Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3280

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
201606806/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:8516, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juni 2013 heeft het college een verkeersbesluit genomen waarbij een parkeerverbod is ingesteld aan de zuidzijde van De Roysloot ter hoogte van het bedrijf Alutech Nederland B.V. te Rijnsburg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606806/1/A1.

Datum uitspraak: 29 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

-    [appellante], handelend onder de naam "[bedrijf]",

-    de Vereniging van Eigenaars Twins, gebouw Alpha, De Roysloot 12,

-    Colours en Green B.V.

(hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), alle gevestigd te Rijnsburg, gemeente Katwijk,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 juli 2016 in zaak nr. 16/1776 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Katwijk.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2013 heeft het college een verkeersbesluit genomen waarbij een parkeerverbod is ingesteld aan de zuidzijde van De Roysloot ter hoogte van het bedrijf Alutech Nederland B.V. te Rijnsburg.

Bij besluit van 28 april 2015 heeft het college het door onder meer [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 december 2015 heeft de rechtbank het door onder meer [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 6 mei 2015 (lees: 28 april 2015) vernietigd.

Bij besluit van 26 januari 2016 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 21 juni 2013 gemaakte bezwaar, onder aanvulling van de motivering, opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en Alutech hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigden A], bijgestaan door mr. D.G. Lasschuit, advocaat te Leiden, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.L. Oudshoorn, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Alutech Nederland B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden B], bijgestaan door mr. J.G.M. Roijers, advocaat te Rotterdam, als partij gehoord.

Overwegingen

1.    Sinds 1 februari 2013 huurt Alutech een bedrijvencomplex, zijnde een grote loods met omliggende verharding aan de zijkanten en op het voorterrein aan de straatzijde aan de Roysloot 3 te Katwijk. Hier vinden onder andere laad- en losactiviteiten plaats waarbij door Alutech en haar afnemers diverse typen vrachtauto’s worden ingezet waaronder zogenaamde langere en zwaardere vrachtwagencombinaties (hierna: LVZ).

    Bij brief van 21 januari 2013 heeft Alutech aan het college verzocht om het ter plaatse aanwezige hek en de stoep die grenzen aan de Roysloot te mogen verwijderen en de openbare parkeerstrook aan de voorzijde van het bedrijfsterrein op te heffen.

Volgens Alutech is voor een efficiënt gebruik van de LZV’s van belang dat haar voorterrein volledig vrij en beschikbaar is voor verkeersbewegingen en dat daarbij geen beperkingen worden ondervonden van de tussen dat voorterrein en de op de weg gelegen parkeerstrook.

Naar aanleiding van voormeld verzoek heeft het college bij besluit van 21 juni 2013 een parkeerverbod ingesteld aan de zuidzijde van de Roysloot te Rijnsburg ter hoogte van de uitrit van het bedrijf Alutech (huisnummer 3). Hiertoe zijn borden als bedoeld in model E1 van Bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) geplaatst.

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet heeft aangetoond welke van de in artikel 2 van de in de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw) genoemde doelen door het plaatsen van het E1 bord worden nagestreefd.

[appellant] voert daartoe aan dat de reden voor het plaatsen van het E1 bord is om te voldoen aan het verzoek van Alutech om een laad- en losplek te creëren buiten haar bedrijfsterrein ter vermeerdering van de laad- en loscapaciteit van LSV’s. Volgens [appellant] gebruikt het college zijn bevoegdheden op grond van de de Wvw daarom voor een ander doel dan waarvoor deze zijn gegeven en heeft het college daarmee gehandeld in strijd met het verbod op détournement de pouvoir.

2.1.    Artikel 2, eerste lid, van de Wvw) luidt als volgt.

    De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:

    a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

    b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

    c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

    d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

    het tweede lid luidt als volgt.

De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

    Artikel 15, eerste lid, luidt als volgt.

De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.

    Artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer luidt als volgt.

De motivering van het verkeersbesluit vermeldt in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

2.2.    Volgens het college heeft het verkeersbesluit ten doel om de doorstroming van het verkeer te bevorderen en aldus de verkeersveiligheid te beschermen. Deze doelen worden volgens het college bereikt dankzij de breed gemaakte uit- en inrit van het bedrijfsterrein van Alutech en het ingestelde parkeerverbod. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college heeft onder verwijzing naar een door hem overgelegd verkeersdiagram, aannemelijk gemaakt dat deze maatregelen tot gevolg hebben dat LZV’s aanzienlijk minder verkeersbewegingen op de openbare weg hoeven te maken voordat deze kunnen worden geladen en gelost.

Gelet hierop wordt bevorderd dat de rijbaan van De Roysloot zoveel mogelijk vrij blijft van vrachtverkeer omdat dit zich efficiënter op het voorterrein van Alutech kan opstellen. Hierdoor ondervindt het overige verkeer van De Roysloot minder hinder en wordt het niet geconfronteerd met mogelijk verkeersonveilige situaties die zich kunnen voordoen als opleggers en LZV’s op de rijbaan moeten laden en lossen dan wel manoeuvreren.

Daarbij is van belang dat LZV’s een laadlengte hebben van ten minste 18 m en een draaicirkel tussen de 6,50 m en 14,50 m. Gezien deze lengte en draaicirkel is het niet mogelijk om op een beperkte ruimte te draaien en te keren. Gelet op het voorgaande heeft het college naar het oordeel van de Afdeling voldoende aannemelijk gemaakt dat de in het in bezwaar gehandhaafde besluit van 21 juni 2013 gekozen optie van het creëren van een uitritconstructie met een parkeerverbod het doel heeft om de doorstroming van het verkeer te bevorderen en op die manier de verkeersveiligheid te beschermen zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wvw en overlast als bedoeld in het tweede lid te voorkomen of te beperken.

    Dat ten gevolge van het in bezwaar gehandhaafde besluit van 21 juni 2013 in ieder geval 20% van de laad- en losactiviteiten van Alutech zal plaatsvinden op de parkeerstrook waarvoor het parkeerverbod geldt, zoals uit een door Alutech overgelegde situatietekening "stromenoverzicht" blijkt, leidt niet tot een ander oordeel. Naar het oordeel van de Afdeling is deze omstandigheid, waarvan de rechtmatigheid in deze procedure niet ter beoordeling staat, een niet beoogd bijkomend gevolg van het besluit op bezwaar en niet het doel daarvan als hiervoor omschreven. Hieraan kan derhalve niet de conclusie worden verbonden dat het college zijn bevoegdheden heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze zijn gegeven en dat het heeft gehandeld in strijd met het verbod op détournement de pouvoir.    

    Verder heeft het college naar het oordeel van de Afdeling de belangen die gemoeid zijn met de parkeerhinder als gevolg van het opheffen van de parkeerstrook niet zodanig zwaarwegend hoeven te achten dat het in redelijkheid het in bezwaar gehandhaafde besluit van 21 juni 2013 niet heeft kunnen nemen. Daarbij is van belang dat het college over de periode van 2009 tot 2013 op verschillende dagen en momenten van de dag de parkeerdrukte heeft onderzocht in de omgeving van de uitrit van het bedrijf Alutech. Het college heeft daarbij geconstateerd dat bij veel bedrijven gelegen aan De Roysloot op eigen terrein voldoende gelegenheid bestaat tot parkeren. Bij geen enkele observatie werd geconstateerd dat sprake was van parkeeroverlast of een tekort aan parkeerplaatsen.

    Het betoog faalt.

3.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college heeft gehandeld in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Klei-Oost".

Zij voert daartoe aan dat het college aan Allutech heeft toegestaan buiten haar eigen terrein te laden en te lossen, waar in het bestemmingsplan expliciet is voorgeschreven dat op eigen terrein dient te worden geladen en gelost, terwijl daarvoor geen vrijstelling van het bestemmingsplan is verleend. Volgens Electra Brand heeft het college met deze toestemming eveneens gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat van alle overige aan De Roysloot gevestigde bedrijven wordt verlangd dat zij zich aan de bepalingen van het bestemmingsplan houden en dat zij aldus dienen zorg te dragen voor het laden en lossen op eigen terrein.

3.1.    Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over het gebruik door Alutech van de openbare parkeerstrook aan de voorzijde van het bedrijfsterrein van Alutech in strijd met het bestemmingsplan gaat buiten de grenzen van dit geschil, zodat artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht aan de beoordeling van dit betoog in de weg staat. Reeds hierom kan hetgeen [appellant] naar voren heeft gebracht niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college heeft gehandeld in strijd met de uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens. Zij voert daartoe aan dat hierin is bepaald dat het verkeersbord E1 niet mag worden geplaatst langs een rijbaan met een fietsstrook.

4.1.    Deze hoger beroepsgrond heeft [appellant] ter zitting ingetrokken.

5.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college heeft gehandeld in strijd met het fair play beginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Zij voert daartoe aan dat het college heeft nagelaten uitvoering te geven aan de uitspraak van de rechtbank van 17 december 2015.

5.1.     In voormelde uitspraak heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

"Gelet op het voorgaande, concludeert de rechtbank dat het college in het bestreden besluit onvoldoende heeft onderzocht en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij het parkeerverbod noodzakelijk acht. Bij het nieuw te nemen besluit zal het college dit derhalve nader dienen te motiveren waarbij ook inhoudelijk dient te worden ingegaan op hetgeen door eiseressen is aangevoerd over de verkeersveiligheid: op de door hen gestelde ongelijkheid in de aan Alutech enerzijds en aan hun bedrijven anderzijds gestelde eisen ten aanzien van het parkeren, laden en lossen (op eigen terrein): de maatregelen die zij daartoe genomen hebben en tenslotte op de noodzaak tot het instellen van het onderhavige parkeerverbod überhaupt.

In dat verband dient verweerder ook nader in te gaan op de tijdstippen waarop de verschillende onderzoeken naar parkeerdruk hebben plaatsgehad, opdat duidelijk wordt in hoeverre door verweerder uit deze onderzoeken getrokken conclusies inderdaad representatief zijn voor de situatie ter plaatse."

5.2.    Gelet op het besluit op bezwaar van 26 januari 2016, de door het college overgelegde gedateerde rapporten waarin de conclusies zijn neergelegd van onderzoeken naar parkeren in de omgeving van de opgeheven parkeerstrook en op hetgeen hiervoor is overwogen in 2.2 en 3.1 heeft het college in voldoende mate uitvoering gegeven aan de rechtbank uitspraak van 17 december 2015. In hetgeen is aangevoerd heeft de rechtbank derhalve terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college heeft gehandeld in strijd met het fair play beginsel of het rechtszekerheidsbeginsel.

    Het betoog faalt.

6.     Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Bolleboom

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2017

641.