Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3418

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
201705264/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 augustus 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2014 vastgesteld op nihil en een bedrag van € 16.882,00 aan teveel ontvangen voorschotten teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705264/1/A2.

Datum uitspraak: 13 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 mei 2017 in zaak nr. 16/5593 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2014 vastgesteld op nihil en een bedrag van € 16.882,00 aan teveel ontvangen voorschotten teruggevorderd.

Bij besluit van 31 oktober 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 mei 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] heeft voor de opvang van haar drie kinderen in 2014 gebruik gemaakt van gastouderopvang, tot medio november 2014 door tussenkomst van [gastouderbureau]. Daarvoor heeft zij voorschotten kinderopvangtoeslag ontvangen. Aan het besluit van 5 augustus 2016, gehandhaafd bij het besluit van 31 oktober 2016, heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [appellante] niet alle kosten volgens de jaaropgave heeft betaald.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de overgelegde jaaropgave, facturen en bankafschriften niet blijkt dat [appellante] de kosten van gastouderopvang over 2014 geheel heeft voldaan. Verder heeft [appellante] volgens de rechtbank de stelling dat zij naast de betalingen aan het gastouderbureau de gastouder contant heeft betaald niet gestaafd met kwitanties en bankafschriften waarop geldopnames staan die corresponderen met die betalingen.

Hoger beroep

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet heeft aangetoond de kosten van gastouderopvang over 2014 volledig te hebben betaald. Zij voert hiertoe aan dat de jaaropgave die door het gastouderbureau is opgesteld niet correct is waardoor die niet als uitgangspunt van de hoogte van de kosten van gastouderopvang over 2014 kan dienen. Het gastouderbureau is, zoals ook blijkt uit de overgelegde facturen, medio november 2014 gestopt met haar activiteiten als gastouderbureau, terwijl uit de jaaropgave volgt dat over de hele maand november en de maand december gastouderopvang door tussenkomst van dat gastouderbureau heeft plaatsgevonden. [appellante] stelt dat zij voor de door tussenkomst van het gastouderbureau plaatsgevonden gastouderopvang € 14.957,63 aan het gastouderbureau heeft betaald. Daarnaast heeft zij, nadat het gastouderbureau haar activiteiten had gestaakt, contante betalingen aan de gastouder van in totaal € 2.569,95 gedaan.

3.1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak

3.2.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 30 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3064, en 22 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ8833) volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, gelezen in verbinding met artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Wkkp), dat degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, moet kunnen aantonen dat hij kosten van kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte ervan is. Het is de verantwoordelijkheid van de ontvanger van de kinderopvangtoeslag om daartoe een deugdelijke administratie bij te houden. Het voorgaande betekent dat [appellante], als degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, een deugdelijke administratie dient bij te houden en documenten dient over te leggen waaruit kan worden afgeleid de hoogte van de gemaakte kosten waarvoor toeslag kan worden verstrekt en dat zij die kosten daadwerkelijk heeft betaald.

3.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1114), bestaat geen aanspraak op kinderopvangtoeslag, indien de vraagouder niet kan aantonen dat hij het volledige bedrag aan kosten ook daadwerkelijk heeft betaald. Indien een deel van de kosten aantoonbaar is voldaan, kan geen aanspraak worden gemaakt op een evenredig lager voorschot of lagere tegemoetkoming. In de uitspraak van 8 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1610) heeft de Afdeling voorts in haar overwegingen betrokken dat de Belastingdienst/Toeslagen alleen bij afrondingsverschillen, dat wil zeggen bij kleine verschillen tussen de totale kosten van kinderopvang en de aantoonbaar betaalde kosten, ervan uitgaat dat is aangetoond dat alle kosten van kinderopvang zijn voldaan.

3.4.    Anders dan [appellante] betoogt dient voor de totale kosten van gastouderopvang over 2014 wel te worden uitgegaan van het bedrag van de jaaropgave. Zij heeft in reactie op de informatieverzoeken van de Belastingdienst/Toeslagen van 25 april 2015 en 30 januari 2016 een jaaropgave overgelegd waaruit volgt dat zij in 2014 € 17.527,55 aan kosten van gastouderopvang heeft gehad. Met het overleggen van deze jaaropgave heeft zij gesteld deze kosten te hebben gemaakt, waardoor zij moet aantonen deze kosten ook daadwerkelijk te hebben betaald. Bovendien volgt uit de omstandigheid dat het gastouderbureau vanaf 15 november 2017 niet meer was geregistreerd in het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen niet dat de jaaropgave incorrect zou zijn. Uit de jaaropgave volgt dat vanaf 15 november 2014 door het gastouderbureau geen bureaukosten meer in rekening zijn gebracht, wat juist in overeenstemming is met het vervallen van de registratie.

3.5.    In 2014 is een bedrag van € 1.249,00 aan voorschot kinderopvangtoeslag uitbetaald op het bankrekeningnummer van het gastouderbureau, waarmee is aangetoond dat dit bedrag aan kosten voor gastouderopvang is betaald. Uit de door [appellante] overgelegde bankafschriften volgt dat zij over de maanden januari tot en met november 2014 een bedrag van € 14.706,63 aan het gastouderbureau heeft betaald. Daarvan is in totaal een bedrag van € 7.638,53 in maart 2015 en daarmee in strijd met artikel 11f van de Regeling Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Regeling) meer dan twee maanden na afloop van het toeslagjaar betaald, waardoor deze betalingen bij de berekening van de daadwerkelijk betaalde kosten buiten beschouwing dienen te blijven. De betaling van € 251,00 op 12 januari 2014 dient eveneens buiten beschouwing te blijven, omdat uit de omschrijving van die betaling blijkt dat die ziet op december 2013. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellante] niet heeft aangetoond alle kosten van gastouderopvang over 2014 te hebben voldaan. Het verschil tussen de totale kosten en de aantoonbaar betaalde kosten kan voorts niet worden aangemerkt als een afrondingsverschil, als bedoeld onder 3.3.

    Dat, zoals [appellante] heeft gesteld, het gastouderbureau medio november 2014 is gestopt met haar activiteiten waardoor zij vanaf dat moment rechtstreeks contant aan de gastouder heeft betaald, maakt het voorgaande niet anders. Daargelaten of met deze betalingen alle kosten van gastouderopvang zijn voldaan, zijn deze betalingen in april 2015 en daarmee in strijd met artikel 11f van de Regeling meer dan twee maanden na afloop van het toeslagjaar gedaan en zijn deze betalingen gedurende de uitlooptermijn van artikel 1.47b, vierde lid, van de Wkkp in strijd met artikel 11a van de Regeling contant gedaan, waardoor deze betalingen bij de berekening van de daadwerkelijk betaalde kosten buiten beschouwing dienen te blijven.

3.6.    Het betoog faalt.    

4.    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte haar beroepsgrond dat de Belastingdienst/Toeslagen haar ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar niet heeft besproken. Zij is benadeeld doordat de rechtbank heeft nagelaten haar beroep wegens schending van de hoorplicht gegrond te verklaren.

4.1.    Dit betoog is terecht voorgedragen, maar kan, gelet op het volgende, niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 28 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH1142), vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure. Van horen mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb slechts worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. De beslissing om die bepaling toe te passen dient te worden genomen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd.

    Nu [appellante] niet heeft aangetoond dat zij alle kosten van gastouderopvang over 2014 heeft betaald, was er redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk dat zij over dat jaar geen aanspraak op kinderopvangtoeslag heeft. Gelet daarop heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen van het horen van [appellante] mocht afzien.

    Nu de hoorplicht niet is geschonden wordt niet toegekomen aan de vraag of [appellante] daardoor is benadeeld.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2017

97-809. BIJLAGE

Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen

Artikel 1.7

1. De hoogte van de kinderopvangtoeslag is afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1o. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2o. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3o. de soort kinderopvang.

[…].

Artikel 1.47b, vierde lid

Indien een gastouderbureau uit het register kinderopvang wordt verwijderd, blijft een voorziening voor gastouderopvang die bij dat gastouderbureau is aangesloten gedurende een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn in het register kinderopvang ingeschreven.

Artikel 18 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

1. Een belanghebbende, een partner en een medebewoner verstrekken de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

[…].

Regeling Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen

Artikel 11a

Een houder van een gastouderbureau geleidt de betalingen van vraagouders aan gastouders niet door zolang de termijn, bedoeld in 1.47b, vierde lid, van de wet van toepassing is. Binnen deze termijn vinden er geen contante betalingen plaats tussen vraagouder en gastouder.

Artikel 11f

De vraagouder betaalt periodiek de kosten voor gastouderopvang uiterlijk binnen twee kalendermaanden na afloop van het tijdvak waarover de kosten op grond van de overeenkomst worden berekend.

Artikel 8, achtste lid, van het Besluit registers kinderopvang, buitenlandse kinderopvang en peuterspeelzaalwerk

De termijn, bedoeld in artikel 1.47b, vierde lid, van de wet, bedraagt vier maanden te rekenen vanaf de datum waarop de inschrijving van het gastouderbureau uit het register kinderopvang is verwijderd.