Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3301

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
201607753/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 augustus 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607753/1/V2.

Datum uitspraak: 4 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1.    de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

2.    [de vreemdeling], mede voor zijn minderjarige kind,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 oktober 2016 in zaak nr. NL16.2076 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 7 oktober 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.M. Walls, advocaat te Breda, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

In het hoger beroep van de staatssecretaris

1.    De staatssecretaris klaagt in de eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd omdat hij niet is ingegaan op het betoog van de vreemdeling dat hij voor zijn problemen niet de bescherming van de autoriteiten kan inroepen, hetgeen volgens de rechtbank van belang is bij de beantwoording van de vraag of de vreemdeling een vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen. De staatssecretaris betoogt, onder verwijzing naar artikel 3.37d van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: het VV 2000) waarin de voorwaarden voor het aannemen van een vlucht- of vestigingsalternatief zijn opgenomen, dat niet relevant is of de vreemdeling de bescherming kan inroepen van de autoriteiten, omdat niet aannemelijk is dat hij ook in Kaboel problemen heeft te verwachten.

1.1.    Een vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen als, zo volgt uit artikel 3.37d, eerste lid, van het VV 2000 en paragraaf C2/3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), een vreemdeling in een deel van zijn land van herkomst geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico op ernstige schade loopt, hij op een veilige en wettige manier kan reizen naar en toegang kan verkrijgen tot dat deel van het land, en redelijkerwijs van hem kan worden verwacht dat hij zich er vestigt. Bij de beoordeling of een deel van het land van herkomst aan die voorwaarden voldoet, moet rekening worden gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel, en de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Als de staatssecretaris aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden is voldaan, is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het vestigingsalternatief in zijn geval niet aanwezig is en dat van hem niet kan worden verlangd dat hij zich elders in het land vestigt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1744).

1.2.    De staatssecretaris voert terecht aan dat uit de systematiek van artikel 3.37d, eerste lid, van het VV 2000, en de inhoud van het beleid in paragraaf C2/3.4 van de Vc 2000 volgt dat de vraag of de vreemdeling bescherming kan inroepen pas in beeld komt als aannemelijk is dat de vreemdeling ook in het andere gebied te vrezen heeft voor vervolging of voor daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Indien dit niet het geval is en de staatssecretaris een vreemdeling een vestigingsalternatief tegenwerpt, is het eerst aan de staatssecretaris om aannemelijk te maken dat aan de hiervoor onder 1.1. vermelde voorwaarden is voldaan. Pas als de staatssecretaris dit aannemelijk heeft gemaakt, is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het vestigingsalternatief in zijn geval niet aanwezig is (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY0854).

1.3.    De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 14 augustus 2016, gelezen in samenhang met het voornemen daartoe, en in zijn pleitnota in beroep op het standpunt gesteld dat van de vreemdeling mag worden verwacht dat hij zich aan de problemen met zijn schoonfamilie onttrekt door zich in Kaboel te vestigen. De staatssecretaris heeft hierbij van belang geacht dat de vreemdeling eerder zonder problemen in Kaboel heeft verbleven. Voorts heeft de staatssecretaris van belang geacht dat de Afdeling heeft geoordeeld dat Hazara als groep in Afghanistan geen reëel risico lopen op vervolging of een onmenselijke behandeling. Nu de staatssecretaris zowel de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling als de algemene omstandigheden in Kaboel heeft betrokken bij zijn standpunt en hij dat standpunt deugdelijk heeft gemotiveerd, waarbij de Afdeling met name van belang acht dat niet aannemelijk is gemaakt dat de vreemdeling in Kaboel dezelfde problemen zal ondervinden, slaagt de eerste grief.

In het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling

2.    Hetgeen in het incidenteel hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

Conclusie hoger beroepen

3.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. Hetgeen de staatssecretaris voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.

Beroepsgronden

4.    De vreemdeling heeft betoogd dat hij, omdat hij behoort tot de Hazara-bevolkingsgroep, bij terugkeer naar Afghanistan een gegronde vrees heeft voor vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 van EVRM.

4.1.    De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat Hazara als groep in Afghanistan geen reëel risico lopen op vervolging of een onmenselijke behandeling (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2731). Nu de staatssecretaris de vreemdeling terecht een vestigingsalternatief in Kaboel heeft tegengeworpen en uit hetgeen is aangevoerd niet blijkt van andere specifieke onderscheidende kenmerken, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat voormeld risico niet aannemelijk is gemaakt. De beroepsgrond faalt.

5.    Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Er is evenmin een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid gegrond;

II.    verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 oktober 2016 in zaak nr. NL16.2076;

IV.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Yildiz

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2017

594.