Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3269

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
201609810/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:6134, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 maart 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een loods op het perceel [locatie] te Sommelsdijk (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2018/7
AR 2017/6286
Module Ruimtelijke ordening 2017/7884
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609810/1/A1.

Datum uitspraak: 29 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], beiden wonend te Sommelsdijk, gemeente Goeree-Overflakkee,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 november 2016 in zaak nr. 16/3279 in het geding tussen onder meer:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee.

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een loods op het perceel [locatie] te Sommelsdijk (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 15 november 2016 heeft de rechtbank het door onder meer [appellanten] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college en [vergunninghouder] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 oktober 2017, waar [appellant A] en het college, vertegenwoordigd door F. ten Brinke, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het besluit van 24 maart 2016 is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van [appellanten] tegen het besluit van 24 maart 2016 niet-ontvankelijk is nu zij geen zienswijzen tegen het ontwerp van het besluit hebben ingediend en gebleken is dat hun hiervan redelijkerwijs een verwijt kan worden gemaakt.

2.    Artikel 3:12, eerste lid, van de Awb luidt:

"Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft het bestuursorgaan in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke inhoud."

    Artikel 3:15 luidt:

"Belanghebbenden kunnen bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen."

    Artikel 6:13 luidt

"Geen beroep kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in 3:15 naar voren heeft gebracht.

Behandeling hoger beroepsgronden

3.    [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte hun beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft volgens hen miskend dat hun redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit hebben ingediend als bedoeld in artikel 6:13 van de Awb. Zij voeren hiertoe aan dat in de kennisgeving van het ontwerpbesluit de locatie van het project onjuist was vermeld en de zakelijke inhoud van het project te summier was weergegeven alsmede fout aangeduid. Zij stellen verder dat het college hen ten onrechte niet actief heeft benaderd om de bouw van een nieuw bedrijfspand te bespreken, nu het college bekend was met de problemen die er in de buurt werden ervaren met het eerder op het perceel gevestigde [jongerencentrum] en de naastgelegen schietvereniging.

    Daarnaast heeft de rechtbank volgens [appellanten] miskend dat in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb een aantal essentiële documenten niet ter inzage is gelegd.

3.1.    In het Gemeenteblad van Goeree-Overflakkee en de Staatscourant van 2 februari 2016 is de volgende kennisgeving gepubliceerd:

"Gemeente Goeree-Overflakkee - Voorgenomen omgevingsvergunningen

Het college maakt bekend dat het voornemen bestaat om in afwijking van het bestemmingsplan omgevingsvergunningen te verlenen voor

Activiteit bouwen/planologische afwijking:

- Sommelsdijk, [locatie]: bouwen loods

- (…)"

Voorts staat in de kennisgeving vermeld waar de stukken ter inzage liggen en hoe zienswijzen kunnen worden ingediend. Die stukken, welke ook als pdf-formaat te raadplegen waren via het in de kennisgeving aangegeven internetadres, zijn de concept-beschikking, het aanvraagformulier, de ruimtelijke onderbouwing, het huisnummerbesluit, de plattegrond gebruik en tekeningen.

    De kennisgeving heeft tevens op de website van de gemeente gestaan.

3.2.    [appellanten] hebben geen zienswijzen tegen het ontwerp van het besluit ingediend. Wel hebben zij aangegeven destijds kennis genomen te hebben van de kennisgeving maar dat zij de stukken niet hebben ingezien.

    De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellanten] redelijkerwijs kan worden verweten dat zij geen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht. Uit de Awb noch uit een andere wettelijke regeling volgt de verplichting voor het college om de personen die in de buurt van het perceel wonen, waaronder [appellanten], persoonlijk op de hoogte te stellen van het ontwerpbesluit. Dat het college, naar zij stellen, bekend was met de problemen die zij hebben ervaren met het op het perceel gelegen voormalige jongerencentrum en de omstandigheid, wat daar ook van zij, dat het college in een eerder stadium nieuwe bedrijven op het perceel niet toelaatbaar heeft geacht, maakt niet dat het college wel verplicht was om hen persoonlijk op de hoogte te stellen.

    Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de zakelijke inhoud van het ontwerpbesluit in de kennisgeving voldoende is weergegeven, nu aan de hand van die informatie het voor betrokkenen mogelijk was om te beoordelen of het ontwerpbesluit voor hen relevant was. Weliswaar is de tekst, dat het college voornemens is voor de activiteit bouwen en planologische afwijking een omgevingsvergunning voor het bouwen van een loods op het perceel te verlenen, algemeen en summier, maar er staan geen onjuistheden in. In de tekst van de kennisgeving behoefde niet te worden vermeld dat de loods voor een deel buiten het bouwvlak is voorzien en een grotere oppervlakte heeft dan het gebouw dat thans op het perceel staat. Evenmin behoefde in de publicatie te staan voor welke doeleinden de loods zal worden gebruikt. Het had op de weg van [appellanten] gelegen om, nu zij met de kennisgeving op de hoogte waren dat op het perceel een loods werd voorzien, te beoordelen of het te nemen besluit voor hen relevant zou zijn.

    Aan het betoog van [appellanten] dat hun redelijkerwijs niet kan worden verweten geen zienswijzen te hebben ingebracht, omdat het college niet alle essentiële stukken ter inzage heeft gelegd, wordt, wat daar ook van zij, niet toegekomen. Zij hebben immers de stukken, naar ter zitting door [appellant A] nogmaals is bevestigd, niet ingezien.

    Het betoog faalt.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Van der Spoel    w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2017

414.