Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3258

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
201703104/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:2268, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het recht van [appellante] op huurtoeslag over 2013 definitief berekend en vastgesteld op € 3.783,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703104/1/A2.

Datum uitspraak: 29 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2017 in zaak nr. 16/6857 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het recht van [appellante] op huurtoeslag over 2013 definitief berekend en vastgesteld op € 3.783,00.

Bij besluit van 18 maart 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het recht van [appellante] op huurtoeslag over 2013 herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 11 augustus 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en haar recht op huurtoeslag over 2013 herzien en vastgesteld op € 2.849,00.

Bij besluit van 4 januari 2017, aangevuld bij besluit van 27 januari 2017, heeft de Belastingdienst/Toeslagen opnieuw op het door [appellante] tegen het besluit van 18 maart 2016 gemaakte bezwaar beslist, haar recht op huurtoeslag over 2013 wederom herzien en vastgesteld op € 3.783,00.

Bij uitspraak van 23 februari 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit van 11 augustus 2016 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke zienswijze ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 november 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door F. van Bodegraven, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

Besluitvorming en aangevallen uitspraak

1.    In het besluit van 4 januari 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het volgende vermeld: "De herziene berekening huurtoeslag 2013 met dagtekening 18 maart 2016 is afgegeven nadat uw huurtoeslag definitief was vastgesteld met de beschikking van 10 april 2015. Die herziening had niet gemogen omdat de Belastingdienst/Toeslagen hiertoe op grond van artikel 21 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen niet meer bevoegd was. U ontvangt een herziene beschikking huurtoeslag 2013. De definitieve toekenning wordt hersteld naar de situatie in de beschikking van 10 april 2015. De toekenning wordt weer vastgesteld op circa € 3.783. Het bedrag kan door afrondingsverschillen iets afwijken. Het juiste bedrag staat in de beschikking die u afzonderlijk wordt toegezonden. Om administratieve redenen duurt het nog enige tijd voordat u de beschikking als gevolg van deze herziene beschikking zult ontvangen." Voorts heeft de dienst in het besluit van 4 januari 2017 aan [appellante] € 496,00 toekend ter vergoeding van de door haar gemaakte kosten van bezwaar.

    In het besluit van 27 januari 2017 is het recht van [appellante] op huurtoeslag over 2013 herzien en vastgesteld op € 3.783,00. Daarbij is aangegeven dat [appellante] nog € 1.031,00 krijgt. Dit betreft het verschil tussen het toegekende bedrag van € 3.783,00 en het daarvóór vastgestelde bedrag van € 2.849,00, welk verschil € 934,00 bedraagt, en € 97,00 aan rente.

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen met het besluit van 4 januari 2017 materieel volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van [appellante]. Volgens de rechtbank is de vaststelling van de verschuldigde rente over een na te betalen of terug te vorderen bedrag, naast de termijn waarover die rente behoort te worden berekend, afhankelijk van het bedrag dat moet worden betaald. Het exacte rentebedrag kan daarom eerst worden vastgesteld met de op het besluit van 4 januari 2017 volgende systeembeschikking. Van onduidelijkheid hierover is volgens de rechtbank geen sprake. De vaststelling van de verschuldigde rente in verband met de nabetaling of terugvordering is geen besluit waartegen bezwaar of beroep openstaat. Gelet hierop heeft [appellante] geen procesbelang meer, zodat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft de dienst veroordeeld in de door [appellante] gemaakte proceskosten, bestaande uit € 495,00 voor het indienen van het beroepschrift door een professioneel rechtsbijstandverlener. Het verschijnen ter zitting door die rechtsbijstandverlener komt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat, nu de dienst reeds voor de zitting tegemoet is gekomen, het verschijnen ter zitting door die rechtsbijstandverlener onnodig was, aldus de rechtbank.

3.    [appellante] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft hoger beroep ingesteld.

Hoger beroep

4.    [appellante] voert in dit kader allereerst aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat tegen de vaststelling van de rente geen bezwaar en beroep openstaat. Volgens haar volgt uit artikel 37, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) dat hiertegen wel degelijk bezwaar en beroep openstaat. Dit betekent dat de rechtbank haar beroep, voor zover zij daarin had aangevoerd dat in de besluiten ten onrechte het bedrag van de huurtoeslag en het bedrag van de rente niet is gesplitst, ten onrechte niet meer heeft behandeld en haar beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens [appellante] dient het bedrag van de rente uitdrukkelijk in de beschikking te worden vermeld, zodat het belanghebbende duidelijk is waartegen bezwaar mogelijk is en tegen welk bedrag. Dit geldt temeer nu het vaststellen van de toeslag zelf en het vaststellen van de rente elk een afzonderlijke wettelijke grondslag hebben, aldus [appellante].

4.1.    Artikel 27 van de Awir luidt als volgt:

"1 Over uit te betalen bedragen wordt rente vergoed en over terug te vorderen bedragen wordt rente in rekening gebracht.

2 De rente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op 1 juli van het jaar volgend op het berekeningsjaar en eindigt op de dag van de dagtekening van de beschikking tot toekenning onderscheidenlijk de beschikking tot herziening van de tegemoetkoming.

[…]"

    Artikel 37 van de Awir luidt als volgt:

"1 Een bezwaar tegen de toekenning of herziening van een tegemoetkoming wordt, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt, geacht mede te zijn gericht tegen de toekenning of herziening van andere tegemoetkomingen over hetzelfde berekeningsjaar die bij hetzelfde geschrift zijn toegekend of herzien, alsmede tegen de in verband daarmee berekende rente.

[…]"

4.2.    Hoewel [appellante], gelet op het bepaalde in artikel 37, eerste lid, van de Awir, terecht betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat tegen de vaststelling van de rente geen bezwaar en beroep openstaat, betekent dit niet dat de rechtbank haar beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen met het besluit van 4 januari 2017 materieel volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van [appellante]. Gelet op de in dat besluit gedane toezegging dat de definitieve toekenning wordt hersteld naar de situatie in de beschikking van 10 april 2015, stond daarmee reeds het recht van [appellante] vast en heeft zij met de procedure bereikt wat zij kon bereiken, namelijk dat haar recht op huurtoeslag over 2013 overeenkomstig het besluit van 10 april 2015 zou worden vastgesteld. Hiermee is, nu daarmee is komen vast te staan dat de Belastingdienst/Toeslagen ten opzichte van het besluit van 11 augustus 2016 nog een bedrag aan [appellante] diende toe te kennen, gelet op het bepaalde in artikel 27, eerste lid, van de Awir, de verschuldigdheid van de rente over dat bedrag door de dienst eveneens komen vast te staan. De wijze van berekening van die rente vloeit rechtstreeks voort uit artikel 27, tweede lid, van de Awir. [appellante] heeft ook geen gronden aangevoerd tegen de hoogte van het toegekende rentebedrag. Gelet hierop is de rechtbank terecht, zij het op onjuiste gronden, tot het oordeel gekomen dat [appellante] geen belang meer heeft bij een beoordeling van haar beroep.

    Voor zover [appellante] nog aanvoert dat op een beschikking in het algemeen moet worden aangegeven waaruit een terug te vorderen of na te betalen bedrag is samengesteld, kan dit evenmin tot het aannemen van procesbelang en een rechterlijk oordeel hierover leiden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC2547) is de bestuursrechter in het kader van de Algemene wet bestuursrecht alleen dan tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen als sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. Waar een dergelijk geschil niet (langer) bestaat, kan van de rechter geen uitspraak worden gevraagd uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan.

5.    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het verschijnen van haar gemachtigde ter zitting onnodig was, zodat daarvoor geen proceskostenvergoeding hoefde te worden toegekend. Daartoe voert zij allereerst aan dat in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) geen uitzondering wordt gemaakt op de toekenning van een vergoeding voor het verschijnen ter zitting door een professioneel rechtsbijstandverlener indien het verschijnen onnodig zou zijn. De rechtbank heeft de noodzaak van verschijning dan ook ten onrechte als criterium gehanteerd. Voorts voert zij aan dat de Belastingdienst/Toeslagen in het besluit van 4 januari 2017 geen standpunt heeft ingenomen ter zake van het door haar aangevoerde punt van de rente en dat er vóór de zitting ook geen indicatie was dat de rechtbank hier geen oordeel meer over zou geven.

5.1.    Dit betoog slaagt. De Belastingdienst/Toeslagen is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, met het besluit van 4 januari 2017, aangevuld bij besluit van 27 januari 2017, volledig tegemoet gekomen aan de bezwaren van [appellante]. Hierin heeft de rechtbank terecht aanleiding gezien de Belastingdienst/Toeslagen te veroordelen in de bij [appellante] opgekomen proceskosten. Daarbij heeft de rechtbank evenwel ten onrechte geoordeeld dat de kosten voor het verschijnen ter zitting niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat dit verschijnen onnodig was. In dat kader is van belang dat het besluit waarbij tegemoet is gekomen pas kort voor de zitting, die op 12 januari 2017 stond gepland, is genomen en aan [appellante] bekend is gemaakt en dat voor haar, gelet op de door haar in beroep aangevoerde gronden, niet evident hoefde te zijn dat hiermee haar procesbelang was komen te vervallen. Voorts kan haar niet worden tegengeworpen dat zij, nu zij voor de zitting was opgeroepen, gebruik heeft gemaakt van haar recht daar te verschijnen. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij heeft nagelaten de Belastingdienst/Toeslagen te veroordelen in de vergoeding van de bij [appellante] opgekomen proceskosten, voor zover het gaat om het verschijnen ter zitting door haar gemachtigde. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling de Belastingdienst/Toeslagen alsnog veroordelen tot vergoeding van die kosten. Het betreft hier een bedrag van € 495,00, zijnde 1 punt als bedoeld in het Bpb. De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd, met verbetering van gronden waarop deze rust.

7.    De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep te worden veroordeeld. Het betreft hier een bedrag van € 990,00, namelijk 1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen van de gemachtigde van [appellante] ter zitting bij de Afdeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2017 in zaak nr. 16/6857, voor zover de rechtbank daarbij heeft nagelaten de Belastingdienst/Toeslagen te veroordelen in de vergoeding van de bij [appellante] opgekomen proceskosten, voor zover het gaat om het verschijnen ter zitting door haar gemachtigde;

III.    veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand

IV.    bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;

V.    veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 124,00 (zegge: honderdvierentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Ouwehand

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2017

752.