Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3381

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
201704433/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:3894, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2018/27 met annotatie van prof. mr. H. Battjes
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht. 201704433/1/V1.

Datum uitspraak: 13 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 mei 2017 in zaak nr. 17/8075 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 24 mei 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De staatssecretaris heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 augustus 2017, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en mr. R.A. Visser, en de vreemdeling, bijgestaan door mr. H. van der Wal, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    De vreemdeling heeft de Syrische nationaliteit en heeft van 2004 tot begin 2015 in de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: de VAE) gewoond en gewerkt en was in het bezit van een door de autoriteiten van de VAE aan hem verleende verblijfsvergunning. Hij is daar in maart 2010 gehuwd met een vrouw met de Filipijnse nationaliteit die eveneens door de autoriteiten van de VAE in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning en in dat land woont en werkt.

3.    Bij besluit van 7 april 2017 heeft de staatssecretaris de asielaanvraag van de vreemdeling krachtens artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) niet-ontvankelijk verklaard, omdat de VAE voor de vreemdeling een veilig derde land is.

4.    In artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), dat de implementatie is van artikel 38 van Richtlijn 2013/32/EU, PB 2013, L 180; hierna de Procedurerichtlijn), artikel 3.37e van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, en in paragraaf C2/6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), is nader uitgewerkt wanneer een land als veilig derde land kan worden aangemerkt.

Volgorde van behandeling

5.    In deze zaak speelt de vraag of de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de VAE voor de vreemdeling een veilig derde land is. Meer specifiek speelt de vraag of de vreemdeling in de VAE wordt behandeld overeenkomstig de voorgeschreven beginselen waaraan een veilig derde land moet voldoen. In de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2017:3378, speelt de vraag welk onderzoek aan een dergelijk standpunt ten grondslag moet liggen. In de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2017:3380, speelt daarnaast de vraag of in het betreffende geval toegang bestaat tot de VAE.

    De Afdeling zal hierna eerst in het algemeen uiteenzetten waaraan de tegenwerping, dat een land voor een vreemdeling een veilig derde land is, moet voldoen. Vervolgens zal de Afdeling de grief weergeven en aan de hand daarvan beoordelen of de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd dat de VAE voor de vreemdeling een veilig derde land is.

Vereisten voor het tegenwerpen van een veilig derde land

6.    Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan een aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard als een derde land voor die vreemdeling als veilig derde land kan worden beschouwd. Anders dan bij veilige landen van herkomst (zie de uitspraak van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2474), is hiervoor niet vereist dat de staatssecretaris een derde land aanwijst en opneemt in een lijst. De staatssecretaris kan in een concreet geval beoordelen of een land voor de specifieke vreemdeling een veilig derde land is. Aan die tegenwerping moet gedegen onderzoek ten grondslag liggen. De staatssecretaris moet bepaalde informatiebronnen over de algemene situatie in een bepaald land bij zijn oordeel betrekken, en het door hem verrichte onderzoek en de daarop gebaseerde beoordeling ook inzichtelijk maken. Kortheidshalve verwijst de Afdeling hiertoe naar de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2017:3378. Uit dit onderzoek moet blijken dat een vreemdeling in het derde land overeenkomstig de beginselen, genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000 zal worden behandeld.

6.1.    Als de staatssecretaris aan de hand van zorgvuldig onderzoek deugdelijk heeft gemotiveerd dat een vreemdeling in het derde land volgens de hiervoor bedoelde beginselen wordt behandeld, kan hij dit slechts tegenwerpen indien die vreemdeling een zodanige band heeft met dat land dat het voor die vreemdeling redelijk zou zijn daar naartoe te gaan. Dit kan het geval zijn als een vreemdeling in het verleden in dat land heeft gewoond, maar kan ook worden afgeleid uit andere individuele omstandigheden, zoals het hebben van een partner of andere familie in dat land. Het is, zoals ook volgt uit paragraaf C2/6.3 van de Vc 2000, in beginsel aan de staatssecretaris om aan de hand van de verklaringen van een vreemdeling en eventuele overgelegde of anderszins verkregen documenten aannemelijk te maken dat die vreemdeling een band heeft met het derde land. Het is vervolgens aan een vreemdeling om dat te weerleggen.

6.2.    De staatssecretaris kan slechts tegenwerpen dat een derde land voor een specifieke vreemdeling een veilig derde land is, indien die vreemdeling wordt toegelaten tot dat land. Zoals eveneens volgt uit paragraaf C2/6.3 van de Vc 2000 is het aan de staatssecretaris, die immers tegenwerpt dat een vreemdeling uit een veilig derde land komt, om aannemelijk te maken dat een vreemdeling wordt toegelaten tot een bepaald land. Hiertoe dient hij aan de hand van informatie uit algemene bronnen, of op basis van de verklaringen van een vreemdeling, redenen aan te dragen waarom toegang in beginsel mogelijk moet zijn. Vervolgens is het aan een vreemdeling om aan te tonen dat de door de staatssecretaris geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen tot het land, in zijn geval niet aanwezig zijn.

6.3.    Een inhoudelijke beoordeling van de situatie in een bepaald land is overbodig indien niet kan worden geoordeeld dat de band van een vreemdeling met dat land zodanig is dat het voor hem redelijk is daar naartoe te gaan of aannemelijk is dat die vreemdeling niet wordt toegelaten tot dat land. De staatssecretaris dient die vragen te beantwoorden voordat wordt toegekomen aan de vraag of die vreemdeling in dat land wordt behandeld overeenkomstig de vereisten waaraan een veilig derde land moet voldoen.

Weergave van de grief

7.    De staatssecretaris klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de VAE voor de vreemdeling een veilig derde land is. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank daarbij ten onrechte redengevend geacht dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000, omdat, daargelaten dat de autoriteiten van de VAE geen vluchtelingenstatus verstrekken, dat land niet voorziet in de in het Vluchtelingenverdrag aan die status verbonden aanspraken. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000, dat een omzetting vormt van artikel 38, eerste lid, aanhef en onder e, van de Procedurerichtlijn. Volgens de staatssecretaris is bepalend of in een derde land overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag bescherming wordt geboden. Nu in de VAE bij de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: UNHCR) om een vluchtelingenstatus kan worden verzocht en de VAE voorts het beginsel van non-refoulement eerbiedigen, is de VAE voor de vreemdeling in overeenstemming met artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000 een veilig derde land, aldus de staatssecretaris.

Bespreking van de grief

8.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de omstandigheid dat een land het Vluchtelingenverdrag niet heeft geratificeerd op zichzelf niet in de weg staat aan het aanmerken van dat land als veilig derde land. De tekst noch totstandkomingsgeschiedenis van artikel 38, eerste lid, van de Procedurerichtlijn bieden aanknopingspunten voor een ander oordeel. De rechtbank heeft in dit verband terecht gewezen op artikel 39 van de Procedurerichtlijn over "Europees veilig derde land", waarin in het tweede lid, aanhef en onder a, de eis is neergelegd dat een als zodanig aan te merken land het Vluchtelingenverdrag zonder geografische beperkingen heeft geratificeerd en naleeft. Nu die eis niet is gesteld in artikel 38 heeft de rechtbank die eis terecht niet in deze bepaling ingelezen. De staatsraad advocaat-generaal is in een andere zaak (ECLI:NL:RVS:2016:2040) op dit punt tot dezelfde conclusie gekomen.

8.1.    Wat betreft de in artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000, gestelde eis heeft de staatssecretaris gewezen op onder meer de Universal Periodic Review: United Arab Emirates van de UNHCR van juni 2012 (hierna: het rapport van de UNHCR) en het Country Reports on Human Rights Practices for 2015, United Arab Emirates van het US State Department (hierna: het rapport van het US State Department). Volgens die rapporten is het mogelijk om in de VAE aan de UNHCR te verzoeken om de vluchtelingenstatus en bieden de VAE na toekenning van die status bescherming, aldus de staatssecretaris. Ter zitting heeft de staatssecretaris toegelicht dat hij per individueel geval op basis van de verklaringen van de desbetreffende vreemdeling over diens situatie in de VAE beoordeelt of deze aldaar feitelijk bescherming ontvangt. Bescherming houdt volgens de staatssecretaris naast eerbiediging van het beginsel van non-refoulement in dat een vreemdeling niet wordt blootgesteld aan schending van fundamentele mensenrechten zoals neergelegd in de artikelen 2, 3 en 4 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en dat op de meest basale wijze in diens opvang wordt voorzien.

8.2.    Volgens het rapport van de UNHCR kennen de VAE geen nationale wetgeving die voorziet in de toekenning van een asiel- of vluchtelingenstatus, maar stellen de VAE de UNHCR in staat om op hun grondgebied te bepalen of daar verblijvende personen moeten worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Vreemdelingen in de VAE vallen, ook als de UNHCR hen als vluchteling of asielzoeker heeft geregistreerd, onder de werking van de nationale immigratiewetgeving waarin 'work sponsorship' als eis voor legaal verblijf is opgenomen. In het rapport van de UNHCR staat verder dat de UNHCR de mogelijkheid van hervestiging in een derde land op strategische wijze inzet als middel van bescherming van personen die juridische problemen hebben in de VAE, in het bijzonder personen die hun legale verblijfstatus dreigen te verliezen ten gevolge van de beëindiging van hun arbeidsrelatie. Voorts is in het rapport van de UNHCR vermeld dat geen gevallen bekend zijn van uitzetting van asielzoekers naar hun land van herkomst.

    Volgens het rapport van het US State Department is de toegang tot arbeid, onderwijs en andere publieke voorzieningen gebaseerd op de legale verblijfsstatus van een persoon. Personen die de UNHCR hebben verzocht om de vluchtelingenstatus kunnen in het algemeen geen gebruik maken van die voorzieningen. Verder staat in dat rapport dat de VAE in individuele gevallen de toegang tot een aantal van die voorzieningen mogelijk hebben gemaakt, vaak na tussenkomst van de UNHCR. Ten slotte is in dat rapport vermeld dat de VAE in het algemeen geen personen, die hebben aangegeven terugkeer te vrezen, tegen hun wil hebben teruggestuurd naar hun land van herkomst.

8.3.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2017:3378, is de staatssecretaris verplicht aan de hand van algemene informatie over de algemene situatie in een land te onderzoeken en te beoordelen of een vreemdeling in een derde land volgens de in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000 vermelde beginselen wordt behandeld. De staatssecretaris heeft met de verwijzing naar voormelde rapporten en de ter zitting gegeven toelichting niet deugdelijk gemotiveerd dat dit het geval is. Niet duidelijk is wat de houding van de autoriteiten van de VAE is tegenover door de UNHCR erkende vluchtelingen in dat land, ook wanneer die vluchtelingen niet beschikken over een 'work sponsor'. Zo is onduidelijk wat de concrete situatie van een vluchteling is indien hij niet (meer) legaal in de VAE verblijft, of - en op welke termijn - in al die gevallen hervestiging door de UNHCR plaatsvindt en welke voorzieningen, zoals huisvesting, gezondheidszorg en onderwijs, de UNHCR verstrekt aan vluchtelingen die al dan niet in afwachting zijn van hervestiging. Evenmin is deugdelijk gemotiveerd dat de VAE het verbod van non-refoulement naleven nu uit de in het rapport van US State Department in dat verband gebruikte bewoordingen kan worden afgeleid dat personen die hebben aangegeven te vrezen voor hun terugkeer, tegen hun wil zijn uitgezet naar hun land van herkomst en daarin niet staat dat dit niet geldt voor door de UNHCR erkende vluchtelingen. Bovendien is niet duidelijk of tussen de UNHCR en de VAE afspraken bestaan over het eerbiedigen van het verbod van non-refoulement bij door de UNHCR erkende vluchtelingen.

    Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat, overeenkomstig artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000, de VAE voor de vreemdeling een veilig derde land is.

    De grief faalt.

Conclusie

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Willems

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2017

412. BIJLAGE

Procedurerichtlijn

Artikel 38

1. De lidstaten mogen het begrip "veilig derde land" alleen toepassen indien de bevoegde autoriteiten zich ervan hebben vergewist dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld:

[…]

c. het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Verdrag van Genève [Vluchtelingenverdrag] wordt nageleefd;

[…]

e. de mogelijkheid bestaat om om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Verdrag van Genève [Vluchtelingenverdrag].

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 3.106a

1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Wet indien, naar het oordeel van Onze Minister, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld:

[…]

c. het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag wordt nageleefd, en

[…]

e. de mogelijkheid bestaat om om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag.

Vreemdelingencirculaire 2000

Paragraaf C2/6.3

[…] De [staatssecretaris] verklaart een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd alleen niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, onder c, Vw [2000], indien er redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling wordt toegelaten tot het veilige derde land.[…].