Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3393

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
201708640/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 oktober 2017 heeft de staatssecretaris het verzoek van Recycling Netwerk om handhavend optreden jegens stichting Afvalfonds Verpakkingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2018/7758
JAF 2018/770 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708640/1/A1.

Datum uitspraak: 12 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

stichting Recycling Netwerk van Eco-Eco, European Coalition of Environmental and Consumer Organisations, Stichting voor milieuverantwoorde produkten en verpakkingen (hierna: Recycling Netwerk), gevestigd te Emst, gemeente Epe,

verzoeker,

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2017 heeft de staatssecretaris het verzoek van Recycling Netwerk om handhavend optreden jegens stichting Afvalfonds Verpakkingen afgewezen.

Hiertegen heeft Recycling Netwerk bezwaar gemaakt en op grond van artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb de staatssecretaris verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de Afdeling.

De staatssecretaris heeft met toepassing van artikel 7:1a, derde en vierde lid, van de Awb ten aanzien van het bezwaarschrift van Recycling Netwerk ingestemd met rechtstreeks beroep. Bij brief van 15 november 2017 heeft de staatssecretaris dit bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden aan de Afdeling.

Recycling Netwerk heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 november 2017, waar Recycling Netwerk, vertegenwoordigd door mr. R. Hörchner, advocaat te Breda, en R. van Duin, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kerssemakers en mr. H. Berkhoff, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord het Afvalfonds, vertegenwoordigd door mr. A.A. Kleinhout, advocaat te Amsterdam, en G.H.M. Ehrismann.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Artikel 6, tweede lid, van het Besluit beheer verpakkingen 2014 (hierna: het Besluit) luidt:

"De producent of importeur draagt er zorg voor dat per kalenderjaar, van het totaal van de door hem in Nederland in dat kalenderjaar in de handel gebrachte verpakkingen en van de door hem ingevoerde verpakking waarvan hij zich in dat kalenderjaar heeft ontdaan:

[…]

c. van de overige materiaalsoorten ten minste de volgende gewichtspercentages worden gerecycled:

1°. 90 gewichtsprocent van glazen verpakkingen,

[…]."

    Artikel 9 luidt:

1. De producenten en importeurs kunnen gezamenlijk uitvoering geven aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 5, 6, eerste, tweede en vierde lid, 7 en 8, eerste lid.

2. Indien aan het eerste lid is voldaan, zijn in de eerste lid bedoelde verplichtingen niet van toepassing op:

a. een producent of importeur die de afvalbeheersbijdrage overeenkomstig de op grond van artikel 15.36, eerste lid, van de wet, algemeen verbindend verklaarde overeenkomst inzake verpakkingen afdraagt aan een daarbij genoemde rechtspersoon;

[…]

3. In gevallen waarin het tweede lid van toepassing is, berusten de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, op de rechtspersoon aan wie de afvalbeheersbijdrage, bedoeld in het tweede lid, wordt afgedragen."

3.    Recycling Netwerk heeft bij brief van 20 juli 2017 de Inspectie Leefomgeving en Transport verzocht om aan het Afvalfonds, zijnde de rechtspersoon als bedoeld in artikel 9, derde lid, van het Besluit, een last onder dwangsom op te leggen betreffende de zogenoemde hergebruiksnorm van glazen verpakkingen (hierna: de hergebruiksnorm) in het jaar 2018 en voor zover mogelijk 2019. Het verzoek om voorlopige voorziening strekt ertoe dat de voorzieningenrechter een voorlopig rechtmatigheidsoordeel geeft en de staatsecretaris wordt gelast om vóór 1 januari 2018 een dwangsombesluit te nemen betreffende de hergebruiksnorm voor 2018 en voor zover mogelijk ook voor 2019.

4.     De voorzieningenrechter stelt voorop dat in de bodemprocedure rechtsvragen aan de orde zijn, die zich minder goed lenen voor beantwoording in de onderhavige procedure. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het geven van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel als door Recycling Network verzocht, nog daargelaten dat een voorlopig rechtmatigheidsoordeel geen voorlopige voorziening is als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat op 10 november 2017 de bodemzaak met betrekking tot het verzoek om handhaving van Recycling Netwerk voor de jaren 2016 en 2017 is behandeld en een uitspraak in die zaak op korte termijn kan worden verwacht. De voorzieningenrechter ziet dan ook af van een inhoudelijke behandeling van het beroep vooruitlopend op de behandeling in de hoofdzaak.

5.     Het voorgaande leidt ertoe dat de vraag of vooruitlopend op de beoordeling van het beroep door de Afdeling, een voorziening moet worden getroffen, zal worden beantwoord aan de hand van een belangenafweging.

6.    Het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening die ertoe strekt dat de staatssecretaris aan het Afvalfonds een last onder dwangsom op dient te leggen acht de voorzieningenrechter te verstrekkend. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat Recycling Network niet gebaat is bij uitsluitend schorsing van het besluit van 26 oktober 2017, waarbij het verzoek om handhaving is afgewezen. De enkele schorsing van dat besluit brengt immers niet met zich dat de staatssecretaris aan het Afvalfonds een last onder dwangsom op dient leggen.

7.    Gelet op al het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Kos

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2017

580.