Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3403

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
201700244/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:6293, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 20 en 23 november 2015 heeft het college besloten over te gaan tot invordering van de door de Stichting onderscheidenlijk de Woningexploitatiemaatschappij verbeurde dwangsommen van ieder € 10.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2018/18
JOM 2017/1366
JOM 2018/887
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700244/1/A1.

Datum uitspraak: 13 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Stichting Volkshuisvesting Utrecht en Woningexploitatiemaatschappij Nederland B.V., beide gevestigd te Nieuwegein,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 november 2016 in zaken nrs. 16/2697 en 16/2978 in het geding tussen:

1)    Woningexploitatiemaatschappij Nederland B.V.

2)    Stichting Volkshuisvesting Utrecht

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluiten van 20 en 23 november 2015 heeft het college besloten over te gaan tot invordering van de door de Stichting onderscheidenlijk de Woningexploitatiemaatschappij verbeurde dwangsommen van ieder € 10.000,00.

Bij besluiten van 10 mei 2016 en 25 april 2016 heeft het college de door de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij daartegen gemaakte bezwaren kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 22 november 2016 heeft de rechtbank de door de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2017, waar de Woningexploitatiemaatschappij en de Stichting, vertegenwoordigd door mr. T.D. Rijs, advocaat te Zutphen, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Gangabisoensingh, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Aan de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij zijn op 16 september 2014 onderscheidenlijk 4 november 2014 lasten onder dwangsom opgelegd met betrekking tot een illegaal geplaatste afvoer-uitmonding in het pand aan de [locatie] te Utrecht en herstel van dat pand in de vorige toestand. Tegen de besluiten op de daartegen door de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij gemaakte bezwaren van 24 februari 2015 onderscheidenlijk 6 maart 2015 zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat de lasten onder dwangsom onherroepelijk zijn. [gemachtigde] heeft hangende bezwaar tegen de lasten onder dwangsom als gemachtigde namens de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij opgetreden.

Het standpunt van het college

2.    Uit inspectie van het pand is volgens het college gebleken dat na het verloop van de begunstigingstermijn niet aan de lasten onder dwangsom is voldaan. Het college is bij besluiten van 20 en 23 november 2015 overgaan tot invordering van de door de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij verbeurde dwangsommen. Bij besluiten van 25 april 2016 en 10 mei 2016 heeft het college de door de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij daartegen gemaakte bezwaren kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat de pro-forma bezwaarschriften door het college buiten de daarvoor in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gestelde termijn zijn ontvangen. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is volgens het college niet gebleken. Het heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het de invorderingsbeschikkingen op juiste wijze bekend heeft gemaakt door deze te zenden naar het adres van de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij. Dat de besluiten op bezwaar inzake de lasten onder dwangsom aan de toenmalige gemachtigde van de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij, [gemachtigde], zijn toegezonden, betekent volgens het college niet dat het gehouden is om die gemachtigde, als hiervan al formeel sprake zou zijn, ook op de hoogte te stellen van de invorderingsbeschikkingen van de van rechtswege verbeurde dwangsommen. Er is volgens het college geen sprake van nauwe verwevenheid met de lasten onder dwangsom, nu de procedures inzake die lasten zijn beëindigd en de lasten onder dwangsom onherroepelijk zijn geworden. Voorts stelt het college zich op het standpunt dat de invorderingsbeschikkingen aangetekend zijn verzonden met bericht van ontvangstbevestiging naar het adres waarop de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij staan ingeschreven, te weten Weverstedehof 12A te Nieuwegein. Hiermee heeft het college aannemelijk gemaakt dat die beschikkingen daadwerkelijk zijn verzonden. Dat de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij de aangetekende beschikkingen niet in ontvangst hebben genomen noch hebben afgehaald dient voor risico en rekening van de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij te komen, aldus het college.

Het oordeel van de rechtbank

3.    De rechtbank is van oordeel dat het college de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens de rechtbank betekent het enkele feit dat een gemachtigde betrokken was bij de procedure aangaande de lasten onder dwangsom niet dat deze ook betrokken wordt bij de invorderingsprocedure. Hoewel er sprake is van nauwe verbondenheid tussen de last onder de dwangsom en de invorderingsbeschikking, is er bij de invorderingsprocedure sprake van een losstaande procedure en een nieuw primair besluit. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de bezwaarfase in beide dwangsomprocedures reeds geruime tijd was beëindigd en dat uit de emailcorrespondentie van de gemachtigde [gemachtigde] van 2 oktober 2014 blijkt dat deze niet zonder meer wenst te worden betrokken bij handhavingstrajecten. Het college heeft [gemachtigde] volgens de rechtbank dan ook terecht niet als gemachtigde aangemerkt. De invorderingsbeschikkingen zijn terecht aan de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij op het adres Weverstedehof 12A te Nieuwegein geadresseerd.

    Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de enkele stelling van de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij dat door hen geen kennisgeving, waaruit blijkt dat stukken kunnen worden afgehaald op het postkantoor, is ontvangen, onvoldoende is om de ontvangst daarvan niet aannemelijk te achten. In de omstandigheid dat het Post NL afhaalpunt in een ander postcodegebied ligt dan het adres van de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de invorderingsbeschikkingen niet op juiste wijze zijn aangeboden.

Gronden in hoger beroep

4.    De Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college hun bezwaren terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens hen had het college de invorderingsbeschikkingen aan de gemachtigde [gemachtigde] moeten toesturen, omdat de besluiten op bezwaar inzake de lasten onder dwangsom ook aan [gemachtigde] als gemachtigde waren geadresseerd. Er bestaat een nauwe verbondenheid tussen de lasten onder dwangsom en de invorderingsbeschikkingen, nu de invordering het sequeel van de handhaving vormt en ook in de Awb deze procedures zijn gekoppeld. Voorts heeft [gemachtigde] zich nadrukkelijk als gemachtigde gesteld inzake de procedure omtrent de lasten onder dwangsom en heeft het college ook de besluiten op bezwaar aan hem gezonden. Dat [gemachtigde] voor de oplegging van de lasten onder dwangsom heeft aangegeven niet zomaar deze lasten te willen ontvangen, maakt dat niet anders, nu hij nadrukkelijk wel als gemachtigde in bezwaar is opgetreden. Het had op de weg van het college gelegen om bij hem dan wel bij de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij te verifiëren of [gemachtigde] nog als gemachtigde optrad als daar bij het college twijfel over bestond. Nu de invorderingsbeschikkingen rechtstreeks aan de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij zijn toegestuurd in plaats van aan de gemachtigde [gemachtigde], zijn deze besluiten niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt als bedoeld in artikel 3:41 van de Awb.

    De Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Zij hebben geen afhaalbericht ontvangen en het college heeft niet aangetoond dat PostNL wel een afhaalbericht heeft achtergelaten op hun adres. Dat door iemand van PostNL is gezegd dat altijd een afhaalbericht wordt achtergelaten, is onvoldoende. Voorts blijkt uit de sticker van PostNL op de envelop dat de envelop is afgegeven bij een servicepunt voor de postcodes 3435 tot 3436, terwijl de postcode van de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij 3431 is. Gelet hierop is het aannemelijk dat de aangetekende brief onjuist is geregistreerd en niet op de juiste wijze is aangeboden. Bovendien zou een uitzondering op de verzendtheorie dan wel jurisprudentielijn inzake aangetekende verzonden poststukken moeten worden gemaakt, waarbij niet (langer) geadresseerden aannemelijk moeten maken dat zij een afhaalbericht niet hebben ontvangen. Algemeen bekend is immers dat niet alle post deugdelijk wordt bezorgd dan wel niet in alle gevallen een afhaalbericht in de juiste brievenbus wordt gedaan, terwijl in de huidige tijd eenvoudig met digitale middelen kan worden vastgelegd dat een poststuk door een postbode wordt aangeboden, een afhaalbericht wordt achtergelaten en dergelijke.

Het oordeel van de Afdeling

4.1.    De Afdeling ziet in hetgeen de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college de invorderingsbeschikkingen aan hun voormalig gemachtigde [gemachtigde] had moeten toesturen. Dat deze gemachtigde betrokken was bij de procedure inzake de lasten onder dwangsom, betekent zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet zonder meer dat hij ook betrokken dient te worden bij de invorderingsprocedure. Weliswaar bestaat er een nauwe verbondenheid tussen de lasten onder dwangsom en de invorderingsbeschikking, zoals ook volgt uit artikel 5:39, eerste lid, van de Awb, maar dat neemt niet weg dat, nu tegen de lasten onder dwangsom ten tijde van het nemen van de invorderingsbeschikkingen geen procedures meer aanhangig waren en deze lasten reeds onherroepelijk waren, de invorderingsprocedure dient te worden aangemerkt als een nieuwe, losstaande procedure die aanvangt met het nemen van een nieuw primair besluit. De rechtbank heeft voorts van belang kunnen achten dat de voormalig gemachtigde [gemachtigde] op 2 oktober 2014 aan het college heeft laten weten dat hij niet zonder meer betrokken wenst te worden bij handhavingstrajecten, maar alleen als hij nadrukkelijk als gemachtigde door zijn cliënten is aangewezen. Uit geen van de stukken noch uit hetgeen ter zitting is gesteld, is gebleken dat [gemachtigde] als gemachtigde bij de invorderingsprocedure wenste te worden betrokken dan wel dat hij dienaangaande nadrukkelijk als gemachtigde is aangewezen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in deze omstandigheden terecht voldoende aanleiding heeft gezien [gemachtigde] niet als gemachtigde aan te merken. Het college heeft de invorderingsbeschikkingen dan ook terecht aan de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij op het adres Weverstedehof 12A te Nieuwegein geadresseerd.

    Het betoog faalt in zoverre.

4.2.    Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat, indien een besluit of uitspraak aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, dient te worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Wanneer PostNL bij aanbieding van het stuk niemand thuis treft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen van dat stuk bij het kantoor van PostNL voor rekening en risico van de belanghebbende. Stelt de belanghebbende geen afhaalbericht te hebben ontvangen, dan ligt het op zijn weg feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten.

    Voor het maken van een uitzondering op de jurisprudentie van de Afdeling inzake aangetekende verzonden poststukken, waarbij niet langer geadresseerden aannemelijk moeten maken dat zij een afhaalbericht niet hebben ontvangen, zoals de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij betogen, ziet de Afdeling, gelet op hetgeen zij aanvoeren, geen aanleiding.

    De Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij hebben niet met feiten aannemelijk gemaakt op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. In hetgeen zij hebben aangevoerd omtrent de afhaallocatie van de invorderingsbeschikkingen heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de aangetekende invorderingsbeschikkingen onjuist zijn geregistreerd en deze beschikkingen niet op juiste wijze zijn aangeboden. Anders dan de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij betogen, betekent de stempel op de envelop van het niet bezorgde poststuk met "passage 65", hetgeen een servicepunt van Post NL betreft in een ander postcodegebied dan dat van de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij en waar het niet bezorgde poststuk kan worden afgehaald, niet dat het adres waar het afhaalbericht is achtergelaten niet juist is. De stempel geeft slechts het postcodegebied aan waar het servicepunt zich bevindt en bevat geen verwijzing naar het adres waar het afhaalbericht is bezorgd en waarvan het adres van de Stichting en de Woningexploitatiemaatschappij op correcte wijze op de envelop is geschreven. Onder deze omstandigheden is van een verschoonbare termijnoverschrijding niet gebleken.

    Het betoog faalt ook in zoverre.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2017

374.