Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3300

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
201607387/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 augustus 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607387/1/V2.

Datum uitspraak: 4 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 22 september 2016 in zaak nr. NL16.2227 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

Bij uitspraak van 22 september 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L. Vellenga-van Nieuwkerk, advocaat te Alkmaar, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Motivering staatssecretaris

2.    De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen omdat hij ongeloofwaardig acht dat de vreemdeling homoseksueel is. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat de vreemdeling tegenstrijdig, bevreemdingwekkend en te algemeen heeft verklaard over de wijze waarop hij zich van zijn homoseksuele gerichtheid bewust werd en deze accepteerde. Verder acht de staatssecretaris ongeloofwaardig dat de vreemdeling wegens zijn homoseksuele gerichtheid door zijn oom en tante tegen zijn wil is vastgehouden in hun woning (hierna: de woning), nu de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij homoseksueel is en hij daarnaast tegenstrijdig heeft verklaard over de vraag op welke woonlaag van de woning hij werd vastgehouden. Gelet op deze kennelijk tegenstrijdige verklaringen van de vreemdeling, is zijn aanvraag kennelijk ongegrond in de zin van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), aldus de staatssecretaris. Om die reden heeft staatssecretaris verder krachtens artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 bepaald dat de vreemdeling de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten, en in het verlengde daarvan krachtens artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van die wet een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.    

Oordeel rechtbank

3.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris aldus ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de verklaringen van de vreemdeling ongeloofwaardig acht. Hij heeft bij zijn beoordeling ten onrechte niet betrokken dat de vreemdeling slechts vijftien jaar oud was toen hij zich bewust werd van zijn homoseksuele gerichtheid. Verder heeft hij ten onrechte aan de vreemdeling tegengeworpen dat bevreemdingwekkend is dat zijn gevoelens voor mannen op zijn vijftiende in slechts één maand tijd wezenlijk zijn veranderd. De staatssecretaris heeft immers niet duidelijk gemaakt op welke wijziging hij doelt, aangezien de vreemdeling niet heeft verklaard dat hij vóór zijn vijftiende gevoelens had voor vrouwen. De staatssecretaris heeft de vreemdeling verder ten onrechte tegengeworpen dat bevreemdingwekkend is dat hij homoseksualiteit als een keuze ziet. Uit de verklaringen van de vreemdeling blijkt immers niet dat hij zijn homoseksualiteit als een keuze beschouwt. De door de vreemdeling tijdens het nader gehoor afgelegde verklaringen over hoe hij zich van zijn homoseksuele gerichtheid bewust is geworden en hoe hij deze heeft geaccepteerd, heeft de staatssecretaris ten onrechte als te algemeen bestempeld, nu niet valt in te zien hoe de vreemdeling zijn verklaringen verder had kunnen concretiseren. De staatssecretaris heeft de vreemdeling verder ten onrechte tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de vraag op welke woonlaag hij door zijn oom en tante werd vastgehouden, aangezien de vreemdeling de tijdens het nader gehoor ontstane onduidelijkheid hierover al tijdens datzelfde gehoor door middel van een tekening van de woning heeft weggenomen. Nu de door de staatssecretaris tegengeworpen tegenstrijdigheden geen stand houden, heeft hij zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de aanvraag van de vreemdeling kennelijk ongegrond is in de zin van voormeld artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Daarmee is ook de grondslag komen te ontvallen aan de beslissing van de staatssecretaris om de vreemdeling een vertrektermijn onthouden en in het verlengde daarvan een inreisverbod tegen hem uit vaardigen, aldus de rechtbank.    

Grieven

4.    In de eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank, bij de toetsing van zijn standpunt dat ongeloofwaardig is dat de vreemdeling homoseksueel is, ten onrechte niet alle tegenwerpingen heeft betrokken die hij aan dat standpunt ten grondslag heeft gelegd. Verder heeft hij in het besluit wel degelijk duidelijk gemaakt op welke wijziging hij doelt, namelijk de wijziging in de gevoelens van de vreemdeling voor mannen. De rechtbank heeft voorts niet onderkend dat uit de verklaringen van de vreemdeling wel blijkt dat hij homoseksualiteit als een keuze beschouwt. Verder heeft zij niet onderkend dat hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van de vreemdeling over de bewustwording en acceptatie van zijn homoseksualiteit, niet toereikend zijn, aldus de staatssecretaris.

4.1.    In het besluit heeft de staatssecretaris de vreemdeling onder meer tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de vraag of hij op enig moment ook op vrouwen viel. De staatssecretaris klaagt terecht dat de rechtbank deze tegenwerping ten onrechte niet bij haar toetsing heeft betrokken.

4.2.    De vreemdeling heeft verder verklaard dat hij, toen hij in januari 2012 voor de eerste twee keren seksuele handelingen verrichte met zijn [medescholier], nog geen gevoelens had voor mannen. Hij verrichtte toen uitsluitend seksuele handelingen omdat hij daarvoor door [medescholier] werd betaald. Toen hij in februari 2012 wederom seksuele handelingen verrichtte met [medescholier], werd hij verliefd op hem, aldus de vreemdeling. In het besluit heeft de staatssecretaris de vreemdeling, onder verwijzing naar deze verklaringen, tegengeworpen dat bevreemdingwekkend is dat zijn gevoelens voor mannen in één maand tijd wezenlijk zijn veranderd. Daarmee heeft hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, duidelijk gemaakt op welke wijziging hij doelt. Dat uit de verklaringen van de vreemdeling, zoals de rechtbank heeft overwogen, niet blijkt dat hij vóór zijn verliefdheid op [medescholier] gevoelens had voor vrouwen, neemt, daargelaten de juistheid van die stelling, de door de staatssecretaris geconstateerde wijziging niet weg. Deze wijziging ziet immers uitsluitend op het gevoel van de vreemdeling voor mannen.    

4.3.    Blijkens pagina 13 van het aanvullend gehoor heeft de vreemdeling desgevraagd verklaard dat hij nooit homoseksueel zou zijn geworden als een vrouw hem geld had aangeboden om seks te hebben. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat uit de verklaringen van de vreemdeling niet blijkt dat hij homoseksualiteit als een keuze beschouwt.     

4.4.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1630, zal elke vreemdeling die een seksuele gerichtheid als asielmotief aanvoert, zich op enig moment van die gerichtheid bewust zijn geworden en zich gerealiseerd hebben dat zijn gerichtheid in zijn omgeving of land van herkomst niet - algemeen - geaccepteerd wordt of zelfs strafbaar is gesteld. Een vreemdeling moet daarom kunnen verklaren over het moment waarop of de periode waarin hij zich bewust is geworden van zijn seksuele gerichtheid, wat deze seksuele gerichtheid voor hem heeft betekend en welke invloed dit heeft gehad voor de manier waarop hij uiting heeft gegeven aan zijn seksuele gerichtheid. Dit alles bezien tegen de achtergrond van zijn land van herkomst en de omgeving waaruit hij afkomstig is, waarbij relevant zijn het moment van bewustwording en eventuele andere belangrijke momenten, zoals het aangaan van een relatie.

    De staatssecretaris heeft de vreemdeling tijdens het nader gehoor en het aanvullend gehoor uitgebreid bevraagd over hoe hij zich van zijn homoseksuele gerichtheid bewust is geworden en hoe hij deze heeft geaccepteerd. De verklaringen van de vreemdeling komen er, samengevat weergegeven, op neer dat hij zich ervan bewust werd dat hij homoseksueel was nadat hij seksueel contact had gehad met [medescholier] en dit goed voelde, dat hij zijn gerichtheid heeft geaccepteerd nadat hij een maand heeft nagedacht en zich goed voelde en dat hij bang was omdat hij gevoelens had voor mannen, maar dat liefde alles overwint. De staatssecretaris klaagt, gelet op het in voormelde uitspraak van 15 juni 2016 weergegeven toetsingskader en in aanmerking genomen dat de vreemdeling heeft verklaard dat homoseksualiteit in zijn omgeving niet wordt geaccepteerd - hij stelt onder meer dat zijn oom hem wegens zijn homoseksualiteit zal vermoorden - terecht dat hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van de vreemdeling te algemeen zijn.

    De grief slaagt.  

Conclusie hoger beroep

5.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Wat de staatssecretaris voor het overige heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 24 augustus 2016 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na wat hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

Het beroep

6.    De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat ongeloofwaardig is dat hij homoseksueel is. De staatssecretaris heeft hem ten onrechte tegengeworpen dat hij hierover tegenstrijdig en bevreemdingwekkend heeft verklaard, aldus de vreemdeling.   

6.1.    Blijkens pagina 7 van het rapport van het aanvullend gehoor heeft de vreemdeling enerzijds verklaard dat hij nooit heeft gedacht dat hij op een vrouw zou vallen, en anderzijds verklaard dat hij na de eerste uitnodiging van zijn [medescholier] om bij hem thuis te komen, dacht dat hij gevoelens had voor vrouwen. In het besluit heeft de staatssecretaris de vreemdeling terecht tegengeworpen dat zijn verklaringen in zoverre tegenstrijdig zijn. De staatssecretaris heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat bevreemdingwekkend is dat hij heeft verklaard dat hij nooit homoseksueel zou zijn geworden indien een vrouw hem geld had geboden om seks met hem te hebben. Het korte tijdsbestek waarbinnen de gevoelens van de vreemdeling voor mannen zijn veranderd - zoals hiervoor onder 4.2. is overwogen zijn deze binnen één maand ingrijpend gewijzigd - heeft de staatssecretaris verder niet ten onrechte bevreemdingwekkend geacht.

    Gelet op al het vorenstaande heeft de staatssecretaris zich, mede in aanmerking genomen dat de vreemdeling niet heeft bestreden dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de vraag wie op de hoogte was van zijn gerichtheid, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat ongeloofwaardig is dat hij homoseksueel is.

    De beroepsgrond faalt.

7.    De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat ongeloofwaardig is dat hij wegens zijn homoseksuele gerichtheid door zijn oom en tante tegen zijn wil is vastgehouden in de woning. De staatssecretaris heeft hem ten onrechte tegengeworpen dat hij hierover tegenstrijdig heeft verklaard, aldus de vreemdeling.

7.1.    Blijkens pagina 5 van het rapport van het nader gehoor heeft de vreemdeling verklaard dat de kamer waarin hij door zijn oom en tante tegen zijn wil werd vastgehouden, zich bevond op de tweede verdieping van de woning. Blijkens pagina 19 van dat rapport heeft de vreemdeling verklaard dat deze kamer zich bevond op de begane grond. De staatssecretaris heeft de verklaringen van de vreemdeling in zoverre terecht tegenstrijdig geacht. Dat uit de door de vreemdeling tijdens het nader gehoor gemaakte tekening duidelijk blijkt dat hij op de hoger gelegen woonlaag werd vastgehouden, neemt, anders dan de vreemdeling betoogt, deze geconstateerde tegenstrijdigheid niet weg. Die tekening laat immers onverlet dat hij eveneens heeft verklaard dat de kamer zich op de begane grond bevond. Gelet hierop en in aanmerking genomen wat hiervoor onder 6.1. is overwogen, heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat ongeloofwaardig is dat hij wegens zijn homoseksuele gerichtheid door zijn oom en tante is vastgehouden.      

    De beroepsgrond faalt.

8.    De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn aanvraag kennelijk ongegrond is in de zin van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Gelet hierop bestond ook geen grond om krachtens artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 te bepalen dat hij de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten, en evenmin grond om in het verlengde daarvan krachtens artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van die wet een inreisverbod tegen hem uit te vaardigen, aldus de vreemdeling.  

8.1.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de staatssecretaris zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de vreemdeling kennelijk tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over zijn gestelde homoseksuele gerichtheid en de problemen met zijn oom en tante, en dat daardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van de door hem gevraagde verblijfsvergunning. Derhalve heeft hij op goede gronden de aanvraag van de vreemdeling krachtens artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 als kennelijk ongegrond afgewezen. Gelet hierop heeft hij eveneens op goede gronden bepaald dat de vreemdeling de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

    De beroepsgrond faalt.

9.    Het beroep is ongegrond.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 22 september 2016 in zaak nr. NL16.2227;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Fernandez, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Fernandez

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2017

753. BIJLAGE

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 30b

1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:

[...]

e. de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;

[...]

Artikel 62

1. Nadat tegen de vreemdeling een terugkeerbesluit is uitgevaardigd dan wel, indien het een gemeenschapsonderdaan betreft, nadat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling is geëindigd, dient hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.

2. Onze Minister kan de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien:

[...]

b. de aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning of tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning is afgewezen als kennelijk ongegrond of wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens; of

[...]

Artikel 66a

1. Onze Minister vaardigt een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland:

a. onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, of

[...]