Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3414

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
201700431/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 september 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een dakterras op een schuur op het perceel [locatie 1] te Purmerend (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6533
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700431/1/A1.

Datum uitspraak: 13 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Purmerend,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 5 december 2016 in zaak nr. 16/345 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend.

Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een dakterras op een schuur op het perceel [locatie 1] te Purmerend (hierna: het perceel).

Bij besluit van 7 december 2015 heeft het college, opnieuw beslissend op het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, het besluit van 20 september 2013 in stand gelaten onder verbetering van de wettelijke grondslag en aanvulling van de motivering.

Bij uitspraak van 5 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. E. Erkamp, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door R.G. van der Eijk, S. Voorsluijs, A. Heiner en H. Noordhuis, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het college heeft aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan "De Gors e.o. 2010" (hierna: het bestemmingsplan) realiseren van een dakterras op een losstaande schuur tegen de erfgrens aan de achterzijde van het perceel. Hiertoe heeft het toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a en onder 2o, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en vierde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. [appellant] woont aan de [locatie 2]. Zijn tuin en de schuur waarop het dakterras is gesitueerd liggen in elkaars verlengde, gescheiden door een pad van ongeveer 3,5 m breed. [appellant] kan zich niet met verlening van de omgevingsvergunning verenigen, omdat het dakterras volgens hem leidt tot aantasting van zijn privacy en tot geluidhinder op zijn perceel.

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan voor het dakterras niet op één punt, maar op twee punten in strijd is met het bestemmingsplan. Niet alleen de situering van het dakterras op een bijgebouw, maar ook de situering aan de achterzijde van het perceel, niet in het verlengde van de woning, is in strijd met het bestemmingsplan, aldus [appellant]. Dit leidt volgens hem tot een grotere ruimtelijke impact, die een verdergaande motivering vergt dan het college aan het besluit van 7 december 2015 ten grondslag heeft gelegd.

2.1.    Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceelsgedeelte waarop het dakterras is gesitueerd de bestemming "Tuin-2".

    Artikel 21.2.1 van de planregels, dat betrekking heeft op gebouwen op gronden met deze bestemming, luidt:

"Voor het bouwen gelden de volgende regels:

[…]

c. de diepte van een aanbouw aan het hoofdgebouw mag, gemeten vanuit de achtergevel van het hoofdgebouw of in de denkbeeldige lijn van het verlengde daarvan ten hoogste 3 m bedragen. Indien ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan over een gedeelte van de achtergevel al een vergunde aanbouw aanwezig is met een diepte van meer dan 3 m, mag de nieuwe aanbouw over het resterende deel van de achtergevel net zo diep zijn als de bestaande vergunde aanbouw;

[…]

h. dakterrassen zijn uitsluitend op aanbouwen toegestaan, voorzover deze zich recht achter het hoofdgebouw bevinden.

[…]"

    Artikel 1.5, van de planregels luidt:

"aan- en uitbouw

een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw."

2.2.    Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan omdat dakterrassen uitsluitend zijn toegestaan op aanbouwen, voor zover deze zich recht achter het hoofdgebouw bevinden, terwijl het in geding zijnde dakterras is gesitueerd op een vrijstaande schuur die zich achterin de tuin op het perceel bevindt. Deze afwijking heeft in dit geval tot gevolg dat het dakterras tegen de erfgrens aan de achterzijde van het perceel aan is gesitueerd. Dat was in dit geval op grond van het bestemmingsplan niet mogelijk geweest bij het realiseren van een dakterras op een aanbouw aan het hoofdgebouw, nu de afstand tussen het hoofdgebouw en de achterzijde van het perceel groter is dan de maximale toegestane diepte van een aanbouw van 3 m.

    Blijkens de motivering van het besluit van 7 december 2015 heeft het college bij de beoordeling van het bouwplan in aanmerking genomen dat verschillende aanbouwen in de buurt van het perceel tegen de erfgrens aan de achterzijde van het betreffende perceel zijn gelegen, zodat het bestemmingsplan in die gevallen het realiseren van een dakterras tegen die erfgrens aan, wel mogelijk maakt. Het college heeft hierbij betrokken dat feitelijk ook verschillende dakterrassen aanwezig zijn die direct grenzen aan het pad waarlangs ook het in geding zijnde dakterras grenst. Het college heeft zich er op deze wijze rekenschap van gegeven dat de afwijking van het bestemmingsplan in dit geval tot gevolg heeft dat het dakterras tegen de erfgrens aan de achterzijde van het perceel aan is gesitueerd. Nu het heeft gemotiveerd waarom het deze situatie aanvaardbaar acht, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de motivering in zoverre ontoereikend is.

    Het betoog faalt.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de gevraagde omgevingsvergunning, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid niet had kunnen verlenen. Daartoe voert hij aan dat de ligging van het dakterras tegen de erfgrens van het perceel en op een hoogte van ongeveer 2,8 m ertoe leidt, dat niet alleen zicht op zijn tuin, maar ook een duidelijk zicht tot in zijn woonkamer ontstaat. Verder leidt het dakterras volgens Bruin tot geluidhinder, die zal worden versterkt door de hogere ligging van het dakterras ten opzichte van zijn perceel. Volgens hem zouden deze gevolgen niet te verwachten zijn bij een dakterras in overeenstemming met het bestemmingsplan, nu deze op een grotere afstand van het perceel van [appellant] zou zijn gelegen.

3.1.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] door het toestaan van het dakterras niet onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Daarbij heeft het college naar voren gebracht dat het een dakterras passend acht in een stedelijke omgeving als deze. In een dicht bebouwde woonomgeving is het volgens hem niet ongebruikelijk dat vanuit een terras of raam zicht op een tegenoverliggend perceel bestaat. Ook in de omgeving van het perceel bestaan reeds verschillende dakterrassen van waaraf zicht op tegenoverliggende percelen bestaat. Het acht verder van betekenis dat zich tussen het dakterras en het perceel van [appellant] een pad van 3,5 m breed bevindt, en dat de afstand tussen het dakterras en de woning van [appellant] meer dan 10 m bedraagt. Die afstand is volgens het college niet zodanig gering, dat het dakterras leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op de privacy van [appellant]. Verder bestaat volgens het college geen reden om aan te nemen dat het dakterras tot onaanvaardbare geluidhinder leidt.

    Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid meer gewicht mocht toekennen aan de belangen van [vergunninghouder] bij het realiseren van het dakterras dan aan de belangen van [appellant]. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de invloed van het dakterras niet van zodanige omvang en betekenis is, dat [appellant] daardoor onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. De situering van het dakterras op een hoogte van 2,8 m maakt dat niet anders. Verder kan de omstandigheid dat een dakterras in overeenstemming met het bestemmingsplan op grotere afstand van het perceel van [appellant] zou liggen en daardoor een geringere invloed zou hebben op dat perceel, niet tot de conclusie leiden dat [appellant] door het dakterras onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Het college heeft terecht beoordeeld of het bouwplan zoals dat is aangevraagd ruimtelijk aanvaardbaar is. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid niet had kunnen verlenen.

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2017

457-727.