Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3277

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
201609317/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Dorpskernen IV" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609317/1/R1.

Datum uitspraak: 29 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellante sub 1], gevestigd te Wognum, gemeente Medemblik, en anderen,

2.    [appellant sub 2], wonend te Zwaagdijk-Oost, gemeente Medemblik,

3.    Stichting Omring, gevestigd te Hoorn,

4.    [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5.    [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Medemblik,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Dorpskernen IV" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2], Stichting Omring, [appellant sub 4] en [appellant sub 5] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [belanghebbende A] en [belanghebbende B] een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellante sub 1] en anderen, Stichting Omring, [appellant sub 4] en

[appellant sub 5] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 oktober 2017, waar [appellante sub 1] en anderen, bijgestaan door mr. L.T. van Eijck van Heslinga, advocaat te Alkmaar, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. M. Heimensem, advocaat te Hoorn, en mr. J. de Wit, Stichting Omring, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. M.R. Kruisselbrink, advocaat te Zwolle, [appellant sub 4], en [appellant sub 5], vertegenwoordigd door [appellant sub 4], en de raad, vertegenwoordigd door mr. W. Smak, zijn verschenen. Tevens zijn als partij gehoord [belanghebbende A] en [belanghebbende B], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.J. de Boer, advocaat te Hoorn.

Overwegingen

Toetsingskader

1.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het plan

2.    Het plan voorziet in een juridisch-planologisch kader voor de kernen Wognum, Nibbixwoud en Zwaagdijk en is een herziening van het plan dat hiervoor in 2013 is vastgesteld. In het plan worden beleidsmatige onderwerpen nader geregeld en worden tevens enkele geconstateerde omissies gerepareerd.

De beroepen

Het beroep van [appellante sub 1] en anderen

3.    [appellante sub 1] en anderen betogen dat het plan ten onrechte voorziet in de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "opgaande meerjarige teeltvormen" voor een deel van het perceel [locatie 1] te Wognum.

    Zij stellen dat aan de raad is verzocht om aan het gehele perceel de bestemming "Bedrijf" toe te kennen en tevens te voorzien in de mogelijkheid een bedrijfswoning op te richten. Hieraan leggen zij ten grondslag dat op die wijze uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten op het perceel mogelijk wordt gemaakt. Tevens voeren zij hiertoe aan dat een bedrijfswoning op het perceel noodzakelijk is, aangezien zij al meermaals te maken te hebben gehad met criminaliteit, zoals ramkraken en inbraken. Volgens [appellante sub 1] en anderen is het voor de bedrijfsvoering essentieel dat te allen tijde iemand op het bedrijf aanwezig is, zodat deze ongestoord kan worden voortgezet.

    [appellante sub 1] en anderen betogen voorts dat aan de raad ook is verzocht om in het plan een wijzigingsbevoegdheid op te nemen op grond waarvan op termijn de vigerende bestemmingen van het perceel [locatie 1] kunnen worden gewijzigd in de bestemming "Kantoor". Hiertoe voeren zij aan dat in het verleden sprake is geweest van de realisering van een omvangrijk kantorenterrein, onder andere op hun percelen. Nu de raad de bestemming "Kantoor" voor de gronden destijds kennelijk wenselijk achtte, valt volgens [appellante sub 1] en anderen niet in te zien waarom thans niet in de wijzigingsbevoegdheid zou kunnen worden voorzien.

    Volgens [appellante sub 1] en anderen is met beide concrete initiatieven door de raad ten onrechte geen rekening gehouden bij de vaststelling van het plan, terwijl er verschillende goede, ruimtelijke argumenten zijn om de verzoeken in te willigen. Zo zijn in de directe omgeving van het bedrijf kantoorpanden, een tankstation met wasstraat en een ambulancepost aanwezig, waardoor de bestemming "Agrarisch" - anders dan de bestemming "Bedrijf" of "Kantoor" - naar de mening van [appellante sub 1] en anderen niet passend is in deze omgeving. Voorts wijzen [appellante sub 1] en anderen erop dat het onmogelijk is om op het deel van het perceel met de bestemming "Agrarisch" een volwaardig agrarisch bedrijf uit te oefenen. Het perceel is daarvoor volgens hen te klein.

3.1.    De raad stelt het perceel [locatie 1] overeenkomstig het feitelijk gebruik te hebben bestemd en acht de bestemming "Agrarisch" aan een deel van het perceel om die reden ook het meest passend. Voorts geeft de raad te kennen dat de gronden van [appellante sub 1] en anderen deel uitmaken van een gebied dat idealiter integraal wordt ontwikkeld. Ten behoeve hiervan is een raamovereenkomst met een projectontwikkelaar gesloten. De raad wenst de verdere ontwikkeling van het gebied te laten verlopen volgens hetgeen in de raamovereenkomst is afgesproken. Met betrekking tot de gewenste bedrijfswoning stelt de raad zich op het standpunt dat deze niet past binnen de stedenbouwkundige visie voor het gebied, nu het een kantoor-werklocatie betreft. Verder acht de raad de noodzaak van een bedrijfswoning door [appellante sub 1] en anderen niet aangetoond.

3.2.    Artikel 3, lid 3.1, van de planregels luidt: "De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. het agrarisch grondgebruik;

b. de uitoefening van het agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel agrarisch grondgebonden bedrijf' al dan niet in combinatie met en in ondergeschikte mate ruimte voor:

1. een agrarisch verwerkend bedrijf, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - agrarisch verwerkend bedrijf';    

2. een hoveniersbedrijf, ter plaatse van de aanduiding 'hovenier';

3. een excursieruimte en productiegebonden detailhandel, ter     plaatse van de aanduiding 'gemengd';

4. logies/bed and breakfast, ter plaatse van de aanduiding 'bed & breakfast';

5. camperplaatsen, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - camperplaatsen';

c. het wonen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse van een bouwperceel, al dan niet in combinatie met ruimte voor kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten;

d. een agrarisch handelsbedrijf, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel agrarisch handelsbedrijf;

e. cultuurgrond;

f. het behoud en het herstel van de bestaande hoofdvormen van de stolpen;

g. chalets, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - chalet'; […]"

3.3.    Vast staat dat op het deel van het perceel [locatie 1] waaraan de bestemming "Agrarisch" is toegekend fruitbomen aanwezig zijn, zodat de bestemming in zoverre overeenkomt met de feitelijke situatie op het perceel. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad deze bestemming niet in redelijkheid aan het betreffende deel van het perceel heeft kunnen toekennen. Dat het perceel te klein is om een volwaardig agrarisch bedrijf uit te oefenen - zoals [appellante sub 1] en anderen hebben gesteld - maakt dit naar het oordeel van de Afdeling niet anders, nu artikel 3, lid 3.1, van de planregels niet voorschrijft dat gronden met de bestemming "Agrarisch" louter voor bedrijfsmatige agrarische activiteiten worden gebruikt. Het betoog faalt in zoverre.

3.4.    In het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief inzake ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens kan worden beoordeeld op de ruimtelijke aanvaardbaarheid.

    De Afdeling overweegt dat door [appellante sub 1] en anderen geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het plan een concreet bouwplan bestond voor de uitbreiding van het bedrijf op het perceel [locatie 1]. Ter zitting hebben zij desgevraagd verklaard dat in 2002 een bouwaanvraag voor de uitbreiding van het bedrijf en het realiseren van een bedrijfswoning is gedaan, maar dat deze is afgewezen. In de aanloop naar de totstandkoming van dit plan is geen concreet bouwplan voor de uitbreiding van het bedrijf en het realiseren van een bedrijfswoning ingediend. Derhalve is niet komen vast te staan dat het voornemen omtrent de realisering van een uitbreiding van het bedrijf c.q. de bouw van een bedrijfswoning ten tijde van de vaststelling van het plan zodanig concreet was, dat de raad met dit voornemen bij de vaststelling van het plan rekening had moeten houden. Het betoog faalt in zoverre.

3.5.    Voor zover [appellante sub 1] en anderen zich op het standpunt hebben gesteld dat het plan - ondanks het ontbreken van een concreet bouwplan voor de realisering van een bedrijfswoning - ten onrechte niet in een bedrijfswoning voorziet vanwege de gestelde noodzaak daarvan voor de bedrijfsvoering, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals eerder is overwogen (uitspraken van 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1938, en van 20 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4972) vloeit uit inbraakgevoeligheid en de wens tot het houden van toezicht op het bedrijf niet rechtstreeks de noodzaak van een bedrijfswoning voort. Nu evenmin is gebleken dat de bedrijfsprocessen ter plaatse van dien aard zijn, dat er op grond daarvan noodzaak is om op het perceel te wonen, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling dan ook in redelijkheid kunnen besluiten om niet te voorzien in een bedrijfswoning op het perceel [locatie 1]. Het betoog faalt ook in zoverre.

3.6.    Ten aanzien van de door [appellante sub 1] en anderen gewenste wijzigingsbevoegdheid overweegt de Afdeling als volgt. [appellante sub 1] en anderen hebben ter zitting te kennen gegeven vooralsnog de bedrijfsactiviteiten in hun huidige vorm gedurende de planperiode voort te zetten. Reeds gelet hierop heeft de raad bij de afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid kunnen besluiten de door [appellante sub 1] en anderen gewenste wijzigingsbevoegdheid niet in het plan op te nemen. Het betoog faalt.

4.    Het beroep van [appellante sub 1] en anderen is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

5.    [appellant sub 2] is eigenaar van het perceel [locatie 2] te Zwaagdijk-Oost en woont in de woning die daar aanwezig is. Het beroep van [appellant sub 2] richt zich tegen de toekenning van de bestemmingen "Bedrijf" en "Groen" aan het deel van het perceel [locatie 3] dat grenst aan de achterzijde van zijn perceel. Volgens [appellant sub 2] strookt de toekenning van deze bestemmingen niet met een amendement dat tijdens de beraadslagingen over het ontwerpbestemmingsplan door de raad unaniem is aangenomen. Uit dit amendement volgt naar zijn mening dat aan het betreffende deel van het perceel [locatie 3] een woonbestemming moet worden toegekend.

5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan is vastgesteld in overeenstemming met het amendement.

5.2.    De Afdeling stelt vast dat - anders dan [appellant sub 2] veronderstelt - de raad met het tijdens de raadsvergadering van 29 september 2016 aangenomen amendement niet heeft besloten om aan het deel van het perceel [locatie 3] dat grenst aan het perceel van [appellant sub 2] een woonbestemming toe te kennen. Besloten is om aan het betreffende deel van het perceel de bestemming toe te kennen die overeenstemt met de ruimtelijke onderbouwing die ten grondslag heeft gelegen aan de verklaring van geen bedenkingen die door de raad is afgegeven ten behoeve van het realiseren van een opslagterrein aldaar. Het amendement heeft ertoe geleid dat de aanduiding "smederij" ter plaatse van het betreffende deel van het perceel is vervangen door de aanduiding "opslag beregeningsbuizen". Gelet hierop mist het betoog van [appellant sub 2] feitelijke grondslag.

6.    Eerst ter zitting heeft [appellant sub 2] voorts naar voren gebracht dat toekenning van de bestemmingen "Bedrijf" en "Groen" aan de achterzijde van het perceel [locatie 3], ten onrechte leidt tot een aantasting van zijn uitzicht. Verder heeft hij te kennen gegeven dat de omgevingsvergunning voor de realisering van het opslagterrein ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet in rechte onaantastbaar was, zodat de raad in zoverre niet gehouden was hiermee in het plan rekening te houden.

    Gesteld noch gebleken is dat [appellant sub 2] deze argumenten niet eerder dan ter zitting heeft kunnen aanvoeren. Door deze beroepsgronden eerst ter zitting naar voren te brengen, heeft de raad hierop niet op passende wijze kunnen reageren. De Afdeling zal deze nadere gronden daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten bij de beoordeling van het bestreden besluit.

7.    Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Het beroep van Stichting Omring

Duidelijkheid planregel

8.    Stichting Omring exploiteert een woonzorgcentrum op het perceel Sweelinckhof 1 te Wognum. Aan dit perceel is in het plan de bestemming "Wonen - Wooncentrum" toegekend. Het beroep van Stichting Omring richt zich tegen artikel 29, lid 29.1, a, onder 1, van de planregels, waarin is bepaald dat gronden met de bestemming "Wonen - Wooncentrum" zijn bestemd voor onder meer woongebouwen ten behoeve van al dan niet zelfstandige huisvesting van bijzondere doelgroepen, zoals bejaarden en gehandicapten.

    Stichting Omring betoogt dat het genoemde artikel van de planregels onvoldoende duidelijk is. Zij voert hiertoe aan dat het begrip "bijzondere doelgroep" niet in de planregels is gedefinieerd en dat de betekenis van dit begrip in het normaal spraakgebruik geen duidelijkheid geeft omtrent de vraag welke vormen van huisvesting op grond hiervan zijn toegestaan. Daarbij komt dat het gebruik van het woord "zoals" impliceert dat huisvesting niet is beperkt tot de doelgroepen bejaarden en gehandicapten, maar een ruimer toepassingsbereik kent. De grenzen hiervan worden echter uit de planregels noch uit de plantoelichting duidelijk.

8.1.    De raad stelt dat hij met de formulering van artikel 29, lid 29.1, onder a, van de planregels heeft beoogd aan te sluiten bij het feitelijk gebruik van - onder andere - het woonzorgcentrum aan de Sweelinckhof 1. Volgens hem is helder wat onder het begrip "bijzondere doelgroep" moet worden verstaan, te meer omdat hieraan in de planregels reeds gedeeltelijk invulling is gegeven. De raad acht de planregel dan ook voldoende duidelijk.

8.2.    Artikel 29, lid 29.1, a, onder 1, van de planregels luidt: "De voor 'Wonen - Wooncentrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

woongebouwen ten behoeve van al dan niet zelfstandige huisvesting van bijzondere doelgroepen, zoals bejaarden en gehandicapten, alsmede voorzieningen die benodigd zijn voor het verlenen van sociale, sociaal-medische en/of medische verzorging, activering en/of begeleiding, dagbesteding van personen die tot deze doelgroep behoren alsmede voor ondergeschikte horeca die niet uitsluitend ten dienste van de hoofdfunctie hoeft te staan;"

8.3.    Vast staat dat op het perceel Sweelinckhof 1 een woonzorgcentrum aanwezig is, waar door Stichting Omring zelfstandige bewoning in appartementen met zorg dichtbij - bijvoorbeeld voor senioren of voor mensen die na een ziekenhuisopname moeten revalideren - wordt aangeboden. Vast staat tevens dat deze vorm van gebruik van het gebouw aan de Sweelinckhof 1 valt binnen de doeleindenomschrijving als geformuleerd in artikel 29, lid 29.1, a, onder 1, van de planregels. Nu de doeleindenomschrijving en het feitelijk gebruik in zoverre overeenstemmen, ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat uit het artikellid onvoldoende duidelijk is welke vorm van gebruik van het aanwezige gebouw is toegestaan, en evenmin voor het oordeel dat de raad dit toegestane gebruik niet heeft kunnen aanduiden zoals hij heeft gedaan. Het betoog faalt.

Beperking van de gebruiksmogelijkheden

9.    Stichting Omring betoogt voorts dat als gevolg van de formulering van artikel 29, lid 29.1, a, onder 1, van de planregels de gebruiksmogelijkheden ten opzichte van het voorheen geldende plan zijn teruggebracht, omdat op grond van dat plan de bewoning van de locatie niet was beperkt tot bepaalde doelgroepen. Stichting Omring geeft te kennen dat de beperking van de gebruiksmogelijkheden ten onrechte heeft plaatsgevonden, nu zij zich niet verdraagt met het conserverende karakter van het plan. Voorts heeft de raad volgens Stichting Omring onvoldoende gemotiveerd welke gewijzigde, planologische inzichten aan de beperking ten grondslag liggen. Stichting Omring stelt voorts dat haar belangen onvoldoende bij het besluit zijn betrokken omdat zij financieel nadeel ondervindt van de beperking van de gebruiksmogelijkheden en de mogelijkheid tot flexibele verhuur van de locatie aan verschillende doelgroepen wenst te behouden.

9.1.    Artikel 29, lid 29.1, a, onder 1, van de planregels is hiervoor, onder 8.2, reeds geciteerd.

    Artikel 26, lid 26.1, onder a, van de planregels van het voorheen geldende plan "Dorpskernen IV" luidt: "De voor 'Wonen - Wooncentrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

woongebouwen, al dan niet in combinatie met ruimte voor:

1. (sociaal-)medische voorzieningen;

2. dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen die zijn genoemd in bijlage 3;"

9.2.    Niet in geschil is dat de gebruiksmogelijkheden van het perceel Sweelinckhof 1 in het plan worden beperkt ten opzichte van de gebruiksmogelijkheden in het voorheen geldende plan, in die zin dat nog slechts bewoning van het aanwezige wooncentrum door zekere doelgroepen is toegestaan. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan echter geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Voorts overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar de uitspraak van 8 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN6139, dat uit het begrip "conserverend bestemmingsplan" niet volgt dat alle bestemmingen gelijk moeten blijven aan de bestemmingen in het voorgaande plan en dat het plan geen enkele ruimte voor nieuwe ontwikkelingen mag bieden.

9.3.    De raad heeft toegelicht dat in 2013 voor de dorpskernen in de gemeente Medemblik vier bestemmingsplannen zijn vastgesteld, waarin twee doeleindenomschrijvingen ten behoeve van de bestemming "Wonen - Woondoeleinden" vigeerden: enerzijds de omschrijving in artikel 29, lid 29.1, a, onder 1, van de planregels en anderzijds die in 26, lid 26.1, onder a, van de planregels van het voorheen geldende plan "Dorpskernen IV". De raad acht dit onwenselijk en wenst deze omschrijvingen gelijk te trekken, waarbij is gekozen voor de omschrijving die bewoning slechts voor bijzondere doelgroepen mogelijk maakt. In dat verband heeft de raad, onder verwijzing naar de Woonvisie Medemblik 2012-2020 die door hem is vastgesteld op 22 november 2012, te kennen gegeven dat de gemeente wordt geconfronteerd met vergrijzing. Voorts heeft de raad erop gewezen dat zijn beleid erop is gericht dat ouderen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, bij voorkeur in de buurt van voorzieningen, zoals winkels of een zorgcentrum. Ook voor mensen met een zorgbehoefte zijn woningen nodig in de nabijheid van een zorgcentrum. Omdat het woonzorgcentrum aan de Sweelinckhof 1 aan deze voorwaarden voldoet, wenst de raad het gebruik ervan te beperken tot bijzondere doelgroepen. Het vestigen van reguliere woningzoekenden in het wooncentrum past volgens de raad niet in zijn woonvisie. Daar komt bij dat tot 2026 voldoende zogenoemde harde plancapaciteit bestaat om te voldoen aan de behoefte aan reguliere woningen in Wognum, zo stelt de raad. De raad wijst er daarbij op dat - ondanks de formulering van de doeleindenomschrijving in artikel 26, lid 26.1, onder a, van de planregels bij het voorheen geldende plan - de wooneenheden in het gebouw aan de Sweelincklaan 1 niet bij de vaststelling van die harde plancapaciteit zijn meegenomen. Hij wijst er verder op dat een andere vorm van huisvesting in het gebouw aan de Sweelincklaan 1 ook andere, ruimtelijke gevolgen met zich zou brengen, bijvoorbeeld ten aanzien van de parkeerbehoefte. Volgens de raad kan daarin op de betreffende locatie niet worden voorzien.

    Gelet op deze toelichting van de raad, en tevens gelet op de omstandigheid dat het woonzorgcentrum conform feitelijk gebruik is bestemd en dat niet is gebleken van concrete plannen voor andere gebruiksvormen, ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet tot de doeleindenomschrijving in artikel 29, lid 29.1, a, onder 1, van de planregels heeft kunnen komen. Het betoog faalt.

9.4.    Ten aanzien van het betoog van Stichting Omring dat de beperking van de gebruiksmogelijkheden leidt tot financieel nadeel, overweegt de Afdeling dat geen grond bestaat voor de verwachting dat dit financiële nadeel zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Voor eventuele tegemoetkoming van planschade bestaat een aparte procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden. Het betoog faalt.

10.    Het beroep van Stichting Omring is ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 4] en [appellant sub 5]

11.    [appellant sub 4] en [appellant sub 5] betogen beiden dat het plan ten onrechte niet voorziet in een bouwmogelijkheid voor een woning ten noordwesten van de woning die aanwezig is op het perceel [locatie 4] te Wognum.

11.1.    In artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, is bepaald dat door een belanghebbende bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

    Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

11.2.    Niet in geschil is dat het perceel [locatie 4] sinds 18 januari 2013 eigendom is van [belanghebbende C]. [belanghebbende C] heeft het perceel van [appellant sub 4] gekocht en woont in de woning aan de [locatie 4].

    [appellant sub 4] kan niet meer als eigenaar of anderszins gerechtigde van het perceel [locatie 4] worden gekwalificeerd. Voor zover [appellant sub 4] heeft betoogd dat hij een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang ontleent aan de in de gesloten koopovereenkomst opgenomen nabetalingsverplichting van de huidige eigenaar, overweegt de Afdeling dat hierdoor geen sprake is van een belang dat rechtstreeks door het besluit wordt geraakt, maar van een afgeleid belang. De conclusie is daarom dat [appellant sub 4] bij het bestreden besluit geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen in ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen.

    Nu ook [appellant sub 5] niet als eigenaar of anderszins gerechtigde van het perceel [locatie 4] kan worden gekwalificeerd en hij geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd in verband waarmee moet worden geoordeeld dat hij een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang heeft, is de Afdeling van oordeel dat [appellant sub 5] evenmin als belanghebbende bij het bestreden besluit in de zin van artikel 1:2 van de Awb is aan te merken. Ook hij kan daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2, van bijlage 2 bij de Awb, daarom geen beroep instellen.

12.    De beroepen van [appellant sub 4] en [appellant sub 5] zijn niet-ontvankelijk.

Proceskosten

13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de beroepen van [appellant sub 4] en [appellant sub 5] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de beroepen van [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en de Stichting Omring ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Groen, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Groen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2017

831.