Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3216

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
201700003/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 december 2016 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s), onder meer op locatie 86-94B, ter hoogte van de Martin Luther Kinglaan 19 te Den Haag.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2017/767
JOM 2018/774
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700003/1/A1.

Datum uitspraak: 22 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te 's-Gravenhage,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2016 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s), onder meer op locatie 86-94B, ter hoogte van de Martin Luther Kinglaan 19 te Den Haag.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2017, waar [appellant] en [appellant A], bijgestaan door [gemachtigde] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.M.C. van der Helm en ing. R. van Coevorden, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij het besluit van 6 december 2016 heeft het college, door vaststelling van het plaatsingsplan, concrete locaties aangewezen waar ORAC's worden geplaatst. [appellant] en anderen zijn van mening dat bij de keuze voor de locatie 86-94B het college de belangen van omwonenden onvoldoende heeft betrokken. Volgens hen is onvoldoende rekening gehouden met de gevolgen van zwerfvuil en de windstroming, de doorstroming van het verkeer en de gevolgen voor de verkeersveiligheid. [appellant] en anderen zijn voorts van mening dat een geschikte alternatieve locatie aanwezig is.

2.    Bij de keuze van een locatie voor ondergrondse afvalcontainers dient het college een afweging te maken van alle betrokken belangen. Daarbij heeft het beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het college in redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen.

    Bij de vaststelling van het plaatsingsplan heeft het college rekening gehouden met de volgende randvoorwaarden bij het vinden van geschikte locaties voor ondergrondse containers:

- Loopafstand: de maximale loopafstand van de huisdeur tot de container mag ingevolge de regelgeving maximaal 75 m bedragen, waarbij onder bijzondere omstandigheden een uitloop naar maximaal 125 m is toegestaan.

- Parkeren: het aantal te vervallen parkeerplaatsen wordt tot een minimum beperkt.

- Bomen: zo min mogelijk kappen of verplaatsen van bomen.

- Ondergrondse infrastructuur: zo min mogelijk omleggen van reeds aanwezige kabels, leidingen en riolering (kosten!).

- Overige obstakels: zo min mogelijk verplaatsen van lichtmasten, telefoonzuilen, HTM-masten en bovenleidingen (kosten!).

- Bereikbaarheid leegwagen: de leegwagen moet voldoende ruimte hebben om op te stellen.

- Veiligheid: bij de route van huisdeur naar container moet kruising met hoofdroutes en wijkontsluitingswegen worden vermeden.

Ontvankelijkheid

3.    Naar aanleiding van een verzoek daartoe van de Afdeling heeft [appellant] machtigingen tot het instellen van beroep tegen het besluit van 6 december 2016 overgelegd van [appellant B], [appellant C], [appellant A], [appellant D], [appellant E], [appellant F], [appellant G] en [appellant H]. [appellant A] heeft geen zienswijze ingediend tegen het ontwerpbesluit van 19 juli 2016. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Hiervan is de Afdeling niet gebleken. Gelet hierop dient het beroep van [appellant A] niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voorts dienen de door [appellant] naar gesteld handelend namens [appellant I], [appellant J], [appellant K], [appellant L], [appellant M], [appellant N], [appellant O], [appellant P] en [appellant Q] ingediende beroepen niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens het ontbreken van een machtiging daartoe.

    Wanneer in de hiernavolgende overwegingen over [appellant] en anderen wordt gesproken, wordt niet mede [appellant A], [appellant I], [appellant J], [appellant K], [appellant L], [appellant M], [appellant N], [appellant O], [appellant P] en [appellant Q] bedoeld.

Voorbereiding van het besluit

4.    [appellant] en anderen betogen dat de door hen ingediende bezwaren onzorgvuldig zijn behandeld. Zij voeren hiertoe aan dat zij niet zijn gehoord, dat niet alle bezwaarmakers afzonderlijk zijn aangeschreven en dat het door hen tijdig ingediende bezwaarschrift gelet op de Awb vormvrij mag zijn.

4.1.    Artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb luidt:

Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4.

4.2.    Het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerpbesluit van 19 juli 2016 is in het gemeenteblad van 24 augustus 2016 bekendgemaakt en het per e-mail door [appellant] en anderen ingediende stuk is opgevat als een zienswijze gericht tegen het ontwerpbesluit.     

    Gelet op artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb kon tegen het besluit tot vaststelling van het plaatsingsplan dan ook geen bezwaar worden gemaakt. Het college heeft daartoe terecht geen gelegenheid geboden. Daarnaast is het college in de aan het besluit ten grondslag gelegde zienswijzenbespreking ingegaan op de door [appellant] en anderen aangevoerde zienswijzen. In zoverre ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het besluit van het college onzorgvuldig tot stand is gekomen.

    Het betoog faalt.

Belangen omwonenden en alternatieve locatie

5.    [appellant] en anderen betogen dat het college de belangen van omwonenden onvoldoende heeft betrokken bij het besluit van 6 december 2016. Volgens hen is een geschikte alternatieve locatie aanwezig, is onvoldoende rekening gehouden met de gevolgen van zwerfvuil en de windstroming, de doorstroming van het verkeer en de gevolgen voor de verkeersveiligheid. Zij betogen voorts dat het door hen aangedragen alternatief niet deugdelijk gemotiveerd is afgewezen terwijl deze locatie ervoor zorgt dat de ORAC uit het zicht zal worden geplaatst van omwonenden en dat de doorstroom van het verkeer tijdens het legen van de containers niet wordt belemmerd. Daarnaast betogen [appellant] en anderen dat het college uitgaat van onjuiste loopgedrag van bewoners. Zij voeren daartoe aan dat de bewoners van de woningen aan de Martin Luther Kinglaan 61 tot en met 79 gebruik zullen maken van het pad langs de woningen aan de Martin Luther Kinglaan 27 tot en met 31 om hun afval te brengen naar de locatie 86-94B. Daarnaast voeren zij aan dat de bewoners van de gestapelde woningen aan de Escamplaan eerder gebruik zullen maken van een aan die laan gelegen locatie dan van locatie 86-94B. Indien met dit loopgedrag rekening wordt gehouden bevindt de door [appellant] en anderen voorgestelde alternatieve locatie zich binnen de maximale loopafstand van 125 m.

5.1.    Het college heeft in het verweerschrift en ter zitting aan de hand van een overzichtsplattegrond toegelicht dat het plaatsen van een ORAC op de door [appellant] en anderen genoemde locatie geen geschikt alternatief is, omdat daardoor de loopafstand voor bepaalde bewoners van de Escamplaan en de Martin Luther Kinglaan groter wordt dan 125 m. Daargelaten of het achterpad door bewoners van de woningen aan de Martin Luther Kinglaan 61 tot en met 79 kan worden gebruikt, zal met het alternatief de loopafstand vanaf de woningen aan de Escamplaan groter zijn dan 125 m.

5.2.    Het college heeft in het verweerschrift naar voren gebracht dat de ORAC's tweemaal per week worden geleegd en dat deze zo zijn vormgegeven dat er geen ongedierte bij kan. Daarnaast heeft het college toegelicht dat indien vuil rondom de container wordt aangetroffen hiervan melding kan worden gemaakt, dat naast de container staande zakken zullen worden meegenomen en dat de handhaving kan worden geïntensiveerd. Daarnaast heeft het college in het verweerschrift toegelicht dat tijdens het legen van de alternatieve locatie de verkeersdoorstroming ook voor de duur van ongeveer vijf minuten zal worden belemmerd, nu de weg op deze locatie niet heel veel breder is dan de gekozen locatie waardoor niet aannemelijk is dat sprake zal zijn van minder opstoppingen ten gevolge van het legen van de ORAC. In dit verband heeft het college er voorts op gewezen dat geen rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat bij de alternatieve locatie de leegwagen via het verlaagde trottoir kan worden gepasseerd. Daarnaast heeft het college toegelicht dat de gekozen locatie in gebruik was als parkeerplek en omgeven was door groen, zodat de gevolgen voor de omgeving beperkt zijn en de locatie voldoet aan de daaraan gestelde randvoorwaarden.

    Voorts heeft het college ter zitting toegelicht dat de geplaatste ORAC's een capaciteit van 80 huishoudens hebben en rekening is gehouden met 61 huishoudens, zodat niet aannemelijk is dat de ORAC's te snel vol zullen zijn.    

    Gezien het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot aanwijzing van de locatie 86-94B als locatie voor plaatsing van een ORAC heeft kunnen besluiten.

    Het betoog faalt.

Conclusie

6.    De beroepen van [appellant A] en [appellant], naar gesteld handelend namens [appellant I], [appellant J], [appellant K], [appellant L], [appellant M], [appellant N], [appellant O], [appellant P] en [appellant Q], zijn niet-ontvankelijk. De beroepen van [appellant], [appellant B], [appellant C], [appellant D], [appellant E], [appellant F], [appellant G] en [appellant H] zijn ongegrond.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de beroepen van [appellant A] en [appellant], naar gesteld handelend namens [appellant I], [appellant J], [appellant K], [appellant L], [appellant M], [appellant N], [appellant O], [appellant P] en [appellant Q], niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de beroepen van [appellant], [appellant B], [appellant C], [appellant D], [appellant E], [appellant F], [appellant G] en [appellant H] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Minderhoud    w.g. Vermeulen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2017

700.