Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3338

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-12-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
201609570/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:8498, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 augustus 2015 heeft het college een bestuurlijke boete ter hoogte van € 4.000,- opgelegd wegens handelen in strijd met de Huisvestingswet 2014.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/1327
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609570/1/A3.

Datum uitspraak: 6 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 november 2016 in zaak nr. 15/7578 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2015 heeft het college een bestuurlijke boete ter hoogte van € 4.000,- opgelegd wegens handelen in strijd met de Huisvestingswet 2014.

Bij besluit van 23 oktober 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 9 november 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. S. Bhulai, advocaat te Wassenaar, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A. Karreman, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van [appellant] heeft het college ter zitting nog een stuk in het geding gebracht.

Overwegingen

Aanleiding

1.    Bij besluit van 5 augustus 2015 heeft het college aan [appellant] een bestuurlijke boete opgelegd omdat een door hem gehuurde woning zonder onttrekkingsvergunning aan de bestemming tot bewoning is onttrokken ten behoeve van hennepteelt. [appellant] had een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot deze woning in Rotterdam, maar woonde in [plaats]. [appellant] was van 25 juli 2015 tot en met 20 augustus 2015 met zijn gezin op vakantie in Marokko. Het college heeft het besluit van 5 augustus 2015 aangetekend verzonden aan het woonadres van [appellant] in [plaats] maar hij heeft dit niet in ontvangst kunnen nemen. Hij stelt dat hij pas met de ontvangst van de aanmaning op 24 september 2015 op de hoogte is geraakt van het besluit. Vervolgens heeft hij bij brief van 13 oktober 2015 bezwaar gemaakt. Het college heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het buiten de bezwaartermijn is ingediend.

De aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank staat de aangetekende verzending van het besluit van 5 augustus 2015 vast en is daarmee voldaan aan het bepaalde in artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Immers, [appellant] heeft geen feiten aangedragen op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat de zogenoemde Kaart in Brievenbus (hierna: KiB) is achtergelaten. Voorts bestaat volgens de rechtbank geen verschoonbare reden op grond waarvan niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege had moeten blijven. De rechtbank oordeelt verder dat het beroep op de zogenoemde twee-weken-rechtspraak [appellant] niet kan baten. Immers, het besluit van 5 augustus 2015 is op de juiste wijze bekendgemaakt nu [appellant] op 6 augustus 2015 de KiB heeft ontvangen en daarmee op de hoogte was dan wel had kunnen zijn van het besluit, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat JBM Koeriers een KiB heeft achtergelaten toen op 6 augustus 2015 niemand thuis was om het besluit in ontvangst te nemen. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het primaire besluit op de juiste wijze bekend is gemaakt en hij geen beroep kan doen op de twee-weken-rechtspraak.

4.    Uit de verzendregistratie van JBM Koeriers blijkt dat het besluit op 6 augustus 2015 om 12:48 uur door JBM Koeriers is aangeboden op het adres van [appellant] en dat een KiB is achtergelaten. [appellant] heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat de KiB is achtergelaten. De door hem aan het college gezonden e-mail van 28 oktober 2015 waarin wordt verzocht om bewijs dat de KiB in de brievenbus is gedeponeerd, betreft geen feit of omstandigheid in deze zin. Deze e-mail bewijst immers alleen dat [appellant] de ontvangst van de KiB vaker heeft ontkend. Gelet hierop heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling terecht aangenomen dat JBM Koeriers de KiB heeft achtergelaten.

    Het betoog faalt in zoverre.

5.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3335), dient, indien een besluit aangetekend is verzonden maar de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, te worden onderzocht of het stuk door de postbezorging op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Dit is in deze zaak het geval nu onder 4 is overwogen dat een zogeheten KiB is achtergelaten en dat deze handeling door JBM Koeriers is geregistreerd, een en ander overeenkomstig de uit de verzendregistratie van JBM Koeriers blijkende werkwijze. Reeds omdat [appellant] niet overeenkomstig de aanwijzingen op de KiB contact heeft opgenomen met JBM Koeriers om in het bezit te komen van de brief, heeft hij het risico genomen niet tijdig op de hoogte te raken van het besluit en dient dit voor zijn rekening te komen. Dit geldt te meer omdat op een KiB de afzender van de brief is vermeld en [appellant] gelet op het eerder aan hem verzonden voornemen had kunnen weten dat hij een dergelijk besluit van het college zou ontvangen. Het vorenstaande betekent dat het besluit van 5 augustus 2015 op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, dat het in werking is getreden en dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen dit besluit is geëindigd op 17 september 2015. [appellant] heeft dan ook te laat bezwaar gemaakt. Hij heeft voorts het oordeel van de rechtbank dat hij geen verschoonbare reden heeft aangevoerd voor de termijnoverschrijding niet aangevochten zodat dit in rechte vaststaat.

    Het betoog faalt in zoverre.

6.    Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank voorts terecht geoordeeld dat de twee-weken-rechtspraak van de Afdeling in dit geval niet van toepassing is. Op grond van deze jurisprudentie (onder meer de uitspraak van 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BY9941) dient een belanghebbende, niet zijnde de aanvrager, die van het verlenen van een vergunning waarvan geen publicatie in een huis-aan-huisblad heeft plaatsgevonden, niet schriftelijk op de hoogte is gesteld, zo spoedig mogelijk nadat hij van het bestaan van het besluit op de hoogte is geraakt of had kunnen raken, zijn bezwaren kenbaar te maken. Onder 'zo spoedig mogelijk' wordt in beginsel een termijn van twee weken verstaan. Deze jurisprudentie heeft betrekking op zaken waarbij een belanghebbende van het nemen van een besluit niet schriftelijk op de hoogte is gesteld en daarvan geen publicatie in een huis-aan-huisblad heeft plaatsgevonden. Deze jurisprudentie is derhalve niet van toepassing op zaken zoals de onderhavige, waarin de belanghebbende de geadresseerde van het besluit is en derhalve rechtstreeks van het besluit op de hoogte is gesteld.

    Het betoog faalt in zoverre.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, griffier.

w.g. Hagen    w.g. Van Kooten-Vroegindeweij

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 december 2017

559.