Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:34

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
201600531/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 16 januari 2013, 29 mei 2013, 5 maart 2014 en 24 juli 2014 heeft het college van de gemeente Graft-De Rijp (thans: Alkmaar) aan Europarcs Villapark De Rijp B.V. ten behoeve van transporten naar en van het terrein van Villapark De Rijp voor verschillende periodes ontheffingen onder voorwaarden verleend van de geslotenverklaring voor voertuigen breder dan 2,2 m (bord C18) en van de aslastbeperking van 4,8 ton (bord C20) op de Kanaaldijk binnen de bebouwde kom van Oost-Graftdijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600531/1/A1.

Datum uitspraak: 11 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Oost-Graftdijk, gemeente Alkmaar,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 22 december 2015 in zaak nr. 15/1445 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (hierna: het college).

Procesverloop

Bij besluiten van 16 januari 2013, 29 mei 2013, 5 maart 2014 en 24 juli 2014 heeft het college van de gemeente Graft-De Rijp (thans: Alkmaar) aan Europarcs Villapark De Rijp B.V. ten behoeve van transporten naar en van het terrein van Villapark De Rijp voor verschillende periodes ontheffingen onder voorwaarden verleend van de geslotenverklaring voor voertuigen breder dan 2,2 m (bord C18) en van de aslastbeperking van 4,8 ton (bord C20) op de Kanaaldijk binnen de bebouwde kom van Oost-Graftdijk.

Bij besluit van 13 oktober 2014 heeft het college van de gemeente Graft-De Rijp besloten aan Europarcs ontheffing te verlenen van de geslotenverklaring voor voertuigen breder dan 2,2 m en van de aslastbeperking van 4,8 ton op de Kanaaldijk te Oost-Graftdijk onder de in de ontheffing omschreven voorwaarden voor de periode tot 1 november 2016.

Bij besluit van 19 februari 2015 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 13 oktober 2014 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit in zoverre herroepen dat de duur van de ontheffing is beperkt tot een jaar.

Bij uitspraak van 22 december 2015 heeft de rechtbank het beroep tegen de besluiten van 16 januari 2013, 29 mei 2013, 5 maart 2014 en 24 juli 2014 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 19 februari 2015 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 13 oktober 2014 niet-ontvankelijk te verklaren. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Brouwer, advocaat te Zoetermeer, en het college, vertegenwoordigd door A. Nurmohamed, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In Oost-Graftdijk wordt door Europarcs het recreatiepark Villapark De Rijp gerealiseerd. De Kanaaldijk te Oost-Graftdijk is door plaatsing van de borden C18 en C20 gesloten voor voertuigen die breder zijn dan 2,2 m en een aslast hebben die groter is dan 4,8 ton. Door Europarcs zijn ontheffingen van deze geslotenverklaring aangevraagd, zodat onder andere bouwmaterialen kunnen worden aangevoerd ten behoeve van de realisering van het recreatiepark.

2. [appellant] heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen de besluiten van 16 januari 2013, 29 mei 2013, 5 maart 2014 en 24 juli 2014 en tegen het besluit op bezwaar van 19 februari 2015. De rechtbank heeft het door [appellant] tegen de besluiten van 16 januari 2013, 29 mei 2013, 5 maart 2014 en 24 juli 2014 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant] tegen de ontheffingen eerst bezwaar had moeten maken. Het beroep tegen het besluit van 19 februari 2015 is gegrond verklaard, omdat de rechtbank van oordeel is dat het college het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 13 oktober 2014 ten onrechte ontvankelijk heeft geacht. Volgens de rechtbank is het bezwaar na afloop van de bezwaartermijn ingediend en kan niet worden geoordeeld dat [appellant] niet in verzuim is geweest, zodat het college het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 13 oktober 2014 niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank heeft voorts zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van [appellant] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

3. Artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw) luidt:

"1 De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.

2 Maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer geschieden krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken."

Artikel 149, eerste lid, aanhef en onder d, luidt: "Van het bepaalde krachtens deze wet kan in de krachtens deze wet aangewezen gevallen overeenkomstig krachtens deze wet vastgestelde regels ontheffing worden verleend voor andere wegen door burgemeester en wethouders of krachtens besluit van hen, door een door hen ingestelde bestuurscommissie."

Artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: het RVV 1990) luidt: "Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden."

Artikel 87 luidt: "Door het bevoegd gezag kan ontheffing worden verleend van de artikelen 3, eerste lid, 4, 5, eerste en tweede lid, 6, eerste, tweede en derde lid, 8, 10, 23, eerste lid, 24, 25, 26, 42, 43, 46, 53, 61b, alsmede artikel 62 voor zover het betreft de verkeerstekens C1, C2, C4, C6 tot en met C21, C22a, D2, D4 tot en met D7, E1 tot en met E3, F7 en de verkeerstekens genoemd in de artikelen 73, 76, 77, 78, 81 en 98."

Artikel 26 van het BABW luidt: "De bekendmaking van verkeersbesluiten geschiedt door plaatsing van het besluit in de Staatscourant."

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroep tegen de besluiten van 16 januari 2013, 29 mei 2013, 5 maart 2014 en 24 juli 2014 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en zijn beroep tegen het besluit van 19 februari 2015 ten onrechte ongegrond. Daartoe voert hij aan dat de besluiten van 16 januari 2013, 29 mei 2013, 5 maart 2014 en 24 juli 2014 en het besluit van 13 oktober 2014 nimmer in werking zijn getreden, nu het verkeersbesluiten betreffen die niet overeenkomstig artikel 26 van het BABW zijn bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.

Voor zover dit betoog niet wordt gevolgd stelt hij zich op het standpunt dat zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 13 oktober 2014 wel binnen de termijn is ingediend, omdat de bezwaartermijn volgens hem niet eerder is aangevangen dan de dag na ontvangst van het antwoord op de door hem naar voren gebrachte zienswijze, gericht tegen het ontwerpbesluit tot het verlenen van de door Europarcs aangevraagde ontheffing, te weten 24 oktober 2014. Volgens hem dienen een besluit tot verlening van een ontheffing en een antwoord op een naar voren gebrachte zienswijze tegen het ontwerpbesluit tot verlening van ontheffing altijd gelijktijdig te worden verzonden, hetgeen ten onrechte niet is gebeurd.

4.1. [appellant] voert niet aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat tegen de besluiten van 16 januari 2013, 29 mei 2013, 5 maart 2014 en 24 juli 2014 eerst bezwaar gemaakt had moeten worden. De rechtbank is terecht tot dit oordeel gekomen, omdat bij deze besluiten is beslist op vier aanvragen van Europarcs om een ontheffing op grond van artikel 87 van het RVV 1990. Gelet op het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) had [appellant] tegen deze besluiten eerst bezwaar moeten maken en heeft de rechtbank het beroep van [appellant] tegen deze besluiten reeds daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Hetgeen [appellant] overigens tegen de besluiten van 16 januari 2013, 29 mei 2013, 5 maart 2014 en 24 juli 2014 heeft aangevoerd behoeft daarom geen bespreking.

4.2. Anders dan [appellant] betoogt, kan de bij besluit van 13 oktober 2014 verleende ontheffing niet worden aangemerkt als een verkeersbesluit als bedoeld in artikel 15 van de Wvw en bestaat derhalve niet de verplichting dit besluit bekend te maken overeenkomstig artikel 26 van het BABW. Deze ontheffing brengt geen wijzigingen aan in het verkeersbesluit tot geslotenverklaring voor voertuigen breder dan 2,2 m en van de aslastbeperking van 4,8 ton op de Kanaaldijk binnen de bebouwde kom van Oost-Graftdijk, maar maakt dat deze geslotenverklaring niet van toepassing is op een gelimiteerd aantal voertuigen breder dan 2,2 m en op de geldende aslastbeperking van 4,8 ton. De ontheffing brengt voorts niet met zich dat verkeerstekens of onderborden worden geplaatst of verwijderd als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wvw. Evenmin leidt het verlenen van de ontheffing tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken. Of, zoals door [appellant] wordt betoogd, ook met een ander besluit dan de verleende ontheffing hetzelfde doel kan worden bereikt, kan in het midden blijven.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ4624, kan, anders dan [appellant] betoogt, niet worden afgeleid dat de ontheffing zoals hier aan de orde, een verkeersbesluit is als bedoeld in artikel 15 van de Wvw, reeds omdat in die uitspraak een ander soort ontheffing aan de orde was.

Het betoog faalt in zoverre.

4.3. [appellant] kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat de bezwaartermijn is aangevangen de dag na ontvangst van het antwoord op zijn naar voren gebrachte zienswijze tegen het ontwerpbesluit, nu daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat. Dat het antwoord op zijn zienswijze later aan hem is medegedeeld dan het tijdstip waarop het besluit tot het verlenen van ontheffing is genomen, maakt, anders dan [appellant] aanvoert, niet dat het college de zienswijze niet bij zijn besluitvorming heeft betrokken. In het besluit van 13 oktober 2014 worden de ingediende zienswijzen immers door het college behandeld.

Het besluit is bekendgemaakt overeenkomstig artikel 3:41, eerste lid, van de Awb. De bezwaartermijn is ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aangevangen op de dag na de bekendmaking van het besluit van 13 oktober 2014 aan Europarcs, te weten 15 oktober 2014 en is geëindigd op 25 november 2014. Het bezwaarschrift van [appellant] is op 1 december 2014 ingediend, zodat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke bezwaartermijn is ingediend.

Het betoog faalt ook in zoverre.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, griffier.

w.g. Michiels

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2017

357-776.