 en 2.1.4 te wijzigen als inhoudelijke overwegingen ten grondslag dat in het ODR-rapport niet is uitgegaan van LAr, LT -niveaus, zoals bedoeld in de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, en dat de noodzaak van het optreden van hoge LAmax -niveaus onvoldoende is onderbouwd. Voorts ligt daaraan ten grondslag dat niet is gebleken welke maatregelen in het kader van de best beschikbare technieken in het belang van de bescherming van het milieu zullen worden genomen ter voorkoming van geluidoverlast, de in het verzoek beschreven bedrijfsvoering lijkt af te wijken van de vergunde situatie, het houden en verhandelen van 600 schapen niet inherent is aan het slachtproces en een duidelijke omschrijving van de IBS ontbreekt. Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit deze overwegingen dat de aanvraag is afgewezen vanwege het ontbreken van de benodigde gegevens en bescheiden om een inhoudelijke afweging te kunnen maken. Nu [appellant] met het verstrekken van het G&O-rapport, waarin is gemotiveerd waarom geen geluidrapport nodig is geacht en is ingegaan op de informatie waarom het college op 28 mei 2015 verder heeft verzocht, zijn aanvraag heeft aangevuld, had het naar het oordeel van de Afdeling op de weg van het college gelegen om in plaats van de aanvraag af te wijzen eerst aan [appellant] duidelijk te maken welke gegevens en bescheiden nog noodzakelijk waren om een inhoudelijke afweging te kunnen maken en hem een termijn te gunnen om deze alsnog te verstrekken. Het college heeft weliswaar het ontwerpbesluit van 18 september 2016 strekkende tot afwijzing van de aanvraag ter inzage gelegd, maar dat besluit behelst dezelfde overwegingen als het besluit van 25 januari 2016. Daarin is dus, zoals [appellant] in zijn tegen het ontwerpbesluit naar voren gebrachte zienswijzen heeft gesteld, niet concreet vermeld welke gegevens en bescheiden nog ontbraken voor het maken van een inhoudelijke afweging.

    Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het besluit van 25 januari 2016 in strijd is met artikel 3:2 van de Awb, dat eist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten, alsmede met artikel 3:46 van die wet, dat eist dat een besluit berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 25 januari 2016 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding te bepalen dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

Proceskostenveroordeling

4.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 oktober 2016 in zaak nr. 16/1563;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel van 25 januari 2016, kenmerk 021450897;

V.    bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel tot vergoeding van bij [appellant], handelend onder de naam [bedrijf], in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.980,00 (zegge: negentienhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel aan [appellant], handelend onder de naam [bedrijf], het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 419,00 (zegge: vierhonderdnegentien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen

lid van de enkelvoudige kamer    De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2017

531-757.