Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3228

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
201707427/2/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Almere Centrum Weerwater - Floriade" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6346
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707427/2/R6.

Datum uitspraak: 23 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekster A] en [verzoekster B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoekster]), beide gevestigd te Almere,

verzoeksters,

en

de raad van de gemeente Almere,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Almere Centrum Weerwater - Floriade" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoekster] beroep ingesteld.

[verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 november 2017, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. A.J.L. Claassen en mr. L. Muetstege, beiden advocaat te Eindhoven, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.C. van den Broek, bijgestaan door mr. A. de Snoo, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Het plan voorziet in een juridisch-planologisch kader ten behoeve van de ontwikkeling van het gebied Almere Centrum Weerwater. In dit gebied wordt in de eerste plaats de wereldtuinbouwtentoonstelling Floriade mogelijk gemaakt, die in 2022 zal plaatsvinden. Als de tentoonstelling is beëindigd, mogen in het plangebied woningen worden gerealiseerd.

    [verzoekster] exploiteert in het plangebied een jachthaven met zeilschool en stelt dat het plan ertoe leidt dat deze jachthaven en zeilschool feitelijk niet meer exploitabel zijn. Het verzoek van [verzoekster] strekt tot schorsing van het plan, zodat onomkeerbare gevolgen voor haar bedrijfsvoering kunnen worden voorkomen.

3.    Aan een deel van het plangebied is de bestemming "Floriade - Jachthaven" toegekend. [verzoekster] heeft te kennen gegeven dat zij ook andere delen van het plangebied ten behoeve van de exploitatie van de jachthaven en zeilschool gebruikt. De raad heeft hier volgens haar ten onrechte geen rekening mee gehouden bij de vaststelling van het plan.

4.    In de eerste plaats gaat het [verzoekster] om het oostelijke deel van het Atlantisstrand. Het Atlantisstrand ligt ten zuidwesten van het gebied waaraan in het plan de bestemming "Floriade - Jachthaven" is toegekend. [verzoekster] betoogt dat zij het oostelijke deel van het strand al enkele decennia gebruikt voor het geven van zeil- en surflessen. Inmiddels zijn en worden er werkzaamheden uitgevoerd ten behoeve van de aanleg van een boulevard. Deze werkzaamheden hebben er onder meer toe geleid dat het strand is opgehoogd, waardoor de locatie onbruikbaar is geworden voor het geven van zeil- en surflessen. Volgens [verzoekster] had de raad de uitvoering van deze werkzaamheden moeten uitstellen, gelet op het door haar ingediende beroepschrift en haar verzoek om schorsing van het plan. Voorts betoogt [verzoekster] dat de raad zich er ten onrechte geen rekenschap van heeft gegeven dat zij - gelet op het voortdurende bezit van de gronden gedurende een periode langer dan twintig jaar - door verjaring eigenaar is geworden van het betreffende deel van het Atlantisstrand. Hierdoor is sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

4.1.    De voorzieningenrechter stelt voorop dat eigendomsverhoudingen vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet van doorslaggevende betekenis zijn. Alleen als privaatrechtelijke verhoudingen van een dusdanig evident belemmerende aard zijn dat in verband daarmee de realisering van het bestemmingsplan binnen de planperiode niet aannemelijk is, kan hieraan betekenis toekomen. Nu de raad betwist dat het oostelijke deel van het Atlantisstrand bij [verzoekster] in eigendom is en [verzoekster] niet aan de hand van concrete bewijsstukken aannemelijk heeft gemaakt dat zij eigenaar is van de bedoelde grond, bestaat vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering.

4.2.    De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat op 3 augustus 2017 een omgevingsvergunning is verleend voor de werkzaamheden die op het Atlantisstrand worden uitgevoerd. Deze omgevingsvergunning is volgens de raad verleend op grond van het vorige bestemmingsplan. Verzoekster heeft dit niet betwist. Schorsing van het thans vastgestelde plan kan niet verhinderen dat de werkzaamheden op het Atlantisstrand kunnen worden uitgevoerd dan wel voortgezet. Onder deze omstandigheden ontbreekt een voldoende spoedeisend belang om in zoverre een voorlopige voorziening te treffen.

5.    In de tweede plaats heeft [verzoekster] gewezen op het gebruik dat zij maakt van de grond die ten zuiden is gelegen van het gebied waaraan in het plan de bestemming "Floriade - Jachthaven" is toegekend. Hierop is een botenopslag aanwezig. Aan de oostkant van de locatie waarop de botenopslag plaatsvindt, staan bomen die door [verzoekster] worden gebruikt bij de survivalactiviteiten die zij organiseert. [verzoekster] betoogt dat ter plaatse ten onrechte niet is voorzien in twee bedrijfswoningen, terwijl uit de huurovereenkomst die tussen de gemeente en [verzoekster] met betrekking tot deze gronden is gesloten, volgt dat dat wel had gemoeten. Volgens [verzoekster] stelt de raad zich voorts ten onrechte op het standpunt dat de huurovereenkomst thans geen gelding meer heeft. Verder betoogt [verzoekster] dat de raad de betreffende gronden ten onrechte niet heeft bestemd in overeenstemming met het gebruik dat zij ervan maakt.

5.1.    De voorzieningenrechter overweegt dat - los van de vraag of de huurovereenkomst tussen de gemeente en [verzoekster] nog geldt of niet, die door de burgerlijke rechter dient te worden beantwoord - tussen partijen kennelijk niet in geschil is dat het voorheen geldende bestemmingsplan niet voorzag in twee bedrijfswoningen op de grond die is gelegen ten zuiden van het gebied waaraan in het plan de bestemming "Floriade - Jachthaven" is toegekend. Dit brengt met zich dat [verzoekster] niet gebaat is bij schorsing van het plan ter plaatse van die locatie, omdat daarmee niet kan worden voorzien in de planologische mogelijkheid voor het oprichten van twee bedrijfswoningen. Een voorlopige voorziening die voorziet in die planologische mogelijkheid acht de voorzieningenrechter te verstrekkend, aangezien ook de uitspraak van de Afdeling, gelet op de aard van de toetsing in de bodemprocedure, doorgaans niet zal strekken tot het zelfvoorziend vaststellen van een bestemming of aanduiding die in een dergelijke ontwikkeling voorziet.

    Nu de raad ter zitting voorts heeft toegezegd dat het huidige gebruik van de betreffende gronden door [verzoekster] tot november 2018 onbelemmerd doorgang kan vinden, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ook in zoverre af te wijzen wegens het ontbreken van een voldoende spoedeisend belang.

6.    [verzoekster] betoogt voorts dat de onderdoorvaarhoogte van de brug die in het plan is voorzien tussen het Lumièrepark en het Weerwatereiland ten onrechte is bepaald op 4 m. De onderdoorvaarhoogte van de bruggen tussen het Weerwatereiland en het gebied Waterhout dient op grond van het plan ten minste 2,5 m te bedragen. [verzoekster] voert aan dat had moeten worden voorzien in een hoogte van ten minste 8 m om de jachthaven bereikbaar te houden voor zeiljachten.

6.1.    Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de realisering van onder meer de bruggen in het plan zal worden aanbesteed. Met de aanbestedingsprocedure is volgens de raad tot nu toe geen aanvang gemaakt. Nu de omstandigheid dat nog een aanbestedingsprocedure zal worden gevolgd met zich brengt dat realisering van de bruggen in het plangebied niet op korte termijn is te verwachten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat redelijkerwijs evenmin is te verwachten dat vóór de uitspraak in de bodemprocedure een omgevingsvergunning zal worden aangevraagd voor het oprichten van de bruggen. Om die reden ontbreekt de onverwijlde spoed die voor het treffen van een voorlopige voorziening is vereist, zodat het verzoek in zoverre dient te worden afgewezen. Ten overvloede wijst de voorzieningenrechter erop dat het [verzoekster] vrij staat opnieuw een voorlopige voorziening te vragen als desondanks voor de realisering van de bruggen een omgevingsvergunning zou worden aangevraagd voordat op haar beroep is beslist.

7.    [verzoekster] betoogt voorts dat de omschrijving van de ontwikkelingen waarin het plan voorziet, in de projectenlijst bij het Programma Aanpak Stikstof (hierna: het PAS) dermate vaag is, dat onduidelijk is welke effecten in het kader van de programmatische aanpak zijn meegenomen en welke niet. Volgens [verzoekster] is het - mede gelet op de gehanteerde rekenmethodiek, alsmede op de omstandigheid dat de vraag of bij een passende beoordeling rekening mag worden gehouden met toekomstige positieve effecten van maatregelen en ontwikkelingen, vooralsnog onbeantwoord is - niet uitgesloten dat het plan onomkeerbare gevolgen heeft voor de nabijgelegen Natura 2000-gebieden Naardermeer en Oostelijke Vechtplassen.

7.1.    Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

7.2.    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

7.3.    De bepalingen van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) hebben met name ten doel het algemene belang van bescherming van natuur en landschap te beschermen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, volgt dat de individuele belangen van burgers die in of in de onmiddellijke nabijheid van een Natura 2000-gebied wonen bij behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

7.4.    De jachthaven en zeilschool van [verzoekster] zijn gelegen op een afstand van ongeveer 9 km van het Natura 2000-gebied Naardermeer. De afstand van het bedrijf van [verzoekster] tot aan de Oostelijke Vechtplassen bedraagt ongeveer 12 km. De jachthaven en zeilschool van [verzoekster] zijn derhalve niet gevestigd in de onmiddellijke nabijheid van deze gebieden. Er bestaat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen duidelijke verwevenheid van het individuele belang van [verzoekster] bij het behoud van een goede kwaliteit van haar directe omgeving met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, zodat de betrokken normen in zoverre kennelijk niet strekken tot bescherming van haar belangen. Het voorgaande leidt ertoe dat de voorzieningenrechter de verzoeken in zoverre buiten beschouwing zal laten.

8.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Groen, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Groen

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2017

831.