Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3372

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-12-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
201708859/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2016 heeft het college [verzoekster] onder oplegging van een dwangsom gelast de overschrijding van het aanvaardbaar hinderniveau van de inrichting op het perceel [locatie] te Borgercompagnie te beëindigen en in overeenstemming te brengen met de geurnormen zoals die zijn opgenomen in het rapport van Witteveen en Bos van januari 2016 (lees: februari 2016).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2018/4 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708859/2/A1.

Datum uitspraak: 6 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoekster], gevestigd te Borgercompagnie, gemeente Veendam,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank) van 26 september 2017 in zaak nrs. 17/2872 en 17/2874 in het geding tussen:

[verzoekster]

en

het college van burgemeester en wethouders van Veendam.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2016 heeft het college [verzoekster] onder oplegging van een dwangsom gelast de overschrijding van het aanvaardbaar hinderniveau van de inrichting op het perceel [locatie] te Borgercompagnie te beëindigen en in overeenstemming te brengen met de geurnormen zoals die zijn opgenomen in het rapport van Witteveen en Bos van januari 2016 (lees: februari 2016).

Bij besluit van 1 augustus 2017 heeft het college het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 september 2017 heeft de rechtbank het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 november 2017, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, en het college vertegenwoordigd door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, zijn verschenen. Aan de zijde van [verzoekster] is voorts verschenen ing. P.F. van Benthem.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Het verzoek strekt er toe dat het besluit, verzonden op 20 juli 2016 en het besluit 1 augustus 2017 worden geschorst tot de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure.

3.    Op het perceel was in het verleden een veebedrijf voor het houden van melkrundvee en de opslag van mest en meststoffen gevestigd. In 2005 heeft [verzoekster] haar bedrijfsactiviteiten gewijzigd en is zij gestart met een biomassavergistingsinstallatie.

    Op 29 april 2012 heeft [verzoekster] een aanvraag om een vergunning voor verandering van de inrichting ingediend. Bij besluit van 29 oktober 2012 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning onder voorschriften verleend. Voorschrift 1.6 van die vergunning luidt:

"1. Degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn dan wel het al dan niet tijdelijk buiten werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

2. Onder het voorkomen of beperken van het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

[…];

g. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder."

4.    Naar aanleiding van klachten van omwonenden over geurhinder is het college in december 2014 overgegaan tot het laten uitvoeren van een geuronderzoek. Dit onderzoek is door het adviesbureau Witteveen en Bos uitgevoerd. De resultaten ervan zijn neergelegd in het rapport van februari 2016.

    In het in bezwaar gehandhaafde besluit van 20 juli 2016 is vermeld dat Witteveen en Bos op basis van de emissies die met bronmetingen zijn vastgesteld, verspreidingsberekeningen heeft gemaakt op grond waarvan geurcontouren zijn vastgesteld. De waarde van die contouren is gebaseerd op het toetsingskader uit het Groninger provinciaal geurbeleid. Volgens het college zijn er geen belemmeringen om aan te sluiten bij dat beleid. In dat beleid wordt onder meer onderscheid gemaakt tussen een hoog en een laag beschermingsniveau en nieuwe en bestaande situaties, door een maximale geurconcentratie toe te staan afhankelijk van de hedonische waarde. In de situatie van [verzoekster] is volgens het college sprake van een hoog beschermingsniveau in een bestaande situatie. Daarbij geldt als aanvaardbaar hinderniveau dat de concentratie behorend bij een hedonische waarde van -1 gedurende 98% van de tijd niet mag worden overschreden. Om te voorkomen dat binnen deze tijd grote pieken optreden geldt als aanvullende eis dat gedurende 99,5% van de tijd een tweevoud van deze concentratie niet mag worden overschreden. Voor 99,9% van deze tijd geldt een viervoud van deze concentratie, aldus het college. Op grond van het rapport is evident gebleken dat bovenstaande normen van een aanvaardbaar hinderniveau, die in het rapport zijn aangeduid als 'blauwe geurcontouren', worden overschreden, omdat die contouren een groot aantal gevoelige objecten omvatten. Dit betekent, aldus het college, dat [verzoekster] in strijd handelt met voorschrift 1.6, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder g, van de omgevingsvergunning, hetgeen verboden is op grond van artikel 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

5.    Het betoog van [verzoekster] komt erop neer dat het college niet wegens overtreding van voorschrift 1.6 van de omgevingsvergunning van 29 oktober 2012 handhavend heeft mogen optreden. Zij voert daartoe aan dat het college in het handhavingsbesluit voorschrift 1.6 heeft gewijzigd, hetgeen niet mogelijk is, dat het college er niet aan voorbij heeft kunnen gaan dat met de in het verleden vergunde activiteiten geuremissies samenhangen, dat van de vergunde activiteiten niet kan worden gezegd dat deze onaanvaardbare geurhinder met zich brengen en dat voorschrift 1.6 een zorgplicht inhoudt en dat daarom uit oogpunt van rechtszekerheid als criterium heeft te gelden dat handelen of nalaten van [verzoekster] onmiskenbaar in strijd is met die zorgplicht.

5.1.    In de inrichting op het perceel vindt mestvergisting plaats. De inrichting is in werking op grond van vergunningen uit 2005, 2011 en 2012 en meldingen van 2005, 2006 en 2008. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter mocht [verzoekster] er in beginsel op vertrouwen dat, indien zij conform die vergunningen en meldingen handelt, van geurhinder geen sprake is, althans geurhinder tot een aanvaardbaar niveau is beperkt. Zij hoefde er niet van uit te gaan dat op grond van voorschrift 1.6 de uitvoering van ingrijpende voorzieningen zou kunnen worden vereist waardoor zij de vergunde activiteiten slechts met hoge kosten dan wel niet langer zou kunnen uitvoeren. Gelet op het verhandelde ter zitting acht de voorzieningenrechter niet uitgesloten dat [verzoekster], ter uitvoering van voorschrift 1.6, zoals dat in het besluit van 20 juli 2016 is ingevuld, ingrijpende voorzieningen met betrekking tot haar bedrijfsvoering moet treffen.

    De voorzieningenrechter is op voorhand van oordeel dat er in het handhavingsbesluit via invulling van voorschrift 1.6 zodanige eisen aan de bedrijfsvoering van [verzoekster] worden gesteld, dat moet worden betwijfeld of het college het handhavingsbesluit heeft mogen nemen, zoals het heeft gedaan. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter niet uitgesloten dat het handhavingsbesluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

6.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Veendam van 20 juli 2016, kenmerk 201612950, en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Veendam van 1 augustus 2017, kenmerk 8008;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Veendam tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Veendam aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Pieters

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 december 2017

473.