Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3343

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-12-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
201703237/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 maart 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Wonen Ommen, partiële herziening Hessenweg West 1, Ommen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6376
JBO 2018/7 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703237/1/R3.

Datum uitspraak: 6 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Ommen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Ommen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Wonen Ommen, partiële herziening Hessenweg West 1, Ommen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [partijen] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 november 2017, waar [appellant] en anderen, bij monde van [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door W.G.J. Sauer, zijn verschenen.

Voorts is [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op het perceel Hessenweg West 1 bevindt zich de voormalige stadsboerderij "Erve Slotman". De bedrijfswoning en de andere bedrijfsgebouwen hebben geen agrarische functie meer en verkeren in vervallen staat. De eigenaar en initiatiefnemer, [partij], is voornemens het complex te transformeren. Hij wenst de boerderij te herbouwen en de authenticiteit en cultuurhistorische waarde zoveel mogelijk te herstellen. Het aangebouwde achterhuis wil hij slopen en aan de zuidelijke zijde van de boerderij op het erf herbouwen. De oorspronkelijke wagenloods uit 1930 wil hij verbouwen tot schuur met een gastenverblijf. Met het plan wordt beoogd deze transformatie mogelijk te maken. Verder voorziet het plan in een veld van 200 tot 250 m2 voor maximaal 120 zonnepanelen te kunnen plaatsen. Voorts maakt het plan de aanleg van een paardenbak met verlichting mogelijk.

2.    [appellant] en anderen wonen op percelen die aan de rand van een weiland liggen dat aan de zuidelijke zijde van het plangebied ligt. Zij hebben bezwaren tegen het plan, omdat dit volgens hen ontwikkelingen mogelijk maakt die hun woon- en leefklimaat kunnen aantasten.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Ingetrokken beroepsgrond

4.    Ter zitting hebben [appellant] en anderen hun beroepsgrond die inhoudt dat het plan in strijd is met het provinciale beleid, in het bijzonder de Omgevingsverordening Overijssel, ingetrokken.

Ontvankelijkheid

5.    De raad heeft naar voren gebracht dat de percelen van de appellanten die aan de Merelstraat en de Geelgorsstraat wonen, op te grote afstand van het plangebied liggen en dat zij daarom niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. Ook de appellanten die aan de Koperwiekstraat wonen, zijn volgens de raad geen belanghebbenden, omdat het plangebied vanaf hun woningen volledig aan het zicht wordt onttrokken door een forse groenstrook.

5.1.    Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt:

"Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

5.2.    Op grond van de stukken stelt de Afdeling vast dat de percelen waarop de woningen van appellanten aan de Koperwiekstraat staan, op relatief korte afstand van het plangebied liggen. Weliswaar is er beplanting aanwezig tussen hun percelen en het plangebied, maar hierdoor wordt het plangebied niet volledig aan het zicht onttrokken. Ook de bewoners van de woningen aan de Merelstraat en de Geelgorsstraat hebben vanaf hun percelen zicht op het plangebied, al wonen zij op grotere afstand van het plangebied. In verband hiermee hebben [appellant] en anderen naar het oordeel van de Afdeling een rechtstreeks bij het vaststellingsbesluit betrokken belang, zodat zij belanghebbenden zijn als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Hun beroep is dan ook ontvankelijk.

Inhoudelijk

6.    De raad betoogt dat een aantal beroepsgronden niet in de zienswijzen van [appellant] en anderen is aangevoerd en dat deze gronden daarom in het belang van een goede procesorde buiten behandeling moeten blijven.

6.1.    De Afdeling volgt de raad hierin niet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 oktober 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1479)) staat binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. Dit betekent dat de Afdeling in de hierna volgende bespreking inhoudelijk op bedoelde beroepsgronden zal ingaan, behoudens hetgeen in artikel 8:69a van de Awb is bepaald.

7.    [appellant] en anderen voeren aan dat in het raadsbesluit een ander identificatienummer van het bestemmingsplan dat is vastgesteld, wordt genoemd dan het nummer van het bestemmingsplan dat op de landelijke voorziening is vermeld.

7.1.    De raad erkent dat het identificatienummer van het bestemmingsplan dat in het vaststellingsbesluit is genoemd, niet overeenkomt met het nummer van het bestemmingsplan dat is vermeld op de landelijke voorziening. De raad erkent dat het nummer in het raadsbesluit onjuist is. Het plan op de landelijke voorziening en het vaststellingbesluit komen in zoverre niet met elkaar overeen. De Afdeling ziet aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

    Gelet hierop slaagt het betoog, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat in het raadsbesluit in plaats van NL.IRO.0175.wonen2012bp0002-VG01 wordt gelezen NL.IMRO.0175.wonen2012bp0002-va01 en te bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat wordt vernietigd. De Afdeling acht niet aannemelijk dat derde-belanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad.

8.    [appellant] en anderen betogen dat de voormalige boerderij en de bestaande schuur karakteristieke en cultuurhistorische waarden hebben maar dat in het plan niet duidelijk is vastgelegd dat deze waarden behouden moeten blijven. In de stukken wordt namelijk de ene keer gesproken over het intact houden van de boerderij, maar de andere keer over herbouw. Het is volgens hen onmogelijk om historisch terug te bouwen en dan nog te spreken van het behouden van bijzondere waarden.

8.1.    De raad stelt dat de initiatiefnemer de bedoeling heeft de voormalige boerderij te herbouwen, zodat de oorspronkelijke, uitwendige hoofdvorm van de boerderij weer terugkomt. De huidige bouwkundige staat van de boerderij is zodanig dat het niet mogelijk is om het huidige gebouw in zijn geheel te behouden. De plannen van de initiatiefnemer geven de raad het vertrouwen dat het oorspronkelijke karakter behouden blijft.

8.2.    De meeste gebouwen in het plangebied verkeren in een zeer slechte staat door achterstallig onderhoud. De voormalige boerderij en de overige bebouwing hebben geen monumentale status. Alleen aan de boerderij is de aanduiding "karakteristiek" toegekend. Dit betekent dat niet kan worden afgedwongen dat de aanwezige bebouwing volledig in stand wordt gehouden en niet wordt gesloopt. Het plan verzet zich er niet tegen dat de bestaande bebouwing wordt vervangen door nieuwbouw. Met artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder b, van de planregels wordt echter wel beoogd de oorspronkelijke, uitwendige hoofdvorm van de boerderij te behouden. Zo wordt ernaar gestreefd de voorgevel en de oorspronkelijke achtergevel op de huidige plek te laten staan. De later aan de boerderij gebouwde aan- en uitbouwen worden gesloopt. Indien de oorspronkelijke hoofdvorm van de boerderij daarna geheel of gedeeltelijk wordt gesloopt, zal deze echter opnieuw worden opgebouwd op dezelfde locatie en in dezelfde stijl en vorm.

    Het betoog faalt.

9.    [appellant] en anderen stellen dat het plan in strijd is met het Gemeentelijk Omgevingsplan Ommen (GOP), omdat belanghebbenden volgens hen niet tijdig zijn geïnformeerd en het plan bij hen geen draagvlak heeft. Voorts past het plan niet in het gemeentelijke Landschapsontwikkelingsplan (LOP).

9.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet in strijd is met het gemeentelijke beleid.

9.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in de plantoelichting in hoofdstuk 3 in achtereenvolgens de paragrafen 3.3.2 en 3.3.3 uitvoerig uiteengezet dat en waarom volgens hem de in het plan voorziene ontwikkeling voldoet aan het Omgevingsplan en het Landschapsontwikkelingsplan. In dit verband heeft de raad toegelicht dat de initiatiefnemer de naaste aanwonenden op de hoogte heeft gesteld van zijn voornemen. Daartoe heeft de initiatiefnemer een informatiebijeenkomst gehouden, waarbij hij een toelichting op zijn voornemen heeft gegeven. Naar aanleiding van opmerkingen van aanwonenden heeft de initiatiefnemer de situering van de nieuwe schuur enigszins aangepast en heeft hij besloten af te zien van zijn voornemen om zijn elders in Ommen gevestigde autobedrijf naar het plangebied van het voorliggende plan te verplaatsen. Weliswaar kan het plan bij [appellant] en anderen niet op draagvlak rekenen, maar dit betekent niet dat het plan in strijd is met het Omgevingsplan.

    Het betoog faalt.

10.    [appellant] en anderen betogen dat de voorwaardelijke verplichting in artikel 4, lid 4.4.3, van de planregels die ziet op de landschappelijke inpassing, ten onrechte alleen wordt geactiveerd indien nieuwe gebouwen binnen de bestemming "Woongebied" in gebruik worden genomen maar niet indien deze gebouwen niet in gebruik worden genomen. Volgens hen heeft de voorwaardelijke verplichting ook ten onrechte geen betrekking op bestaande gebouwen in de bestemming "Woongebied" en evenmin op de plaatsing van zonnepanelen en de aanleg van de paardenbak binnen de bestemming "Agrarisch".

10.1.    De raad stelt dat in de planregels een voorwaardelijke verplichting is opgenomen waarin is vastgelegd dat de landschapsmaatregelen in het Erfinrichtingsplan moeten worden uitgevoerd. De zonnepanelen en de paardenbak worden zodanig in het veld gesitueerd dat deze voor de omgeving (vrijwel) niet te zien zijn. Zij zullen worden omgeven door een beukenhaag en er komt een houtwal tussen deze voorzieningen en het aangrenzende weiland.

10.2.    Artikel 4, lid 4.4.3 van de planregels luidt:

"a. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van nieuwe gebouwen overeenkomstig de in "Woongebied" opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage 2 opgenomen Erfinrichtingsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing;

b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen nieuwe gebouwen overeenkomstig de in "Woongebied" opgenomen bestemmingsomschrijving worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen 24 maanden na de ingebruikname van gebouwen uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage 2 opgenomen Erfinrichtingsplan teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing."

10.3.    Uit de stukken blijkt dat de initiatiefnemer het voornemen heeft de bestaande woning aan de Hessenweg West 1 te verbouwen en deze voor bewoning geschikt te maken. Verder heeft hij het voornemen een nieuwe schuur te bouwen. Gebleken is dat de initiatiefnemer intussen uitvoering heeft gegeven aan dit voornemen. Hij heeft voor deze activiteiten een omgevingsvergunning aangevraagd, die het college van burgemeester en wethouders inmiddels op 9 augustus 2017 heeft verleend. In verband hiermee is naar het oordeel van de Afdeling voldoende gewaarborgd dat uitvoering wordt gegeven aan de landschapsmaatregelen die in het Erfinrichtingsplan zijn opgenomen.

    Het betoog faalt.

11.    [appellant] en anderen betogen dat artikel 4, lid 4.1, onder a, van de planregels niet duidelijk is, omdat in het plan niet is beschreven hoeveel woningen binnen de bestemming "Woongebied" zijn toegelaten. Ook is niet duidelijk of een gastenverblijf binnen de bestemming is toegestaan.

11.1.    De raad stelt dat artikel 4, lid 4.1, onder a, voldoende duidelijk is.

11.2.    Artikel 4, lid 4.1, van de planregels luidt:

"De voor "Woongebied" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen, beperkt tot het bestaande aantal woningen;

(…)"

    Artikel 1, lid 1.13, geeft een definitie van het begrip "bestaand". Deze luidt:

"a. het gebruik dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is, en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig is of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning;

b. het onder a bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan, de voorheen geldende beheersverordening, of een andere planologische toestemming;"

11.3.    De Afdeling is van oordeel dat artikel 4, lid 4.1, onder a, in samenhang met artikel 1, lid 1.13, van de planregels voldoende duidelijk is. Overigens is - anders dan [appellant] en anderen veronderstellen - in de plantoelichting (pagina 43) vermeld dat ter plaatse één woning aanwezig is. Ter zitting is van de zijde van de raad bevestigd dat slechts één woning is toegelaten. Verder verzet het plan zich, gelet op de gebruiksregels in artikel 4, lid 4.4.1, niet tegen een gebruik van de schuur als gastenverblijf indien dit geen bedrijfsmatig karakter heeft.

    Het betoog faalt.

12.    [appellant] en anderen betogen dat de raad een regeling in het plan had moeten opnemen die beperkingen stelt aan de mogelijkheden om vergunningvrije bouwwerken, waaronder erf- en perceelafscheidingen, in de bestemmingen "Agrarisch" en "Woongebied" te bouwen. De raad had ook de bestaande erf- en perceelafscheidingen niet zonder meer in het plan mogen toestaan. Volgens [appellant] en anderen kunnen deze bouwwerken afbreuk doen aan de kwaliteit van het gebied en de in het plan voorziene bebouwing.

    [appellant] en anderen hebben verder bezwaren tegen de mogelijkheden die het plan biedt om bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen. In dit verband wijzen zij erop dat het plan voorziet in de bouw van een schuur van 250 m2 hoewel volgens hen al veel bijgebouwen aanwezig zijn. Verder begrijpt de Afdeling de bezwaren van [appellant] en anderen aldus dat zij er niet mee akkoord gaan dat het bestemmingsvlak met de bestemming "Woongebied" groter is dan het agrarische bouwblok in het vorige plan en dat dit ten koste gaat van een stuk weiland aan de zuidelijke zijde. Verder hebben zij bezwaren tegen de plaatsing van zonnepanelen vanwege mogelijke reflecties en tegen de aanleg van een paardenbak vanwege opstuivend zand en eventuele lichthinder van mogelijke lichtmasten. Zij vrezen dat door een en ander hun woon- en leefklimaat kan worden aangetast, ook omdat de mogelijke bebouwing en activiteiten dichter bij hun percelen kunnen worden gerealiseerd.

12.1.    De raad stelt dat in de regels van het plan een voorwaardelijke verplichting is opgenomen waarin is vastgelegd dat de landschapsmaatregelen in het Erfinrichtingsplan daadwerkelijk moeten worden uitgevoerd. Met de uitvoering van dat plan worden de kwaliteiten van het gebied voldoende beschermd. Volgens de raad heeft de initiatiefnemer niet de bedoeling (extra) erfafscheidingen te plaatsen. Het Erfinrichtingsplan laat zien welke zichtlijnen op de voormalige boerderij aanwezig zullen zijn. De zonnepanelen zullen zodanig in het veld worden gesitueerd dat deze (vrijwel) niet te zien zijn. Slechts een beperkt deel van de gronden rondom de voormalige boerderij wordt in ontwikkeling genomen. Het overgrote deel van de gronden tussen de boerderij en de woningen van [appellant] en anderen wordt niet ontwikkeld en blijft een grote groene ruimte. De locatie voor de nieuwe schuur heeft volgens de raad geen nadelige gevolgen voor het karakter van het erf en de omgeving.

12.2.    Uit de stukken blijkt dat met het plan wordt beoogd een compact erf te realiseren. Dit betekent dat de voormalige boerderij en de overige bebouwing worden georiënteerd rond een centraal erf, waarbij de nieuw te bouwen schuur ten zuiden van de boerderij komt te liggen. De gronden aan de noordelijke zijde van de boerderij kunnen dan vrij blijven van bebouwing. Hierdoor blijven de bestaande zichtlijnen op de boerderij vanaf de Balkerweg gehandhaafd. Dit is van belang omdat deze weg de toegang vormt tot de kern van Ommen. De Afdeling acht deze doelstelling van het plan niet onredelijk.

12.3.    Artikel 3, lid 3.1, van de planregels luidt:

"De voor "Agrarisch" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. agrarische cultuurgrond;

(…)

c. tuinen en erven aangrenzend aan de bestemming "Woongebied";

(…)

j. het behoud en herstel van de aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische waarden."

    Artikel 3, lid 3.2, luidt:

"Bouwen is toegestaan uitsluitend ten dienste van de in artikel 3.1 omschreven bestemming met inachtneming van de volgende regels:

a. uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde;

b. er zijn uitsluitend vergunningsvrije erf- en perceelafscheidingen toegestaan overeenkomstig artikel 2 van bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht (zoals dat geldt op het moment van vaststelling van dit bestemmingsplan), met dien verstande dat bestaande erf- en perceelafscheidingen eveneens zijn toegestaan;

(…)

e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde bedraagt maximaal 3 m."

    Artikel 4, lid 4.1, luidt:

"De voor "Woongebied" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen, beperkt tot het bestaande aantal woningen;

(…)

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven."

    Artikel 4, lid 4.2.3, luidt:

"Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

a. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 m;

b. er zijn uitsluitend vergunningsvrije erf- en perceelafscheidingen toegestaan overeenkomstig artikel 2 van bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht (zoals dat geldt op het moment van vaststelling van dit bestemmingsplan)."

12.4.    Op grond van artikel 2.3, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2 van bijlage II van het Bor. Dit brengt met zich dat het bestemmingsplan niet in de weg staat aan het bouwen van bouwwerken die aan de in artikel 2 van bijlage II van het Bor gestelde eisen voldoen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0166, blijkt dat het bestemmingsplan daaraan ook niet in de weg mag staan.

12.5.    Ingevolge artikel 4, lid 4.4.2, aanhef en onder b, van de planregels is de uitoefening van aan huis gebonden beroepen toegestaan, maar hiervoor mag slechts 30% van de gezamenlijke bruto vloeroppervlakte van de woning en de bijgebouwen worden gebruikt tot een maximum van 45 m2. Dezelfde beperking geldt ingevolge artikel 4, lid 4.5.1, voor andere kleinschalige beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteiten die slechts zijn toegelaten indien hiervoor een omgevingsvergunning wordt verleend. Het plan maakt de bouw van een nieuwe schuur van maximaal 250 m2 mogelijk waarmee de sloop van het later aan het hoofdgebouw aangebouwde gedeelte en de uitbouwen aan de beide zijkanten, die niet origineel zijn, gedeeltelijk wordt gecompenseerd.

12.6.    Gelet op de beperkingen in de bouw- en gebruiksmogelijkheden en in aanmerking genomen dat het plan (in artikel 4, lid 4.4.3, van de planregels) ertoe verplicht de landschapsmaatregelen te nemen die in het Erfinrichtingsplan zijn opgenomen, is de Afdeling van oordeel dat de raad aan de bezwaren van [appellant] en anderen geen overwegende betekenis hoefde toe te kennen. In dit verband is van belang dat volgens het Erfinrichtingsplan de zonnepanelen dienen te worden afgeschermd door een beukenhaag en dat op de zuidelijke grens van het plangebied een houtwal dient te worden aangelegd. Hierdoor worden de in het plan toegelaten bouwwerken, de vergunningvrije bouwwerken als bedoeld in artikel 3 van bijlage II van het Bor, de zonnepanelen maar ook de voor hobbymatig gebruik bedoelde paardenbak (nagenoeg) geheel aan het zicht vanaf de percelen van appellanten onttrokken. Verder is in dit verband van belang dat de afstand tussen de percelen van [appellant] en anderen en het plangebied varieert van ongeveer 60 m tot ongeveer 130 m, in verband waarmee de raad ook aan het aspect milieuhinder geen doorslaggevende betekenis hoefde toe te kennen.

12.7.    De betogen falen.

13.    [appellant] en anderen hebben bezwaar tegen de mogelijkheid die het plan biedt om meer dan één in-/uitrit aan te leggen vanaf de gronden in het plangebied naar de openbare weg. Zij wijzen erop dat in het Erfinrichtingsplan twee in-/uitritten zijn opgenomen. Zij hebben hiertegen bezwaar omdat hierdoor extra verkeer door hun straat en hun woonwijk kan gaan rijden waarvan de bewoners overlast kunnen ondervinden.

13.1.    De raad stelt dat een eventuele tweede in-/uitrit niet tot extra verkeer zal leiden.

13.2.    De Afdeling stelt vast dat het perceel Hessenweg West 1 vanaf de Balkerweg wordt ontsloten via de Koperwiekstraat. Hoewel binnen de bestemming "Agrarisch" ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder e, van de planregels overal ontsluitingswegen zijn toegestaan, moet worden vastgesteld dat het Erfinrichtingsplan naast deze reeds bestaande ontsluitingsweg voorziet in een meer noordelijk gelegen pad dat uitkomt op de Balkerweg en dat niet bedoeld is voor gemotoriseerd verkeer. Dit pad loopt niet door een of meer straten waaraan [appellant] en anderen wonen, maar vormt een directe verbinding met de Balkerweg. [appellant] en anderen zullen geen hinder ondervinden van het verkeer dat van het pad gebruik maakt. Het betoog faalt.

14.    [appellant] en anderen stellen dat de raad in het kader van de voorbereiding van het plan ten onrechte geen ecologisch onderzoek heeft gedaan. Bij het plan is slechts het rapport van Ecologisch Adviesbureau Prins en Bleijerveld van 25 november 2005 over een vooronderzoek flora en fauna gevoegd en er is geen actueel, aanvullend onderzoek verricht.

14.1.    De raad stelt dat de toelichting op het plan vergezeld gaat van een rapport over een flora- en faunaonderzoek.

14.2.    De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

14.3.    Naar aanleiding van het beroep heeft de Natuurbank Overijssel de Quickscan natuurwaardenonderzoek Hessenweg West 1 Ommen uitgevoerd en hiervan een rapport opgesteld, gedateerd op 19 juni 2017. Op basis van dit rapport heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Wnb op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

14.4.    Nu het betoog van [appellant] en anderen over het ecologisch onderzoek niet slaagt, hoeft het betoog van de raad dat artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het vaststellingsbesluit in de weg staat, geen bespreking.

15.    [appellant] en anderen betogen dat bij de toelichting op het plan een verkennend bodemonderzoek en een archeologisch veldonderzoek zijn gevoegd, maar dat deze onderzoeken dateren uit 2005 en 2006 en dat deze onderzoeken ten onrechte niet zijn geactualiseerd. Hierdoor is volgens hen onvoldoende aangetoond dat het plan uitvoerbaar is.

    [appellant] en anderen betogen voorts dat door de wijziging van de functie van de agrarische bedrijfswoning in een burgerwoning sprake is van een nieuwe situatie waarvoor een akoestisch onderzoek had moeten worden uitgevoerd in verband met de geluidbelasting vanwege het verkeer op de Balkerweg. Verder stellen zij dat langs de westelijke grens van het plangebied een hoogspanningsleiding aanwezig is die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen, maar dat in de plantoelichting ten onrechte hierop niet is ingegaan.

15.1.    De beroepsgronden van [appellant] en anderen over deze onderwerpen betreffen aspecten van het plan die de belangen van appellanten niet raken. [appellant] en anderen beroepen zich wat dit betreft op normen die kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Dit betekent dat deze beroepsgronden vanwege artikel 8:69a van de Awb niet tot vernietiging van het plan kunnen leiden en daarom buiten bespreking zullen blijven.

16.    Wat betreft het betoog van [appellant] en anderen over de anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente, merkt de Afdeling op dat de raad een afschrift van deze overeenkomst heeft overgelegd en dat ter zitting is gebleken dat beide betrokken partijen hun handtekening onder de overeenkomst hebben gezet. Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

17.    Gelet op het voorgaande, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit dient wat betreft het identificatienummer te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, zoals in 7.1. is vermeld.

18.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant] en anderen gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Ommen van 2 maart 2017, documentkenmerk 2056522, waarbij het bestemmingsplan "Wonen Ommen, partiële herziening Hessenweg West 1, Ommen" is vastgesteld voor zover het betreft identificatienummer NL.IRO.0175.wonen2012bp0002-VG01;

III.    bepaalt dat in plaats van NL.IRO.0175.wonen2012bp0002-VG01 wordt gelezen NL.IMRO.0175.wonen2012bp0002-va01;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit voor zover het is vernietigd;

V.    veroordeelt de raad van de gemeente Ommen tot vergoeding van de bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.237,50 (zegge: twaalfhonderdzevenendertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VI.    gelast dat de raad van de gemeente Ommen aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Kooijman

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 december 2017

177.