Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:328

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
201605588/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Godelindehof" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/741
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605588/1/R1.

Datum uitspraak: 8 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren,

2. [appellant sub 2], wonend te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren,

en

1. de raad van de gemeente Wijdemeren en

2. het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Godelindehof" vastgesteld.

Bij besluit van 26 mei 2016 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van 40 appartementen met bijbehorende infrastructuur op het perceel Godelindehof 1 te Loosdrecht.

De besluiten zijn op grond van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt.

Tegen deze besluiten hebben [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Woningbouwvereniging Wonen Wijdemeren (hierna: de woningbouwvereniging) heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten sub 1], [appellant sub 2] en de woningbouwvereniging hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2017, waar [appellanten sub 1], bijgestaan door mr. A.J. Glastra, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. F. Postma, advocaat te Leeuwarden, en de raad en het college, vertegenwoordigd door F.E. Lieste en ing. T. Medemblik, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de woningbouwvereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. G.J. Scholten, advocaat te Utrecht, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. Dit plan en de omgevingsvergunning voorzien in een appartementencomplex met bijbehorende infrastructuur op het perceel Godelindehof 1. Het voorziene appartementencomplex bestaat uit twee afzonderlijke gebouwen die uit drie bouwlagen bestaan. Tussen de twee gebouwen is aan de noordzijde ruimte voor parkeerplaatsen en aan de zuidzijde voor groenvoorzieningen. Ter plaatse van het perceel Godelindehof 1 staat op dit moment één appartementencomplex met 22 ouderenwoningen. Dit appartementencomplex bestaat uit drie blokken in een U-vorm met twee lagen en een kap. De blokken zijn aan elkaar geschakeld met trappenhuizen. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] zijn de eigenaren van de woningen op de percelen [locatie 1], [locatie 2], onderscheidenlijk [locatie 3]. Deze woningen staan ten noorden van het perceel Godelindehof 1. Zij vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat.

Beroep tegen het bestemmingsplan

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Ingetrokken beroepsgrond

3. [appellant sub 2] heeft ter zitting zijn beroepsgrond ingetrokken over de toegankelijkheid van het pad achter de Van Mijndenlaan.

Bouwhoogte

4. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] richten zich tegen de bouwhoogte die in het plan is voorzien. Zij voeren aan dat een gebouw van deze omvang niet passend is in de omgeving. [appellant sub 2] voert aan dat de raad ten onrechte een bouwhoogte van 10 m toestaat omdat deze bouwhoogte niet nodig is om het appartementencomplex zoals dat in de omgevingsvergunning is vergund te realiseren. Het voorziene appartementencomplex heeft namelijk verschillende bouwhoogten variërend van 9.23 m tot 10.17 m, aldus [appellant sub 2]. Ook voert hij aan dat het argument van de raad dat een bouwhoogte van 10 m nodig is vanwege voorschriften in het Bouwbesluit niet als motivering kan dienen voor het toestaan van de bouwhoogte in dit plan, omdat het Bouwbesluit slechts de hoogte per etage voorschrijft en niet dat een appartementencomplex met drie etages moet worden ontwikkeld.

4.1. In dit plan is aan twee plandelen in het westen en het oosten van het plan de bestemming "Wonen" met de aanduidingen "bouwvlak", "gestapeld" en "maximum bouwhoogte (m): 10" toegekend.

Artikel 5, lid 5.1, van de planregels luidt: "De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. het wonen al dan niet in combinatie met ruimte voor bed & breakfast of aan-huis-verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten."

Lid 5.2. luidt: "Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

5.2.1 Gebouwen

a. hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;

b. de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding "maximale bouwhoogte (m)" aangegeven bouwhoogte;

c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "gestapeld" mogen gestapelde woningen worden gebouwd."

4.2. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Kernen Ankeveen, Kortenhoef en Nieuw-Loosdrecht" was aan het plandeel ter plaatse van het aanwezige appartementencomplex de bestemming "Wonen" met gedeeltelijk de aanduidingen "bouwvlak", "gestapeld" en "maximum goothoogte (m): 6" toegekend.

Artikel 18, lid 18.1, onder a, van de planregels luidde: "De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. het wonen al dan niet in combinatie met ruimte voor bed & breakfast of aan-huis-verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten."

Lid 18.2 luidde: "Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

18.2.1 Gebouwen

a. hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;

b. de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding "maximale goothoogte (m)" aangegeven goothoogte;

d. indien geen maatvoeringaanduiding voor de bouwhoogte is aangegeven, bedraagt de bouwhoogte ten hoogste 9 m.

4.3. Niet in geschil is dat het Bouwbesluit niet voorschrijft dat een appartementencomplex met drie verdiepingen wordt ontwikkeld. De raad heeft in dit verband toegelicht dat het een keuze is om in een appartementencomplex met drie verdiepingen te voorzien.

4.4. De raad heeft ter zitting toegelicht dat dit plan stedenbouwkundig aanvaardbaar is omdat de situering van het voorziene appartementencomplex leidt tot meer openheid en doorzichten ten opzichte van het voorheen geldende plan op grond waarvan één gebouw met een U-vorm was toegestaan. Voorts wijst de raad er op dat de bouwhoogte slechts 1 m wordt verhoogd. Bovendien wijst de raad er op dat de ontwikkeling is voorzien in stedelijk gebied. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangegeven dat zij een voorkeur hebben voor een lagere bouwhoogte. Zij hebben echter geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de bouwhoogte die in dit plan is opgenomen gegeven ook de stedelijke omgeving onaanvaardbaar zou zijn. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor een oordeel van een dergelijke strekking.

Het betoog faalt.

Parkeren

5. Voorts betogen [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] dat dit plan tot een onaanvaardbare parkeerdruk in de omgeving van het plangebied leidt. In dit verband wijzen [appellanten sub 1] op het rapport "Godelindehof Nieuw-Loosdrecht; analyse parkeeronderzoek" van 31 december 2016 opgesteld door de Verkeersdeskundige (hierna: rapport Verkeersdeskundige). [appellant sub 2] wijst op de memo "Second Opinion Parkeeronderzoek Godelindehof in Nieuw-Loosdrecht" van 24 november 2016 opgesteld door Antea Group (hierna: de memo Antea Group).

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat dit plan niet tot een onaanvaardbare parkeerdruk in de omgeving van het plangebied leidt. In dit verband wijst hij op het "Parkeeronderzoek Godelindehof" van 14 november 2014 opgesteld door Adviseurs mobiliteit Goudappel Coffeng (hierna: het parkeeronderzoek) en "Reactie beroepschriften Godelindehof" van 13 januari 2017, opgesteld door Adviseurs mobiliteit Goudappel Coffeng (hierna: de reactiememo).

5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat vanwege de voorziene ontwikkeling 21 parkeerplaatsen extra nodig zijn ten opzichte van de huidige situatie. Ook is niet in geschil dat 11 parkeerplaatsen op het eigen terrein worden voorzien en dat 10 parkeerplaatsen elders moeten worden gerealiseerd. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat bij het sportveld 13 parkeerplaatsen worden aangelegd waardoor 6 bestaande parkeerplaatsen verloren gaan. Dit levert derhalve 7 nieuwe parkeerplaatsen op. De behoefte aan de 3 overgebleven parkeerplaatsen zal op de parkeerplaatsen in de openbare ruimte zijn beslag leggen.

Tussen partijen is in geschil of de raad zich op het parkeeronderzoek heeft kunnen baseren voor zijn standpunt dat de parkeerdruk niet onaanvaardbaar wordt als gevolg van het voorziene appartementencomplex. In dat verband is tussen partijen in geschil of het juiste onderzoeksgebied en onderzoeksperiode zijn gehanteerd en de wijze waarop de vaststelling van het aantal parkeerplaatsen heeft plaatsgevonden in het parkeeronderzoek. Ook is in geschil hoe groot de parkeerbezetting in de voorziene situatie is. Deze punten zullen in het hiernavolgende worden beoordeeld.

Onderzoeksgebied

5.3. In het parkeeronderzoek zijn de omliggende straten rondom het voorziene appartementencomplex als onderzoeksgebied aangemerkt.

5.3.1. In het rapport Verkeersdeskundige staat dat geen onderbouwing is gegeven voor het gehanteerde onderzoeksgebied. Volgens het rapport Verkeersdeskundige moet een kleiner onderzoeksgebied worden gehanteerd vanwege de besloten woonomgeving waarin het zoeken naar een parkeerplaats voornamelijk gericht zal zijn op de Godelindelaan en de Graaf Wichmanlaan. Bovendien zijn automobilisten minder geneigd hun auto te parkeren op straten waar ze geen direct zicht op hebben.

5.3.2. In de reactiememo staat dat voor het bepalen van het onderzoeksgebied een loopafstand van 100 m is aangehouden. Deze afstand is in overeenstemming met de CROW-publicatie 317.

5.3.3. In de reactiememo is een toelichting gegeven op het gehanteerde onderzoeksgebied. Hieruit blijkt dat standaard een loopafstand van 100 m wordt aangehouden. De omstandigheden die in het rapport Verkeersdeskundige zijn genoemd, acht de Afdeling niet van dien aard dat de raad hierin aanleiding had moeten zien om van een ander onderzoeksgebied uit te gaan dan het onderzoeksgebied zoals die in het parkeeronderzoek is gehanteerd. Er bestaat in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet op het parkeeronderzoek heeft mogen baseren.

Onderzoeksperiode

5.4. In het parkeeronderzoek is de parkeerdruk in de omgeving van het voorziene appartementencomplex op een maatgevende zondag om 14.00 uur en een dinsdag om 10.00, 15.00, 20.00 en 23.00 uur gemeten.

5.4.1. In het rapport Verkeersdeskundige staat dat de in het parkeeronderzoek gekozen onderzoeksperiode onvoldoende representatief is. In het Handboek Parkeren wordt namelijk aanbevolen dat op meerdere dagen van de week wordt gemeten. Het had daarom de voorkeur gehad om het parkeeronderzoek op meerdere week- en weekenddagen te houden.

5.4.2. In de reactiememo wordt gewezen op het Handboek Parkeren waarin staat: "vaak wordt niet een enkele dag, maar op meer dagen van de week gemeten zodat niet alleen inzicht wordt verkregen in het drukste moment, maar ook in de situatie op andere momenten van de week". In de reactiememo staat dat de parkeerdrukmeting in het parkeeronderzoek op meerdere dagen en op meerdere tijdstippen is uitgevoerd en daarmee in lijn is met het Handboek Parkeren.

5.4.3. Niet in geschil is dat het Handboek Parkeren aanbeveelt om de parkeerdruk op meerdere dagen van de week te meten. De Afdeling stelt vast dat dit in het parkeeronderzoek is gebeurd. Anders dan in het rapport Verkeersdeskundige staat, brengt de passage uit het Handboek Parkeren niet met zich dat de parkeerdruk op meerdere week- en weekenddagen moet worden verricht. Er bestaat in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet op het parkeeronderzoek heeft mogen baseren.

Parkeerplaatsen

5.5. In het rapport Verkeersdeskundige staat dat de bepaling van het aantal langsparkeervoorzieningen niet transparant is en dat criteria en voorwaarden voor de vaststelling van het aantal parkeerplaatsen ontbreken.

5.5.1. In de reactiememo staat dat bij het bepalen van het aantal langsparkeerplaatsen en het aantal mogelijke parkeerplaatsen op de rijbaan de richtlijn van CROW is toegepast. Hierbij zijn de volgende criteria in acht genomen: de lengte van een parkeervak is ten minste 6 m, er is rekening gehouden met uitritten en andere obstakels en parkeerplaatsen zijn slechts aanwezig 5 m buiten een kruising.

5.5.2. In de reactiememo is een toelichting gegeven op de manier waarop het aantal langsparkeervoorzieningen is bepaald en de criteria voor de vaststelling van het aantal parkeerplaatsen. Er bestaat in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet op het parkeeronderzoek heeft mogen baseren.

Parkeerbezetting

5.6. In het parkeeronderzoek staat dat de maximaal acceptabele parkeerbezetting in een woongebied 85% is. Boven een parkeerbezetting van 85% is er sprake van zoekverkeer naar een lege parkeerplaats. In het parkeeronderzoek staat dat de maximale parkeerbezetting in het onderzoeksgebied 72% is. Geconcludeerd wordt dat het gebied op dit moment ruim voldoende parkeerplaatsen heeft.

5.6.1. In de memo Antea Group staat dat de parkeerbezetting in de voorziene situatie ongeveer 78% is.

5.6.2. In het rapport Verkeersdeskundige staat dat de parkeerbezetting in de voorziene situatie ongeveer 63% is.

5.6.3. De genoemde parkeerbezetting in het parkeeronderzoek, de memo van Antea Group en het rapport Verkeersdeskundige is beduidend lager dan 85%. Er bestaat in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet op de conclusie uit het parkeeronderzoek heeft mogen baseren.

Conclusie

5.7. Gelet op hetgeen onder 5.4 tot en met 5.7 is overwogen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet op het parkeeronderzoek heeft mogen baseren. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de parkeerdruk in de omgeving van het plangebied als gevolg van dit plan aanvaardbaar blijft.

Het betoog faalt.

Verkeer

6. [appellant sub 2] voert voorts aan dat het plan ter plaatse van de toegangsweg tot het binnenterrein tot een verkeersonveilige situatie leidt. In dit verband voert hij aan dat auto’s weliswaar ter plaatse kunnen keren maar dat zij er voor zullen kiezen om achteruit de toegangsweg te verlaten waardoor een verkeersonveilige situatie ontstaat.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de uitgangsweg op de Godelindelaan vanuit het parkeerterrein dat tussen de appartementencomplexen wordt gerealiseerd, verkeersveilig is. In dit verband wijst de raad op de memo "Parkeren Godelindehof, Nieuw-Loosdrecht" van 29 juli 2015 (hierna: de memo van Rho Adviseurs). Voorts voert de raad aan dat indien de verkeersveiligheid in het gedrang komt vanwege de garages op de hoek van de uitgangsweg, deze verwijderd kunnen worden hetgeen tot meer zicht leidt voor verkeersdeelnemers.

6.2. In de memo van Rho Adviseurs staat dat uit de rijcurves van het programma Cursim blijkt dat het binnen de voor "Verkeer" bestemde gronden mogelijk is om op het parkeerterrein te keren en vooruit het terrein te verlaten wanneer alle parkeerplaatsen bezet zijn. De ruimte om te keren is echter krap.

6.3. In de memo van Rho Adviseurs is specifiek naar de voorziene situatie gekeken. Daarin is berekend dat het niet noodzakelijk is om achteruit de toegangsweg te verlaten, maar dat er weinig ruimte is. [appellant sub 2] heeft tegenover de memo van Rho Adviseurs zijn eigen interpretatie van de verkeersveiligheid gesteld. Hierin heeft de raad geen aanleiding hoeven zien om niet van de memo van Rho Adviseurs uit te gaan. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de uitgangsweg op de Godelindelaan vanuit het parkeerterrein dat tussen de appartementencomplexen wordt gerealiseerd, verkeersveilig is.

Het betoog faalt.

Woon- en leefklimaat

7. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met hun woon- en leefklimaat. Hiertoe voeren zij aan dat de hogere bouwhoogte en het bouwvlak dat dichter bij hun woningen komt te liggen, tot gevolg hebben dat de bezonning van hun tuinen en woningen, hun privacy en hun uitzicht onaanvaardbaar worden aangetast. [appellanten sub 1] stellen voorts dat zij geluidoverlast van dit plan zullen ondervinden.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij een belangenafweging heeft gemaakt waarin hij de belangen van omwonenden heeft betrokken. De raad wijst met betrekking tot de afname van de bezonning op de memo "Bezonningsstudie" van 3 juli 2015 opgesteld door Rho Adviseurs voor leefruimte (hierna: bezonningsstudie).

7.2. In de bezonningsstudie staat dat op 21 maart en 21 september in de ochtend als gevolg van de beoogde ontwikkeling meer schaduw zal vallen op de percelen Van Mijndenlaan 2, 4, 14 en 16. Daarna draait de schaduw over de overige percelen aan de Van Mijndenlaan. Op de percelen Van Mijndenlaan 2, 4, 6 en 8 treedt meer schaduw op dan in de huidige situatie het geval is. In het vroege voor‐ en najaar zijn de schaduwvlakken om 17.30 uur lang, omdat de zon dan bijna onder gaat. De schaduw bevindt zich dan op de percelen Van Mijndenlaan 8 tot en met 16. Dit verschilt nauwelijks van de huidige situatie. Op 21 juni is er in de ochtend door de beoogde ontwikkeling beperkt sprake van extra schaduw op het achterpad van de Van Mijndenlaan. Rond het middaguur staat de zon bijna recht boven de bebouwing waardoor de schaduw beperkt aanwezig is. Op 22 december staat de zon het laagst. Hierdoor is er ten opzichte van de huidige situatie de gehele dag beperkt extra schaduwwerking op de percelen van de Van Mijndenlaan.

7.3. Vast staat dat als gevolg van dit plan de bouwhoogte toeneemt en de bouwvlakken anders zijn gesitueerd. De raad heeft een belangenafweging gemaakt. Daarin heeft de raad het belang van de woningbouwvereniging bij het realiseren van een nieuw appartementencomplex betrokken. De raad heeft in dit kader aangegeven dat het huidige appartementencomplex is verouderd en er binnen de gemeente een tekort is aan appartementen. Ook heeft de raad de belangen van omwonenden waaronder [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] in zijn afweging betrokken.

[appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben de bezonningsstudie niet bestreden. Wel hebben zij zelf gemaakte tekeningen overgelegd waarop schaduwwerking staat aangegeven. De raad heeft in redelijkheid doorslaggevende betekenis mogen toekennen aan de in de bezonningsstudie neergelegde bevindingen die hieraan geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen. Gelet op de bezonningsstudie heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit plan niet leidt tot een onaanvaardbare afname van de bezonning in de tuinen en woningen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2].

Voorts is niet uit te sluiten dat dit plan leidt tot enige vermindering van de privacy en het uitzicht ter plaatse van de woningen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2]. Vast staat dat de afstand tussen het plangebied en hun woningen ongeveer 17 m is. Gelet op deze afstand en de stedelijke omgeving waarin het appartementencomplex wordt voorzien heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit plan niet leidt tot een onaanvaardbare afname van privacy en uitzicht.

Ook is niet uit te sluiten dat geluidgevolgen optreden ter plaatse van de woningen van [appellanten sub 1] als gevolg van de intensivering van het gebruik ter plaatse van het bestreden plan. Gelet op de stedelijke omgeving waarin het appartementencomplex wordt voorzien is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plan niet leidt tot een onaanvaardbare toename van de geluidgevolgen.

Gelet op het voorgaande heeft de raad een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang van de woningbouwvereniging bij het realiseren van een nieuw appartementencomplex dan de belangen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2].

Het betoog faalt.

Beroep tegen de omgevingsvergunning

8. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het college het advies van de welstandscommissie ten onrechte heeft gevolgd. Hiertoe voeren zij aan dat het advies van de welstandscommissie onvoldoende is gemotiveerd. In dit verband wijzen zij er op dat de welstandscommissie eerder bedenkingen naar voren heeft gebracht over de gekozen stedenbouwkundige inpassing, de verkaveling, de daaruit voortvloeiende aansluitingen op de openbare ruimte en de situering van de parkeerplaatsen.

8.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het welstandsadvies op de juiste wijze tot stand is gekomen. Het college licht toe dat de welstandscommissie in eerste instantie bedenkingen tegen het plan heeft geuit. Vervolgens is het plan toegelicht door de architect en de opdrachtgever en werd het plan op hoofdlijnen akkoord bevonden. Ook zijn enkele wijzigingen doorgevoerd. In dit verband wijst het college er onder meer op dat de verbinding tussen de beide appartementencomplexen is vervallen. Daarna is een uitgewerkt, op hoofdlijnen ongewijzigd plan voorgelegd en een positief welstandsadvies gegeven.

8.2. Het college mag, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 oktober 2012 in zaak nr. 201202738/1/A1), hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Ter zitting heeft het college toegelicht dat in eerste instantie door de welstandscommissie een advies over het bouwplan is gegeven dat verder strekt dan de toetsing die plaatsvindt in het kader van het welstandsadvies. Op het moment dat de omgevingsvergunning ter beoordeling voorlag en uitsluitend aan de volgens de welstandsnota geldende criteria werd getoetst, was de welstandscommissie van mening dat hieraan werd voldaan. Gelet daarop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het welstandsadvies zodanige gebreken vertoont dat het overnemen hiervan een nadere toelichting behoeft.

Het betoog faalt.

Conclusie

9. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ongegrond.

Proceskosten

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W.A.M.M. Delauw, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Delauw

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2017

812.