Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3250

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
201604352/3/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:2649, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het CBR in het besluit van 4 december 2014 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de geweigerde hertest van 4 juni 2013 niet het gevolg is van het Keyless Go-systeem en derhalve aan [appellant] kan worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201604352/3/A1.

Datum uitspraak: 29 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 april 2016 in zaak nr. 15/199 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 12 april 2017 heeft de Afdeling het CBR opgedragen het in het besluit van 4 december 2014 geconstateerde gebrek te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 23 mei 2017 heeft het CBR van die gelegenheid gebruik gemaakt.

[appellant] heeft zienswijze ingediend.

De Afdeling heeft bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

    Overwegingen

1.    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het CBR in het besluit van 4 december 2014 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de geweigerde hertest van 4 juni 2013 niet het gevolg is van het Keyless Go-systeem en derhalve aan [appellant] kan worden toegerekend. Voorts heeft de Afdeling ten aanzien van de andere geweigerde hertesten overwogen dat het CBR gelet op de verklaring van [appellant] en de door hem overgelegde filmbeelden niet zonder meer van de verklaring van Dräger uit mocht gaan en dat het CBR diende na te gaan in hoeverre de verklaring van Dräger juist was. De Afdeling heeft het CBR opgedragen dit gebrek te herstellen.

2.    Het CBR heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak bij brief van 23 mei 2017 een nadere motivering gegeven. Het CBR heeft zich in die brief op het standpunt gesteld dat de geweigerde hertest van 4 juni 2013 aan [appellant] kan worden toegerekend. Anders dan [appellant] stelt, is het volgens het CBR niet aannemelijk dat de geweigerde hertest het gevolg is van het Keyless Go-systeem. Daarbij neemt het CBR in aanmerking dat 2 minuten nadat het alcoholslot om een hertest heeft verzocht de auto is uitgeschakeld en [appellant] binnen 12 minuten nadat om een hertest is verzocht, heeft geblazen. Nu het resultaat van de test buiten de gestelde 12 minuten viel werd er alsnog een geweigerde hertest geregistreerd. Het resultaat van de hertest moet namelijk binnen 12 minuten nadat hierom is verzocht binnen zijn omdat er anders een geweigerde hertest wordt geregistreerd. Het CBR heeft zich ten aanzien van de overige geweigerde hertesten op het standpunt gesteld dat het praktisch niet mogelijk is om de verklaringen van Dräger te controleren.

3.    [appellant] betoogt dat het CBR zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de geweigerde hertest van 4 juni 2013 aan hem kan worden toegerekend. Daartoe voert hij aan dat het kan zijn dat hij de auto had verlaten voordat om de hertest werd gevraagd en later weer terug is gekomen.

3.1.    Het CBR heeft terecht de geweigerde hertest van 4 juni 2013 aan [appellant] toegerekend. Gelet op het feit dat uit de bronbestanden is gebleken dat 2 minuten nadat het alcoholslot om een hertest heeft verzocht de auto is uitgeschakeld en uit de bronbestanden blijkt dat na 12 minuten is geblazen,  heeft het CBR inzichtelijk gemaakt waarom deze hertest aan van Ark wordt toegerekend. De enkele stelling van [appellant], dat het kan zijn dat hij later weer terug is gegaan naar de auto, nadat hij deze voordat om de hertest is verzocht had verlaten, geeft geen grond voor het oordeel dat het CBR ten onrechte niet aannemelijk acht dat de geweigerde hertest het gevolg is van het Keyless Go-systeem van de auto. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat dit ook niet overeenkomt met hetgeen van Ark hierover eerder heeft verklaard. Zowel in zijn schriftelijke verklaring van 8 augustus 2014 als in zijn beroepschrift en hogerberoepschrift heeft hij verklaard dat geruime tijd nadat hij de auto had verlaten om een hertest is gevraagd. Voorts heeft hij in de hiervoor genoemde stukken verklaard dat hij de hertest niet heeft gehoord. Hij heeft in de stukken niet verklaard dat hij weer terug naar de auto was gelopen.

    Het betoog faalt.

4.    Ten aanzien van de overige hertesten overweegt de Afdeling dat het CBR niet aan de opdracht van de Afdeling in de tussenuitspraak heeft voldaan nu het CBR heeft volstaan met het standpunt dat het praktisch niet mogelijk is om de verklaring van Dräger te controleren. Dit betekent dat het CBR niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de overige hertesten aan [appellant] worden toegerekend.

5.    Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak onder 5.4 is overwogen, is het hoger beroep van [appellant] gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 4 december 2014 van het CBR alsnog gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

6.    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

7.    Het CBR dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 april 2016 in zaak nr. 15/199;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 4 december 2014, kenmerk 2013007057/LJ;

V.    bepaalt dat tegen het door de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen nieuw te nemen besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2227,50 (zegge: tweeduizend tweehonderdzevenentwintig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. de Koning, griffier.

w.g. Borman    w.g. De Koning

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2017

712.