Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3285

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
201701014/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:8610, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juni 2016 heeft het algemeen bestuur aan [appellante] omgevingsvergunning verleend voor het vergroten van het pand, het plaatsen van een kelder en het plaatsen van een container op het perceel [locatie] te Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701014/1/A1.

Datum uitspraak: 29 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 22 december 2016 in zaak nrs. 16/7187 en 16/7191 in het geding tussen:

de Vereniging van eigenaars gebouw Amstelkwartier C1 aan de Amstelbeststraat 1A-H, 2K-N en 2R-V te Amsterdam en anderen

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie Oost van de gemeente Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2016 heeft het algemeen bestuur aan [appellante] omgevingsvergunning verleend voor het vergroten van het pand, het plaatsen van een kelder en het plaatsen van een container op het perceel [locatie] te Amsterdam.

Bij besluit van 4 oktober 2016 heeft het algemeen bestuur het door de vereniging en anderen daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 22 december 2016 heeft de rechtbank het door de vereniging en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 oktober 2016 vernietigd en het algemeen bestuur opgedragen binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met in achtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De vereniging en anderen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 4 april 2017 heeft het algemeen bestuur een inhoudelijk besluit genomen op het door de vereniging en anderen tegen het besluit van 2 juni 2016 gemaakte bezwaar.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juli 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde A], bijgestaan door mr. J.R. van Angeren, advocaat te Amsterdam, en het algemeen bestuur, vertegenwoordigd door mr. Y.H.M. Huisman, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting de vereniging en anderen als belanghebbende, vertegenwoordigd door [gemachtigde B], bijgestaan door mr. R. Hoeneveld, advocaat te Haarlem, gehoord.

Overwegingen

1.    [gemachtigde B] heeft namens de vereniging en anderen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 juni 2016. In het pro-formabezwaarschrift heeft hij het algemeen bestuur gevraagd om een termijn te stellen waarbinnen de gronden van bezwaar konden worden aangevuld. Bij brief van 18 juli 2016 heeft het algemeen bestuur [gemachtigde B] in de gelegenheid gesteld uiterlijk 8 augustus 2016 de gronden aan te vullen en een machtiging over te leggen, waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om namens de vereniging en anderen bezwaar te maken. In de periode voor het verstrijken van de termijn zijn geen gronden van bezwaar ingediend en is geen machtiging overgelegd. Bij besluit van 4 oktober 2016 heeft het algemeen bestuur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet binnen de gestelde termijn was voorzien van gronden en geen machtiging was overgelegd.

    De rechtbank heeft overwogen dat de vereniging en anderen gemotiveerd ontkennen dat zij de herstelverzuimbrief hebben ontvangen en dat het algemeen bestuur niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie, zodat het zich daar niet op kan beroepen. De ondeugdelijkheid van de verzendadministratie kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden weggenomen door een schriftelijke verklaring van D.A. Robinson, werkzaam bij de gemeente als juridisch-administratief medewerker. Omdat sprake is van een ondeugdelijke verzendadministratie, heeft het algemeen bestuur niet aannemelijk gemaakt dat de herstelverzuimbrief daadwerkelijk op 18 juli 2016 aan de vereniging en anderen is verzonden, aldus de rechtbank.

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de ondeugdelijkheid van de verzendadministratie niet kan worden weggenomen door de schriftelijke verklaring van Robinson. Dat de dagtekening van de brief van 18 juli 2016 niet overeenkomt met de verzenddatum in de verzendadministratie maakt volgens [appellante] niet dat de verzendadministratie ondeugdelijk is. Door Robinson is een verklaring gegeven voor deze discrepantie. Deze verklaring bevat een toelichting op de door het algemeen bestuur gevoerde verzendadministratie. Daarmee is het algemeen bestuur erin geslaagd aannemelijk te maken dat de brief van 18 juli 2016 daadwerkelijk aan de vereniging en anderen is verzonden, aldus [appellante].

2.1.    Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden brief van het bestuursorgaan niet heeft ontvangen, is het in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken.

2.2.    Vaststaat dat de brief met dagtekening 18 juli 2016 niet aangetekend is verzonden. Deze brief is voorzien van het adres van [gemachtigde B] en daarop is een stempel "verzonden 18 juli 2016" aangebracht. Tussen partijen is niet in geschil dat de dagtekening en de datum van verzending van de brief niet overeenkomen met de registratiedatum en de datum van verzending in het postregistratiesysteem, beide 15 juli 2016. Door Robinson is verklaard dat als datum van verzending in het systeem vrijdag 15 juli 2016 is geregistreerd. Omdat de brief niet meer mee kon met de laatste postronde heeft hij er voor gekozen om de brief niet op 15 juli 2016 te stempelen en te verzenden, maar om te wachten tot maandag 18 juli 2016. Hij heeft ervoor gezorgd dat de brief op 18 juli 2016 opnieuw is geprint met als dagtekening 18 juli 2016 en voorzien van het datumstempel 18 juli 2016. De brief is op die datum ook feitelijk ter verzending aangeboden, aldus de verklaring van Robinson.

    De rechtbank heeft terecht overwogen dat, gelet op de discrepantie tussen het postregistratiesysteem en de datum op de brief, ten aanzien van deze brief geen sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. De verzending van de brief van 18 juli 2016 kan derhalve niet aan de hand van het postregistratiesysteem worden aangetoond. De door Robinson pas een half jaar later gegeven verklaring voor deze discrepantie maakt, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, in dit geval ook niet dat het algemeen bestuur alsnog aannemelijk heeft gemaakt dat de betreffende brief op 18 juli 2016 aan [gemachtigde B] is verzonden.

    Het betoog faalt.

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Het beroep tegen het besluit van 4 april 2017

4.    Bij besluit van 4 april 2017 heeft het algemeen bestuur alsnog een inhoudelijk besluit genomen op het bezwaar van de vereniging en anderen, gericht tegen het besluit van 2 juni 2016, en deze bezwaren ongegrond verklaard. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, geacht onderwerp te zijn van dit geding.

5.    De vereniging en anderen betogen dat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen niet kon worden verleend, omdat deze vergunning is verleend op basis van de nog niet onherroepelijk geworden omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) van 4 februari 2015.

5.1.    Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo kan een aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen niet worden geweigerd wanneer weliswaar strijd bestaat met het bestemmingsplan, maar daarvoor een omgevingsvergunning is verleend met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo. In dit geval is bij besluit van 4 februari 2015 voor het gebruik van het perceel in strijd met het bestemmingsplan een omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo. Hoewel deze omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk was ten tijde van het besluit op bezwaar van 4 april 2017, was deze vergunning toen wel al van kracht. Het enkele feit dat de omgevingsvergunning van 4 februari 2015 ten tijde van het besluit op bewaar van 4 april 2017 nog niet onherroepelijk was, is derhalve geen grond voor het oordeel dat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen niet kon worden verleend.

    Het betoog faalt.

6.    De vereniging en anderen betogen voorts dat de bouwhoogte zoals vergund bij besluit 2 juni 2016, welk besluit bij besluit van 4 april 2017 in stand is gelaten, niet in overeenstemming is met de bouwhoogte waarvoor bij besluit van 4 februari 2015 omgevingsvergunning is verleend. In dat verband verwijzen zij naar een in opdracht van het algemeen bestuur opgestelde planschaderisicoanalyse van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) van december 2013, die deel uitmaakt van de bij het besluit van 4 februari 2015 behorende ruimtelijke onderbouwing van 26 januari 2015. Volgens de vereniging en anderen zijn de bouwplannen gewijzigd en niet meer in lijn met deze analyse. De bouwhoogte zoals die volgt uit de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is ook niet in overstemming met de bouwhoogte zoals deze is weergegeven op de bouwtekeningen, behorende bij de omgevingsvergunning van 4 februari 2015, aldus de vereniging en anderen.

6.1.    Gelet op de weigeringsgrond van artikel 2.10, aanhef en eerste lid, onder c, van de Wabo, dient de bouwhoogte van het bouwplan, neergelegd in de omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, in overeenstemming te zijn met de toegelaten maximale bouwhoogte ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan, danwel, indien daarvan is afgeweken, met de bouwhoogte, voorzien in de afwijkingsomgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo van 4 februari 2015.

    Zoals ook in de ruimtelijke onderbouwing behorende bij het besluit van 4 februari 2015 is beschreven, geldt voor dit perceel ingevolge het bestemmingsplan "Overamstel Buitendijks" een maximaal toegestane bouwhoogte van 10 m ter plaatse van het huidige hoofdgebouw, en van 9 m ter plaatse van de voorziene nieuwe aanbouw.

Het bouwplan waarvoor de omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend voorziet niet in bouwhoogten die de in het bestemmingsplan toegelaten bouwhoogte overschrijden. Daarmee doet de hiervoor bedoelde weigeringsgrond zich wat betreft de bouwhoogte van het bouwplan niet voor. Dat, naar gesteld, in de ruimtelijke onderbouwing van het besluit van 4 februari 2015 andere bouwhoogten zijn vermeld dan die waarvoor in het besluit van 2 juni 2016 vergunning is verleend, of in de analyse van de SAOZ andere afmetingen van het bouwplan zijn vermeld, brengt derhalve niet mee dat de omgevingsvergunning die bij het besluit van 4 april 2017 is stand is gelaten, had moeten worden geweigerd.

    Het betoog faalt.

7.    De vereniging en anderen betogen verder dat de zuidelijke entree van het gebouw niet is vermeld in de ruimtelijke onderbouwing behorende bij de omgevingsvergunning van 4 februari 2015 en dat de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (hierna: de TAC) daar in haar advies evenmin rekening mee heeft gehouden. Het college had de omgevingsvergunning voor het bouwen, die voorziet in de bouw van de zuidelijke entree om die reden moeten weigeren, aldus de vereniging en anderen.

7.1.    Op de bouwtekeningen die behoren bij het besluit van 4 februari 2015 is de door de vereniging en anderen bedoelde zuidelijke entree ingetekend. Ter zitting is voorts toegelicht dat deze zuidelijke entree ruimtelijk aanvaardbaar is, omdat deze, mede gelet op de overige voorziene bebouwing op de bestemming "Groen" een beperkte omvang van ongeveer 3 m2 heeft. Gelet hierop is voor het gebruik van de gronden voor de zuidelijke entree bij besluit van 4 februari 2015 omgevingsvergunning verleend. Anders dan de vereniging en anderen stellen, beschikte de TAC, die gelet op de Structuurvisie Amsterdam 2040 om advies moet worden gevraagd wanneer het gaat om nieuwe ontwikkelingen in de Hoofdgroenstructuur, ten tijde van het uitbrengen van haar advies op 22 september 2015, eveneens over de bouwtekeningen van 5 oktober 2014, waarop de zuidelijke entree is te zien en heeft zij haar advies mede daarop gebaseerd. Dat betekent dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het algemeen bestuur de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen om die reden had moeten weigeren.

    Het betoog faalt.

8.    De vereniging en anderen betogen ten slotte dat het besluit van 4 april 2017 onzorgvuldig is voorbereid, omdat ten aanzien van de bouwhoogten de ruimtelijke onderbouwing doorslaggevend wordt geacht en ten aanzien van de zuidelijke entree de bouwtekeningen behorende bij de ruimtelijke onderbouwing.

8.1.    Zoals hiervoor is overwogen is in de ruimtelijke onderbouwing ingegaan op de verschillende bouwhoogten. Gelet op het feit dat de zuidelijke entree reeds was voorzien op de bouwtekeningen behorende bij het besluit van 4 februari 2015 en de ter zitting gegeven toelichting op de ruimtelijke aanvaardbaarheid, ziet de Afdeling in het door de vereniging en anderen aangevoerde geen grond het besluit 4 april 2017 te vernietigen.

    Het betoog faalt.

9.    Het beroep van de vereniging en anderen tegen het besluit van 4 april 2017 is ongegrond.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak

II.    verklaart het beroep van Vereniging van eigenaars gebouw Amstelkwartier C1 aan de Amstelbeststraat 1A-H, 2K-N en 2R-V te Amsterdam en anderen tegen het besluit van het algemeen bestuur van de bestuurscommissie Oost van de gemeente Amsterdam van 4 april 2017 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen

voorzitter    De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2017

776.