Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3220

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
201607949/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:4976, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 februari 2015 heeft het college geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van een recreatiewoning op het perceel [locatie] te Helvoirt, gemeente Haaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607949/1/A1.

Datum uitspraak: 22 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Helvoirt, gemeente Haaren,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 september 2016 in zaak nr. 15/2677 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haaren.

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2015 heeft het college geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van een recreatiewoning op het perceel [locatie] te Helvoirt, gemeente Haaren.

Bij besluit van 28 juli 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 5 februari 2015 onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 9 september 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 juli 2015 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2017, waar [appellant A], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Martens en I.A.M. van der Linden, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De gevraagde omgevingsvergunning ziet op de herbouw van een reeds bestaande recreatiewoning op het perceel [locatie] te Helvoirt (hierna: het perceel). Het bouwplan voorziet in een woning en aansluitend een bijgebouw met daaronder een souterrain respectievelijk een garage. De woning en het bijgebouw zijn op een ter plaatse aanwezige duinwal gesitueerd. Aan de zuidzijde van de woning en het bijgebouw wordt net onder peil en over de gehele breedte een overkapping aangebracht van 2 m bij 11.5 m. De overkapping steekt 2 m uit de gevel van de woning en het bijgebouw en rust aan beide zijden op vleugelmuren. De overkapping dient volgens [appellant] voor stabiliteit, toegang van de woning op peilniveau aan de voorzijde en herstel van de duinwal.

2.     De rechtbank heeft het besluit van 28 juli 2015 vernietigd omdat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat een afwijking van het bestemmingsplan vanwege de aantasting van in het gebied aanwezige waarden niet mogelijk is. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van dat besluit (lees: de weigering van de vergunning) in stand gelaten omdat het bouwplan in strijd is met de in het bestemmingsplan opgenomen regel dat de totale oppervlakte van bijgebouwen niet meer dan 30 m2 mag bedragen en afwijking daarvan in strijd is met het gemeentelijk beleid.

3.    Ter zitting is gebleken dat [appellant] het oordeel van de rechtbank dat het bouwplan in strijd is met artikel 36.2, onder a, van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Haaren" (hierna: planregels) niet bestrijdt. Verder kan [appellant] zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat een afwijking van het bestemmingsplan niet mogelijk is vanwege aantasting van in het gebied aanwezige waarden. Het hoger beroep richt zich met name tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank het in stand laten van de rechtsgevolgen niet kan baseren op een nieuwe weigeringsgrond. Het college heeft die grond niet gehanteerd in zijn besluiten, aldus [appellant].

4.1.    Dit betoog faalt. De rechtbank is op grond van artikel 8.41a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gehouden het haar voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief te beslechten. In het kader daarvan kan zij de rechtsgevolgen van het besluit tot weigering van de vergunning in stand laten, indien de vergunning op andere gronden moet worden geweigerd dan de gronden waarop het college de weigering heeft gebaseerd.

5.    De rechtbank heeft overwogen dat het bouwplan in strijd is met artikel 19.2.1, onder g, van de planregels en artikel 36.2, onder d, geen mogelijkheid biedt om van artikel 19.2.1, onder g, af te wijken. Daarbij is de rechtbank - evenals het college in het verweerschrift in beroep - er vanuit gegaan dat de overkapping een bijgebouw in de zin van het bestemmingsplan is. Ter zitting heeft [appellant] betoogd dat de overkapping niet kan worden aangemerkt als een bijgebouw en dat artikel 19.2.1 niet ziet op een aanbouw.

5.1.    Artikel 36.2 van de planregels luidt:

"Ondergronds bouwen"

a  Op plaatsen waar hoofd- en bijgebouwen zijn of gelijktijdig worden gebouwd mag eveneens ondergronds gebouwd worden, direct aansluitend mogen in- dan wel uitritten ten behoeve van de ondergrondse bouwwerken worden gebouwd.

[…]

d  Het bevoegd gezag kan afwijken voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken op andere locaties dan onder het hoofdgebouw of bijgebouw mits hierdoor de in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig worden aangepast," (lees: aangetast).

    Artikel 19.2.1, onder c, luidt:

"De oppervlakte van een recreatiewoning mag niet meer bedragen dan 60 m2."

    Artikel 19.2.1, onder g, luidt:

"De gezamenlijke oppervlakte van bij eenzelfde recreatiewoning behorende vergunningplichtige bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 30 m2."

    In artikel 1 wordt onder bijgebouw verstaan:

"een bij een woning behorend gebouw, zoals een garage, berging, carport of hobbyruimte, dat niet in directe verbinding staat met de woning en dat, indien het vrijstaat van de woning, niet voor bewoning is bestemd en geen kelder mag bevatten".

    Onder aan- of uitbouw wordt verstaan:

"een gebouw dat aan een woning is aangebouwd en daarmee in directe verbinding staat; welk gebouw onderscheiden kan worden van de woning en daaraan in architectonisch opzicht ondergeschikt is".

5.2.    De overkapping staat in directe verbinding met de recreatiewoning zodat reeds hierom geen sprake is van een bijgebouw in de zin van het bestemmingsplan. Het college heeft ter zitting gesteld, hetgeen niet is bestreden, dat de overkapping moet worden aangemerkt als een aanbouw, als bedoeld in het bestemmingsplan. Gelet op de aard en de constructie van de overkapping deelt de Afdeling dit standpunt. Artikel 19.2.1, onder g, ziet niet op een aanbouw, zodat dit artikelonderdeel in dit geval toepassing mist.

    Het betoog slaagt.

6.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 28 juli 2015 in stand worden gelaten. De overige hogerberoepsgronden behoeven geen bespreking.

    Het vorenstaande betekent dat de door de rechtbank uitgesproken vernietiging van het besluit van 28 juli 2015 in stand blijft en het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen.

        Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

7.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 september 2016 in zaak nr. 15/2677, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 28 juli 2015 in stand blijven;

III.    bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haaren tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1027,71 (zegge: duizendzevenentwintig euro en eenenzeventig cent), waarvan € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Haaren aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 251,00 (zegge: tweehonderdeenenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoed, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. Th.C. van Sloten en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2017

190.