Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3405

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
201702128/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Windturbinepark Kabeljauwbeek 2016" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2017/7889 met annotatie van G. van den End
ABkort 2018/2
Milieurecht Totaal 2018/6719
AR 2017/6524
M en R 2018/27 met annotatie van R. Benhadi
TBR 2018/22 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
JOM 2017/1375
OGR-Updates.nl 2017-0237
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702128/1/R6.

Datum uitspraak: 13 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    Natuur- en Milieuvereniging Namiro Hoogerheide, gevestigd te Hoogerheide, gemeente Woensdrecht,

2.    [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Ossendrecht, gemeente Woensdrecht,

en

1.     de raad van de gemeente Woensdrecht,

2.     het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Windturbinepark Kabeljauwbeek 2016" vastgesteld.

Bij besluit van 16 december 2016 heeft het college aan Eneco Wind B.V. krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van het Windpark Kabeljauwbeek met vijf windturbines en toebehoren op een aantal percelen in de Vijdtpolder en de Nieuwe Zuidpolder, ten westen van de A4 en direct ten noorden van de grens met België.

De besluiten van de raad en het college van burgemeester en wethouders zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro.

Tegen de besluiten van 15 en 16 december 2016 hebben Namiro en [appellanten sub 2] beroep ingesteld.

De raad en het college hebben gezamenlijk een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juni 2017, waar Namiro, vertegenwoordigd door [gemachtigden] en bijgestaan door mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, [appellant sub 2A], en de raad en het college, gezamenlijk vertegenwoordigd door ing. K. Kegel, F. Leijting en mr. ing. A. P.J. Timmermans, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord Eneco Wind, vertegenwoordigd door ing. A. Ouwens.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1.    De raad en het college betogen dat het beroep van [appellanten sub 2] niet-ontvankelijk is, omdat zij op een te grote afstand van het windmolenpark wonen.

2.    [appellanten sub 2] wonen op een afstand van ongeveer 2,5 km van het plangebied. Vast staat dat [appellanten sub 2] vanaf hun woonperceel geen zicht zullen hebben op de in het plangebied voorziene windturbines. Voor het oordeel dat het belang van [appellanten sub 2] rechtstreeks bij de vaststelling van het plan is betrokken is vereist dat de windturbines een zodanige ruimtelijke uitstraling hebben dat zij van invloed zijn op het woon- en leefklimaat van [appellanten sub 2]. Gelet op de maximale tiphoogte van de windturbines van 183,5 m in verhouding tot de afstand tot de woning en de gronden van [appellanten sub 2] acht de Afdeling hinder als gevolg van geluid of slagschaduw dan wel externe veiligheidsrisico’s uitgesloten. Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van beïnvloeding van het woon- en leefklimaat. Om deze redenen is de ruimtelijke uitstraling van de windturbines te beperkt voor het oordeel dat het belang van [appellanten sub 2] als omwonenden rechtstreeks bij de vaststelling van het plan is betrokken. Voorts hebben [appellanten sub 2] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. De enkele omstandigheid dat zij de initiatiefnemers zijn van een petitie die betrekking heeft op het windturbinepark is daartoe onvoldoende.

    De conclusie is dat [appellanten sub 2] geen belanghebbende zijn bij het door hen bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kunnen instellen. Het beroep van [appellanten sub 2] is niet-ontvankelijk.

Het project

3.    De bestreden besluiten zijn genomen ten behoeve van de realisatie van het Windpark Kabeljauwbeek. Het plan en de omgevingsvergunning maken de bouw van een windpark met vijf windturbines en bijbehorende voorzieningen, zoals kabels en leidingen en een onderhoudsweg, mogelijk. De windturbines worden in een lijnopstelling geplaatst en hebben een maximale ashoogte van 125 m en een maximale tiphoogte van 183,5 m.

    Het plangebied ligt ten westen van de A4 in de Vijdtpolder en de Nieuwe Zuidpolder, langs de Kabeljauwbeek, nabij de landsgrens met België. Ten zuiden van het plangebied ligt de Schelde-Rijnverbinding en ten zuiden daarvan ligt een grootschalig petrochemisch industriecomplex behorend tot het havengebied van Antwerpen. Ten oosten van het plangebied begint ter hoogte van Ossendrecht het landschappelijk waardevolle gebied de Brabantse Wal.

4.    Het bestemmingsplan

Strijd met provinciale regelgeving

5.    Namiro voert aan dat de raad een ontwikkeling mogelijk heeft gemaakt die in strijd is met artikel 32.1, van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant (hierna: de Verordening ruimte 2014). In de eerste plaats is volgens Namiro niet voldaan aan het in dat artikel opgenomen vereiste dat de ontwikkeling gelet op artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving. Hiertoe voert Namiro aan dat de ontwikkeling plaatsvindt in de buurt van meerdere Natura 2000-gebieden. Zeker als vanuit oostelijke of westelijke richting naar de windturbines wordt gekeken steken deze af tegen het open, natuurlijke landschap van de Brabantse Wal en de Westerschelde en komen zij in een landschap te staan dat daar zowel wat betreft maat als schaal niet voor geschikt is. De Antwerpse haven ligt op enige afstand, waarbij de hoogste industriële complexen net hoger zijn dan 120 m. Zelfs de koeltorens van de kerncentrale van Doel reiken niet hoger dan 120 m.

5.1.    Artikel 3.1, derde lid, van de Verordening ruimte 2014 luidt als volgt:

"Ten behoeve van het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit bevat de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid een verantwoording waaruit blijkt dat:

a. in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden;

b. de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, de omvang van de bebouwing en de beoogde functie, past in de omgeving gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft, waaronder de effecten vanwege milieuaspecten en volksgezondheid;

c. een op de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afgestemde afwikkeling van het personen- en goederenvervoer is verzekerd, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor, inclusief openbaar vervoer, een en ander onder onverminderd hetgeen in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en elders in deze verordening is bepaald.

[…]"

    Artikel 32.1 luidt als volgt:

"Zoekgebied windturbines

1. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid onder a (verbod nieuwvestiging) kan een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding "zoekgebied voor windturbines" voorzien in de bouw van windturbines met een bouwhoogte van ten minste 25 meter, gemeten van de bovenkant van de fundering tot aan de wiekenas mits:

a. deze zijn gesitueerd binnen de op grond van het eerste lid aangewezen gebieden en buiten het Natuur Netwerk Brabant;

b. deze zijn gesitueerd in een cluster of een lijnopstelling van ten minste 5 windturbines;

c. is verzekerd dat de windturbines na afloop van het daadwerkelijke gebruik worden gesloopt;

d. de bouw van de windturbines gelet op artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving."

5.2.    In de plantoelichting is aangegeven dat gekozen is voor een lijnopstelling die de grens met België weergeeft en parallel loopt aan een dijkje langs het Schelde-Rijnkanaal. Een en ander sluit visueel aan bij de skyline van het Antwerpse haven- en industriegebied en het windturbinepark aan de overzijde van het Schelde-Rijnkanaal. Gezien vanuit België vormen de windturbines de afronding van het havengebied, waar reeds talrijke industriële objecten - hoog en minder hoog - zijn gesitueerd. Het zicht vanuit de Brabantse wal op het haven- en industriegebied wordt door de windturbines niet significant aangetast. In Zeeland zijn op enige afstand reeds diverse windturbineparken aanwezig in een modern, grootschalig polderlandschap dat gedomineerd wordt door akkers, infrastructuur, windturbines en hoogspanningstracé’s, zo wordt in de plantoelichting gesteld.

5.3.    Blijkens de stukken is in het bijzonder het gebied ten zuiden van het Schelde-Rijnkanaal in hoge mate een grootschalig haven- en industrieterrein. Gegeven de door de raad gegeven beschrijving daarvan alsmede in aanmerking genomen dat ook aan de overzijde van het kanaal al windturbines aanwezig zijn, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de windturbines het landschap niet aantasten. In de enkele omstandigheid dat de haven- en industriële bebouwing ten zuiden van het plangebied lager is dan de voorziene windmolens ziet de Afdeling geen aanleiding daarover anders te oordelen nu naar het zuiden toe sprake is van massieve bebouwing en de visuele invloed door de lijnopstelling over de oost-westas beperkt is.

    Het betoog faalt.

6.    Namiro betoogt verder dat de wieken van de rotorbladen van één van de windturbines zullen draaien boven het Natuur Netwerk Brabant. In de planregels wordt uitdrukkelijk voorzien in deze mogelijkheid. Ook hierdoor voldoet het bestemmingsplan niet aan de in artikel 32.1 van de Verordening ruimte 2014 gestelde eisen. Een en ander is eveneens in strijd met het bepaalde in artikel 5.1, van de Verordening ruimte 2014 en dan met name het eerste lid daarvan. Door de draaiende rotoren zullen slachtoffers onder vogels en vleermuizen vallen. Ook is niet duidelijk waarom de betreffende windturbine precies boven de voor Natuur Netwerk Brabant aangewezen gronden moeten draaien, aldus Namiro.

6.1.    De raad stelt zich in dit verband op het standpunt dat de artikelen 32.1 en 5.1, eerste lid, van de Verordening ruimte 2014 er niet aan in de weg staan dat de rotorbladen van de meest westelijke voorziene windturbine boven het Natuur Netwerk Brabant draaien. Naar de mening van de raad is voor de toepassing van artikel 32.1 bepalend dat de voet van de windturbine buiten het Natuur Netwerk Brabant zal komen te liggen. Evenmin is er sprake van dat het plan zich niet verdraagt met artikel 5.1, eerste lid.

6.2.    Artikel 5.1, eerste lid van de Verordening ruimte 2014 luidt als volgt:

"Een bestemmingsplan gelegen in het Natuur Netwerk Brabant:

a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden;

b. stelt regels ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken;

c. bepaalt dat zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten.

[…]"

    Artikel 32.1 luidt als volgt:

"Zoekgebied windturbines

1. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid onder a (verbod nieuwvestiging) kan een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding "zoekgebied voor windturbines" voorzien in de bouw van windturbines met een bouwhoogte van ten minste 25 meter, gemeten van de bovenkant van de fundering tot aan de wiekenas mits:

a. deze zijn gesitueerd binnen de op grond van het eerste lid aangewezen gebieden en buiten het Natuur Netwerk Brabant;

[…]".

6.3.    Het plan voorziet in de bestemming "Natuur" voor het meest zuidwestelijke deel van het plangebied. De gronden waarvoor deze bestemming geldt zijn in de Verordening ruimte 2014 aangewezen als behorend tot het Natuur Netwerk Brabant.

    In artikel 19.1, aanhef en onder t, van de planregels is bepaald dat de voor "Natuur" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "windturbinepark" tevens zijn bestemd voor het overdraaien van rotoren van windturbines als bedoeld in artikel 9 van dat plan. Vast staat dat, wanneer de meest westelijk voorziene windturbine in werking zou zijn, de rotorbladen daarvan de grenzen van het Natuur Netwerk Brabant zullen overschrijden. Gelet hierop heeft de raad het plan vastgesteld in strijd met artikel 32.1 van de Verordening ruimte 2014. De omstandigheid dat de rotorbladen zich niet altijd binnen het Natuur Netwerk Brabant zullen bevinden leidt niet tot de conclusie dat zich geen strijd met de Verordening ruimte 2014 voordoet. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de rotorbladen een integraal onderdeel van de constructie van de windturbine vormen en bovendien geen ondergeschikt onderdeel van dat bouwwerk zijn.

    Het betoog slaagt.

Fauna

7.    Namiro betoogt dat de bepalingen van de Flora- en Faunawet (hierna: de Ffw) aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan. De raad is er ten onrechte van uitgegaan dat voor de uitvoering van het plan geen ontheffing op grond van de Ffw is vereist nu uit de onderzoeken blijkt dat dodelijke slachtoffers onder vogels voorkomen. De raad stelt zich volgens Namiro ten onrechte op het standpunt dat geen ontheffing op grond van de Ffw is vereist omdat het aantal vogelslachtoffers beperkt is tot maximaal 50 per jaar. Naar de mening van Namiro is ook bij een dergelijk aantal vogelslachtoffers een ontheffing vereist en onduidelijk is of die ook kan worden verkregen.

7.1.    Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking getreden en zijn de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) en Flora- en faunawet ingetrokken. Voor zover Namiro betoogt dat in dit geval aan de hand van de Wnb had moeten worden beoordeeld of voor de aanleg van de windturbines een ontheffing kon worden verleend volgt de Afdeling haar daarin niet. Uit artikel 9.10 van de Wnb volgt dat dit geschil, nu het plan is vastgesteld vóór 1 januari 2017, moet worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht.

    Artikel 9 van de Ffw luidde als volgt:

"Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen."

7.2.    De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Wnb (voorheen: Ffw) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was de Ffw het geldende recht. De raad heeft het plan niet kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan binnen de planperiode van in beginsel tien jaar in de weg stond.

    Op 14 oktober 2014 is door bureau Waardenburg het rapport "Beoordeling van effecten op beschermde soorten van windpark Kabeljauwbeek, Woensdrecht" (hierna: het rapport) uitgebracht. Dit in opdracht van Eneco Wind uitgebrachte rapport bevat een weergave van het onderzoek dat is verricht naar de aanwezigheid van beschermde soorten. Verder is in het rapport nagegaan wat het effect en het gebruik van het windturbinepark op beschermde soorten is.

    In het rapport wordt aangegeven dat in de aanlegfase verstoring en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door buiten het broedseizoen te werken. Ten noorden en ten zuiden van het plangebied is een buizerdhorst aanwezig, nesten van andere jaarrond beschermde vogelsoorten zijn volgens het rapport uitgesloten. In het rapport wordt het uitgesloten geacht dat de functionaliteit van het territorium als voortplantingsplaats, fourageergebied of vaste rust- en verblijfsplaats voor de buizerd wordt aangetast. In verband hiermee wordt in zoverre het aanvragen van een ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Ffw niet nodig geacht.

    Tijdens de gebruiksfase vallen volgens het rapport op jaarbasis maximaal ongeveer 50 vogelslachtoffers voor het hele windturbinepark, verdeeld over een groot aantal soorten. Per vogelsoort is de sterfte dermate gering - minder dan een enkel exemplaar per soort - dat volgens het rapport sprake is van incidentele sterfte waarbij de instandhouding van populaties van de betrokken vogelsoorten met zekerheid niet in geding is. In het rapport wordt daarom een ontheffing van de Ffw niet nodig geacht.

    De raad heeft hieraan toegevoegd dat, zo deze niettemin vereist zijn, dan zou deze zonder meer kunnen worden verleend nu op grond van het onderzoek buiten twijfel is dat er geen invloed is op de gunstige staat van instandhouding.

    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1227, wordt met elke doding van een dier dat behoort tot een beschermde inheemse diersoort, daargelaten of die doding voorzienbaar dan wel incidenteel is, het in artikel 9 van de Ffw vervatte verbod overtreden. Hierin ziet de Afdeling evenwel onvoldoende grond voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid in de weg staat. Niet is gesteld dat de raad op grond van het rapport niet heeft mogen concluderen dat gelet op het gestelde in het rapport, in dit geval geen sprake is van invloed op de gunstige staat van instandhouding. Verder overweegt de Afdeling dat, zoals zij eveneens heeft overwogen in de uitspraak van 4 mei 2016, volksgezondheid en openbare veiligheid als ontheffingsgronden kunnen worden gehanteerd voor windmolenparken voor het verlenen van een ontheffing voor het doden van vogels.     

    Het betoog faalt.

Geluid

8.    Namiro betoogt dat er bij de bepaling van de geluidsbelasting op een drietal woningen, Armendijk 3 en Nieuwe Dijk 3 en 4, van is uitgegaan dat die woningen moeten worden aangemerkt als bedrijfswoningen en dat daarom bij die woningen niet aan de geluidsgrenswaarden behoeft te worden voldaan. Deze woningen liggen op ongeveer 400 m van de dichtstbijzijnde windturbine. De windturbines zijn geen eigendom van de bewoners en de bewoners zijn ook niet als werknemer in dienst van Eneco Wind. Ook zijn de taken die de bewoners uitvoeren ten aanzien van de windturbines uiterst beperkt.

8.1.    De raad betoogt dat de bedoelde woningen planologisch zijn bestemd als bedrijfswoning. Ook feitelijk is wel degelijk sprake van bedrijfswoningen.

8.2.    Artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer luidt als volgt:

"1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

gevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als andere geluidsgevoelige gebouwen, met uitzondering van die gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;

[…]"

    Artikel 3.14a luidt als volgt:

"1. Een windturbine of een combinatie van windturbines voldoet ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen, tenzij deze zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein, en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein.

[…]

3. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift in verband met bijzondere lokale omstandigheden normen met een andere waarde vaststellen."

8.3.    Blijkens de plantoelichting is het windturbinepark een gezamenlijk initiatief van Eneco Wind en particuliere grondeigenaren. De agrarische bedrijfswoningen van de deelnemers aan de ontwikkeling van het windturbinepark worden aangewend als bedrijfswoning bij het windturbinepark. Hiertoe is op de bij het bestemmingsplan behorende verbeelding aan de woningen Armendijk 3 en Nieuwe Dijk 3 en 4 de aanduiding "functieaanduiding specifieke vorm van bewonen - bedrijfswoning windturbinepark" toegekend, op grond waarvan volgens de bijbehorende planregels tevens een bedrijfswoning bij een windturbinepark is toegelaten. Verder krijgen volgens de plantoelichting de eigenaren van de drie agrarische bedrijfswoningen de functie van molenaar. Daartoe zijn ook tussen de initiatiefnemer en de eigenaren van de betrokken agrarische bedrijfswoningen afspraken gemaakt over het toezicht op en het beheer van de windturbines. Deze afspraken houden, zo wordt in de toelichting gesteld, het volgende in:

"1. De eigenaren zijn het aanspreekpunt voor de initiatiefnemer met betrekking tot de status van de windturbines. De eigenaren verstrekken op verzoek van de initiatiefnemer informatie over de actuele stand van zaken omtrent de windturbines.

2. De eigenaren voeren het technische beheer over de windturbines uit. Bijvoorbeeld door het resetten van de besturingscomputer of door het handmatig herstarten van een windturbine na een storing.

3. De eigenaren houden het toezicht op de goede werking van het windturbinepark. Dit betreft onder meer toezicht op de goede werking van één of meerdere windturbine(s) door middel van visuele en auditieve observatie ter plaatse en toegang tot het (on-line) windturbinebeheerssysteem. De eigenaren krijgen daarvoor ook toegang tot het windturbinepark (uitgezonderd onbevoegde personen).

4. De eigenaren van de agrarische bedrijfswoning verrichten het onderhoud (zoals het maaibeheer) van het terrein direct rondom de windturbines.

5. De eigenaren dragen mede ervoor zorg dat het onderhoud aan (en toegang tot) het windturbinepark ongehinderd kan plaatsvinden.

6. Voor deze werkzaamheden ontvangen de eigenaren een vergoeding."

    Ter zitting heeft Eneco Wind hier nog aan toegevoegd dat zij er aan hecht in de nabije omgeving toezichthouders te hebben, zowel voor onderhouds- als beveiligingsdoeleinden, maar ook om ter plaatse direct een visuele inspectie te kunnen verrichten teneinde te kunnen beoordelen of het stilzetten van de windturbines werkelijk nodig is.

8.4.    Gezien de in de plantoelichting beschreven relatie tussen de eigenaren/bewoners van de drie woningen en de windturbines, en de terzake ter zitting gegeven uiteenzetting van Eneco heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er sprake is van een zodanige functionele en organisatorische binding tussen de windturbines en de drie woningen dat deze als bedrijfswoning behoren bij de inrichting, die het windturbineperk vormt, en dat deze woningen derhalve ten opzichte van het windturbinepark niet als gevoelige gebouwen in de zin van artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen aan te merken. In de afstand tussen de op te richten windturbines en de voor bedrijfswoning bestemde gronden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze redelijkerwijs niet kunnen worden aangemerkt als behorend bij de inrichting. Daarbij is in aanmerking genomen dat de door Namiro bedoelde woningen blijkens de verbeelding zijn gelegen op een afstand van maximaal ongeveer 310 m van de dichtstbijzijnde tot "Bedrijf - Windturbinepark" bestemde gronden en op een afstand van ongeveer 350 m van de dichtstbijzijnde in het plan toegekende bouwvlakken ten behoeve van de windturbines. Gelet op de aard van de inrichting, waarbij ook een noodzaak bestaat tussen de windturbines onderling een niet geringe afstand aan te houden, alsmede in aanmerking genomen de omvang van de windturbines, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat evengenoemde afstanden zodanig zijn dat de drie woningen redelijkerwijs daarom niet als een tot de inrichting behorende bedrijfswoning kunnen worden aangemerkt.

     Het betoog faalt.

9.    Verder voert Namiro aan dat ter plaatse van de gevel van de woning Havenweg 1, die bij het plan niet als bedrijfswoning is aangemerkt, de maximale geluidsgrenswaarde wordt overschreden indien een turbine met het merk Vestas V117 wordt geplaatst. Zonder zogenoemde terugregeling van de turbine zal de belasting van de betreffende woning 47,4 dB Lden, onderscheidenlijk 41,1dB Lnight bedragen. Deze belasting overschrijdt de in 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer vastgelegde maximale geluidsgrenswaarde. Bovendien is door deze hoge waarde niet verzekerd dat ter plaatse van die woning sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en is derhalve geen sprake van een goede ruimtelijke ordening. Er kunnen bovendien geen maatwerkvoorschriften worden vastgesteld die verplichten tot terugregeling van de windturbine nu artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer noch een andere bepaling uit dat besluit de mogelijkheid biedt om bij maatwerkvoorschrift middelenvoorschriften te stellen.

9.1.    Bij de door Namiro bedoelde woning is in het geluidsrapport overgegaan tot een eindafronding van de berekende geluidswaarden naar 47 dB Lden, onderscheidenlijk 41 dB Lnight. Nu in artikel 3.14a, derde lid sprake is van een geheel getal en ook in het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en de Handleiding meten en rekenen van een dergelijke methodiek wordt uitgegaan, is de raad er terecht van uitgegaan dat de in het Actviteitenbesluit milieubeheer genoemde geluidsgrenswaarde ter plaatse van de woning Havenweg niet wordt overschreden. De raad heeft zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de voorziene windturbines geen onaanvaardbare geluidhinder zullen produceren. Gelet hierop kan hetgeen Namiro heeft gesteld met betrekking tot de onmogelijkheid aanvullende middelenvoorschriften vast te stellen buiten beschouwing blijven.

    Het betoog faalt.

Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan

10.    Het tegen het plan gerichte beroep van [appellanten sub 2] is niet-ontvankelijk.

    Gelet op hetgeen is overwogen onder 6.3 heeft de raad het plan vastgesteld in strijd met artikel 32.1 van de Verordening ruimte 2014. Derhalve is het tegen dit besluit gerichte beroep van Namiro gegrond en dient dat besluit te worden vernietigd.

11.    Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

De omgevingsvergunning

12.    Het tegen de omgevingsvergunning van 16 december 2016 gerichte beroep van [appellanten sub 2] is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 2, niet-ontvankelijk.

    Ten aanzien van het door Namiro ingediende beroep geldt het volgende. Nu het bestemmingsplan dat bij besluit van 15 december 2016 is vastgesteld dient te worden vernietigd en dit besluit het toetsingskader voor de omgevingsvergunning is geweest, dient het besluit van 16 december 2016 eveneens te worden vernietigd. Het beroep van Namiro is daarom gegrond.

Proceskosten

13.    De raad dient wat betreft het beroep van Namiro op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellanten sub 2] bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van Natuur- en Milieuvereniging Namiro Hoogerheide tegen het besluit van de raad van de gemeente Woensdrecht van 15 december 2016, waarbij het bestemmingsplan "Windturbinepark Kabeljauwbeek 2016" is vastgesteld, gegrond;

III.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Woensdrecht van 15 december 2016, waarbij het bestemmingsplan "Windturbinepark Kabeljauwbeek 2016" is vastgesteld;

IV.    draagt de raad van de gemeente Woensdrecht op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor onder III vermelde onderdeel wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

V.    verklaart het beroep van Natuur- en Milieuvereniging Namiro Hoogerheide tegen het besluit van college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht van 16 december 2016, waarbij aan Eneco Wind B.V. krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van het Windpark Kabeljauwbeek met vijf windturbines en toebehoren, gegrond;

VI.    vernietigt het besluit van college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht van 16 december 2016, waarbij aan Eneco Wind B.V. krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van het Windpark Kabeljauwbeek met vijf windturbines en toebehoren;

VII.    veroordeelt de raad van de gemeente Woensdrecht tot vergoeding van bij Natuur- en Milieuvereniging Namiro Hoogerheide in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.065,42 (zegge: duizendvijfenzestig euro en tweeënveertig cent), waarvan € 990,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat de raad van de gemeente Woensdrecht aan Natuur- en Milieuvereniging Namiro Hoogerheide het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 333,00 (zegge: driehonderddrieëndertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, griffier.

w.g. Hagen    w.g. Matulewicz

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2017

45.