Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3358

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-12-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
201700096/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:10236, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 maart 2015 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bewonen van de bedrijfswoning door derden op het perceel [locatie 1] te Weert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6462
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700096/1/A1.

Datum uitspraak: 6 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de maatschap], [maat A] en [maat B], gevestigd dan wel wonend te Weert (hierna: tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 november 2016 in zaak nr. 15/2883 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Weert.

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2015 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bewonen van de bedrijfswoning door derden op het perceel [locatie 1] te Weert.

Bij besluit van 18 augustus 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 november 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 oktober 2017, waar [maat B], vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door G.F.J.M. Vosdellen, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder] ter zitting gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] exploiteert een varkenshouderij op het perceel [locatie 2] te Weert. Aangrenzend aan dat perceel is het perceel [locatie 1] gelegen. [vergunninghouder] bewoont de woning op dit perceel, waarop ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2011" een bedrijfswoning bij de varkenshouderij van [appellant] is toegestaan. De Afdeling heeft in de uitspraak van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:236, de nadere aanduiding "specifieke vorm van wonen - voormalige agrarische bedrijfswoning" vernietigd en overwogen dat de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom, gelet op de belangen van [appellant], de toekenning van deze aanduiding aan het perceel [locatie 1] strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

    Bij besluit van 24 maart 2015 heeft het college met toepassing van artikel 4.6.6 van de planregels omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van de voormalige bedrijfswoning voor bewoning door derden. Aan dit besluit heeft het primair ten grondslag gelegd dat de planologische aanvaardbaarheid moet worden verondersteld nu het bestemmingsplan onherroepelijk is en in het kader van de voorbereiding van dat bestemmingsplan is onderzocht welke woningen in aanmerking kunnen komen voor aanduiding als plattelandswoning. Volgens het college hoeft derhalve niet nader te worden gemotiveerd waarom sprake is van een uitzonderingsgeval dat het gebruik van de afwijkingsbevoegdheid rechtvaardigt. Subsidiair heeft het college nader onderzoek verricht naar de situatie op het perceel ten aanzien van geur, geluid, volksgezondheid en de luchtkwaliteit. Daarbij is het college tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van ontoelaatbare of onaanvaardbare effecten die aan verlening van de gevraagde omgevingsvergunning in de weg staan.

2.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft overwogen dat noch in de tekst noch in de systematiek of de toelichting van het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" aanknopingspunten zijn te vinden voor de conclusie dat de afwegingen waarop de afwijkingsbevoegdheid in artikel 4.6.6 van de planregels berust zo ver gaan dat deze geacht moeten worden ten aanzien van alle in het plangebied voorkomende, buiten een landbouwontwikkelingsgebied gelegen, agrarische bedrijfswoningen afzonderlijk te zijn gemaakt. Volgens de aangevallen uitspraak is daar voor het onderhavige perceel te minder reden voor, nu de aanduiding in het bestemmingsplan die de beoogde functiewijziging rechtstreeks mogelijk maakte door de Afdeling is vernietigd, juist omdat geen toereikende afweging omtrent een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt vervolgens dat aan de voormelde afwijkingsbevoegdheid ten grondslag ligt dat het in het belang van een goede ruimtelijke ordening (onder meer ter voorkoming van leegstand en afbraak van woningen) is om burgerbewoning van agrarische bedrijfswoningen, mits gelegen buiten een landbouwontwikkelingsgebied, mogelijk te maken en dat de kwaliteit van het woon- en leefklimaat op het betrokken perceel, in aanmerking moet worden genomen. Het voorgaande betekent dat bij de beoordeling van de aanvraag om die bevoegdheid toe te passen alle betrokken belangen, waaronder het belang van een goed woon- en leefklimaat op het betrokken perceel, in aanmerking moeten worden genomen. Uit het voorgaande volgt volgens de aangevallen uitspraak dat de beroepsgronden voor zover die betrekking hebben op de primaire grondslag van het besluit slagen.

    De rechtbank overweegt vervolgens dat in het besluit van 18 augustus 2015 een subsidiaire grondslag aan de omgevingsvergunning ten grondslag ligt en dat het college nader onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit, geur, geluid en volksgezondheid heeft gedaan en de deugdelijkheid van die onderzoeken en de daaraan verbonden conclusies door [appellant] niet ter discussie zijn gesteld en er geen aanknopingspunten aanwezig zijn om deze voor onjuist te houden.

    De rechtbank concludeert dat de beroepsgronden voor zover gericht tegen de primaire grondslag weliswaar terecht zijn voorgedragen, maar dat de gronden gericht tegen de subsidiaire grondslag geen doel treffen en het beroep derhalve ongegrond dient te worden verklaard.

Beroep [appellant]

4.    [appellant] betoogt dat de nagenoeg ongeclausuleerde afwijkingsbevoegdheid op grond waarvan de omgevingsvergunning is verleend onverbindend is vanwege strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, nu een ongeclausuleerde binnenplanse afwijkingsmogelijkheid zich niet verdraagt met het feit dat de figuur van de plattelandswoning een uitzonderingsmogelijkheid betreft. Volgens [appellant] is aan artikel 4.6.6 van de planregels ten onrechte geen voorwaarde verbonden die het uitzonderingskarakter van een plattelandswoning borgt.

4.1.    Anders dan het college stelt kan de verbindendheid van de planregels ook eerst in hoger beroep aan de orde worden gesteld.

    De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het, bij wijze van exceptieve toetsing, buiten toepassing laten van een planvoorschrift wegens strijd met de Wet ruimtelijke ordening. Voor het bij wijze van exceptieve toetsing, buiten toepassing laten van een planvoorschrift wegens strijd met de Wet ruimtelijke ordening is slechts plaats, indien een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid een wijziging van het gebruik mogelijk maakt die leidt tot een planologisch relevante wijziging van de bestemming, dan wel indien die bepaling voorziet in een afwijkingsmogelijkheid zonder enige beperking. Daarvan is in dit geval geen sprake. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is de enkele omstandigheid dat artikel 4.6.6 van de planregels het college de bevoegdheid tot afwijking geeft onvoldoende om de bevoegdheid toe te passen.

    Het betoog faalt.

5.    Daarnaast betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college het besluit in strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft genomen, nu niet is uiteengezet waarom in dit geval een uitzonderingssituatie bestaat op grond waarvan een plattelandswoning mogelijk zou kunnen worden gemaakt. Verder betoogt [appellant] dat de bewoners van de woning zelf van mening zijn dat geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat bestaat, omdat zij meerdere malen bij het college hebben geklaagd en daarnaast het college hebben verzocht handhavend op te treden tegen de inrichting. Volgens [appellant] zal na verlening een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ontstaan op het perceel, nu de huidige situatie, waarbij door [appellant] en [vergunninghouder] gezamenlijk gebruikt wordt gemaakt van de oprit, reeds tot conflicten heeft geleid.

5.1.    Het college heeft aan het besluit van 24 maart 2015, onder andere, een luchtkwaliteitsonderzoek van 13 maart 2015 ten grondslag gelegd. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat ter plaatse van de woning op het perceel [locatie 1] te Weert geen sprake is van een overschrijding van de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit en dat de veehouderij op het perceel [locatie 2] te Weert niet belemmerd wordt in haar ontwikkelingsmogelijkheden door af te wijken van het bepaalde in het bestemmingsplan voor het toestaan van bewoning van de bedrijfswoning door derden op het perceel [locatie 1] te Weert.

5.2.    De rechtbank heeft in hetgeen door [appellant] is aangevoerd terecht  geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat na verlening van de omgevingsvergunning geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal bestaan. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat het college aan het besluit onderzoeken naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit, geur, geluid en volksgezondheid ten grondslag heeft gelegd en dat de resultaten van deze onderzoeken niet door [appellant] zijn weersproken. In dit verband heeft [appellant] ter zitting van de Afdeling toegelicht dat zij geen onjuistheden heeft gezien in de berekeningen. Daarnaast heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat het college bij de beoordeling van de omgevingsvergunning eveneens rekening heeft gehouden met mogelijke uitbreidingen van de inrichting van [appellant] en dat daarbij niet is gebleken dat na uitbreiding van de inrichting geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal bestaan. De omstandigheid dat de verhoudingen tussen de huidige bewoner van de woning en [appellant] zijn verslechterd, dat de huidige bewoner van de woning heeft geklaagd bij het college en dat zij heeft verzocht om handhavend op te treden betekent niet dat na verlening van de omgevingsvergunning geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat bestaat.

    Het betoog faalt.

Tegenstrijdigheid aangevallen uitspraak

6.    Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte haar beroep gericht tegen het besluit van 18 augustus 2015 niet gegrond heeft verklaard, faalt dit betoog. Weliswaar heeft de rechtbank overwogen dat het betoog dat het college bij toepassing van artikel 4.6.6 van de planregels ten onrechte niet van belang heeft geacht of een goed woon- en leefklimaat bestaat terecht is voorgedragen door [appellant], maar de rechtbank heeft terecht, nu in het besluit een deugdelijke motivering is gegeven voor het verlenen van de omgevingsvergunning, het beroep ongegrond verklaard.

Slot en conclusie

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Vermeulen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 december 2017

700. BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 1.1a

"1. Een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, die op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning door een derde bewoond mag worden, wordt met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen beschouwd als onderdeel van die inrichting, tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald."

Artikel 2.1

"1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

[…];"

Artikel 2.12

"1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1° met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2° in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3° in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

[…];"

Planregels behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2011"

Artikel 4.5.1

"Onder gebruiken en/of laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt ten minste verstaan het gebruik van gronden en opstallen:

[…];

aa. voor bewoning van de bedrijfswoning door derden uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - voormalige agrarische bedrijfswoning’;

[…];"

Artikel 4.6.6

"Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.5.1 onder aa. ten behoeve van het toestaan van bewoning van de voormalige bedrijfswoning door derden, met dien verstande dat:

a. de bedrijfswoning niet gelegen is in de aanduiding ‘landbouwontwikkelingsgebied’."