Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3209

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
201609108/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:5716, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2016 heeft het college aan de Stichting Faunabeheereenheid Gelderland (hierna: FBE) op grond van artikel 68 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) ontheffing verleend voor schadebestrijding veroorzaakt door knobbelzwanen. Voorts heeft het college voor een termijn van vijf jaren goedkeuring verleend aan het Faunabeheerplan knobbelzwaan 2015-2020 (hierna: het Fbp) van de FBE.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6221
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609108/1/A3.

Datum uitspraak: 22 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Vereniging Vogelwerkgroep Zutphen en omstreken, gevestigd te Eefde, gemeente Lochem,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 oktober 2016 in zaak nr. 16/2288 in het geding tussen:

de Vereniging

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland.

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2016 heeft het college aan de Stichting Faunabeheereenheid Gelderland (hierna: FBE) op grond van artikel 68 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) ontheffing verleend voor schadebestrijding veroorzaakt door knobbelzwanen. Voorts heeft het college voor een termijn van vijf jaren goedkeuring verleend aan het Faunabeheerplan knobbelzwaan 2015-2020 (hierna: het Fbp) van de FBE.

Bij uitspraak van 27 oktober 2016 heeft de rechtbank het door de Vereniging daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 maart 2016 vernietigd, voor zover dat besluit betrekking heeft op de verleende ontheffing, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit, voor zover door het college in beroep gehandhaafd, volledig in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Vereniging hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Vereniging heeft een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2017, waar de Vereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. E. Koornwinder, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door R.A.A.H.H. van Rossum-Loomans, P.F.H.A. Tillie, T. Achterkamp en R. Schuitemaker, zijn verschenen. Voorts is daar de FBE, vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

Wet- en regelgeving

1. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden en de Ffw ingetrokken. Nu het besluit op bezwaar voor die datum is genomen, is de Ffw op dit geding nog van toepassing. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Inleiding

2. Op 15 september 2015 heeft de FBE het college ter goedkeuring het Fbp aangeboden en verzocht om verlening van ontheffing op grond van artikel 68 van de Ffw van het verbod tot het opzettelijk opsporen, verontrusten en doden van knobbelzwanen, ter voorkoming en bestrijding van belangrijke schade aan gewassen en aan wateren en in het belang van de volksgezondheid, binnen het werkgebied van de wildbeheereenheden (WBE’s) die daar op grond van hun schadegegevens voor in aanmerking komen, voor een periode van 5 jaar. De FBE heeft daarbij een tabel gevoegd met de werkgebieden van de WBE’s. Tevens heeft de FBE om goedkeuring van het faunabeheerplan gevraagd.

Besluitvorming

3. Bij het besluit van 8 maart 2016 heeft het college goedkeuring verleend aan het Fbp en aan de FBE onder voorschriften ontheffing verleend van de verboden de knobbelzwaan te doden, te verwonden, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen (artikel 9 van de Ffw) en nesten van knobbelzwanen te verstoren en eieren te vernielen of te beschadigen (artikelen 11 en 12 van de Ffw) op twee grondslagen. De eerste grondslag is artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c van de Ffw; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, en wateren. De tweede grondslag is artikel 68, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ffw; in het belang van de volksgezondheid.

Aangevallen uitspraak

4. De rechtbank heeft allereerst vastgesteld dat het college ter zitting te kennen heeft gegeven de grondslag van artikel 68, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ffw niet langer te handhaven.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat de ontheffing wat betreft de periode waarbinnen gejaagd mag worden en nestreductie mag plaatsvinden in strijd met het door het college in het besluit van 8 maart 2016 vermelde beleid is verleend en het besluit reeds hierom niet in stand kan blijven. Nu het college ter zitting te kennen heeft gegeven dat het beleid zoals geformuleerd in de Nota flora- en faunabeleid 2002 (hierna: de Nota) op dit punt al sinds 2004 niet meer wordt toegepast en het de bestendige praktijk is om ontheffingen jaarrond te verlenen, omdat schade jaarrond ontstaat en er derhalve jaarrond schadebestrijding nodig is, hetgeen door het Fbp en het Faunafonds wordt bevestigd, heeft de rechtbank voorts beoordeeld of de rechtsgevolgen van het besluit, voor zover dat ziet op de verleende ontheffing, in stand kunnen blijven. Volgens de rechtbank is dat het geval. Hierbij heeft zij van belang geacht dat het college voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een concrete dreiging van belangrijke schade aan gewassen door knobbelzwanen in de werkgebieden van de 24 WBE’s waarop de ontheffing ziet en dat die schade zich jaarrond voordoet. Het college heeft zich daarbij gebaseerd op cijfers uit het door het Faunafonds goedgekeurde Fbp. Deze cijfers zijn door de Vereniging onvoldoende weerlegd. Voor zover de Vereniging heeft aangevoerd dat de schadecijfers inmiddels gedateerd zijn, heeft de rechtbank verwezen naar de door het college overgelegde recente cijfers waaruit volgt dat in 2015, maar ook in de jaren daaraan voorafgaand, het drempelbedrag van €250,00 is overschreden en de gemelde schade alleen al in 2014 €6.000,00 was. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat de stelling van de Vereniging dat het college onvoldoende toezicht houdt, ziet op handhaving van de aan de ontheffing verbonden voorwaarden en dat die grond derhalve niet af kan doen aan het besluit tot verlening van de ontheffing.

Hoger beroep

5. De Vereniging betoogt allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de ontheffing slechts ziet op 24 WBE’s zoals benoemd in de aanvraag. Zij verwijst hiertoe naar de voorschriften H1b en A2 bij de ontheffing en naar paragraaf 6.2 van het Fbp. In het Fbp zijn ter onderbouwing van de aanvraag om ontheffing op pagina 19 alleen schadecijfers overgelegd ten aanzien van 24 WBE's. De ontheffing voor de overige 25 WBE's is niet nader onderbouwd en had alleen al op grond daarvan niet mogen worden verleend, aldus de Vereniging.

5.1.

Gelet op de door de Vereniging genoemde voorschriften bij de ontheffing en de betrokken passages uit het Fbp heeft de rechtbank terecht overwogen dat de ontheffing thans alleen ziet op de 24 WBE’s die in de aanvraag worden genoemd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in paragraaf 9 van het Fbp de ontheffing wordt gevraagd ten behoeve van schadebestrijding binnen het werkgebied van de in tabel 7 genoemde 24 WBE’s. Hoewel uit paragraaf 9 gelezen in samenhang met paragraaf 6.2 van het Fbp volgt dat de FBE bij nieuwe schadegevallen WBE’s kan toevoegen aan de ontheffing, dient voor het toevoegen van WBE’s wel eerst toestemming te worden verleend door de provincie. Een dergelijk verzoek om toestemming moet goed worden onderbouwd en tenminste de in die paragraaf genoemde informatie bevatten. Het college heeft ter zitting toegelicht dat voor het toevoegen van een WBE aan de ontheffing de kennisgeving van de vaststelling van (dreigende) belangrijke schade door de provincie en/of getaxeerd door het Faunafonds als bedoeld in voorschrift H1b onvoldoende is. Aan de toevoeging van een WBE aan de ontheffing ligt altijd een besluit van de provincie ten grondslag.

Het betoog faalt.

6. De Vereniging betoogt voorts dat de rechtbank weliswaar terecht heeft geoordeeld dat het besluit van 8 maart 2016 in strijd is met het in dat besluit opgenomen beleid, maar vervolgens ten onrechte heeft overwogen dat de rechtsgevolgen van de ontheffing in stand kunnen blijven. De rechtbank heeft hierbij niet onderkend dat de ontheffing in strijd is met de Kadernota Faunabeleid 2012. Hierin is immers niets opgenomen over de knobbelzwaan.

De rechtbank heeft voorts ten onrechte overwogen dat het college de dreiging van belangrijke schade die zich jaarrond voordoet op basis van het Fbp in alle WBE’s aannemelijk mocht achten. Op pagina 23 van het Fbp staat dat de ontheffing wordt verleend ter bestrijding van belangrijke schade aan landbouwgewassen. Volgens de Vereniging is echter geen sprake van concrete dreigende belangrijke schade binnen de aan de orde zijnde gebieden. Uitgangspunt is dat in de laatste twee Fbp-perioden binnen een WBE ten minste één geval van €250,00 getaxeerde schade moet hebben plaatsgevonden. Dat dit het geval is, blijkt volgens de Vereniging niet uit het Fbp. Daarbij komt dat een dergelijke terugkijktermijn onredelijk is. Een incidenteel schadegeval is immers onvoldoende om een ingrijpende ontheffing te verlenen. De schadecijfers waarop de ontheffing is gebaseerd zijn bovendien door de FBE zelf verzameld. Het Faunafonds beschikt slechts over de cijfers van na 2011. Uit tabel 7 van het Fbp blijkt voorts niet waar, in welk jaar en in welke periode de schademeldingen zijn gedaan. De cijfers komen bovendien niet overeen met de cijfers die de Vereniging in haar bezit heeft. De ontheffing is derhalve verleend op grond van onvoldoende en gedateerd cijfermateriaal. De rechtbank gaat daaraan ten onrechte voorbij, omdat het college alsnog recente cijfers heeft overgelegd. Uit cijfers van het Faunafonds over de periode 2011-2015 zoals gepubliceerd op zijn website volgt echter dat de schade door knobbelzwanen minimaal was. Er was sprake van 13 uitgekeerde getaxeerde schademeldingen van boven de €250,00 in 6 verschillende WBE’s. Dit levert volgens de Vereniging geen concrete dreiging van belangrijke schade op. Dat zij geen deskundigenrapport heeft laten opstellen om de schadecijfers die het college noemt te weerleggen, doet daaraan niet af nu het college zich voor het verlenen van een ontheffing op de hoogte dient te stellen van de juiste schadecijfers, aldus de Vereniging.

6.1.

De rechtbank heeft overwogen dat de ontheffing wat betreft de periode waarbinnen gejaagd mag worden en nestreductie mag plaatsvinden, in strijd met het door het college vermelde beleid is verleend en het besluit reeds hierom niet in stand kan blijven. Nu het college ter zitting bij de rechtbank heeft toegelicht dat het beleid zoals geformuleerd in de Nota op dit punt als sinds 2004 niet meer wordt toegepast en dat het bestendige praktijk is om ontheffingen jaarrond te verlenen, omdat schade jaarrond ontstaat en derhalve jaarrond schadebestrijding nodig is, heeft de rechtbank evenwel terecht aanleiding gezien te beoordelen of de rechtsgevolgen van het besluit van 8 maart 2016 op grond van die vaste beleidslijn in stand kunnen blijven. Het betoog van de Vereniging, dat de vaste beleidslijn in strijd is met de Kadernota Faunabeleid 2012 volgt de Afdeling niet, omdat in de Kadernota niets is geregeld over knobbelzwanen.

6.2.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9067) is aan het in artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw gestelde vereiste van belangrijke schade voldaan, indien is gebleken van een concrete dreiging van belangrijke schade. Het college komt bij de invulling van het begrip 'belangrijke schade' en bij het bepalen of sprake is van een concrete dreiging daarvan, een zekere beoordelingsruimte toe. Niet is vereist dat belangrijke schade zich al heeft voorgedaan, maar een besluit waarbij een ontheffing van het verbod op afschot is verleend, dient strikt noodzakelijk te zijn en op een nauwkeurige en treffende motivering te berusten.

6.3.

Volgens het Fbp is de knobbelzwaan als broedvogel in grote delen van de provincie Gelderland aanwezig, uitgezonderd de hogere droge zandgronden. Over het jaar beschouwd zijn er waarnemingen van knobbelzwanen bekend in alle uurhokken van Gelderland, uitgezonderd delen van de Veluwe. In het voorjaar zijn de broedvogels sterk verspreid over Gelderland. De niet-broedvogels blijven geconcentreerd aanwezig. In de ruiperiode treedt er een verschuiving op naar de randmeren. De wintergasten en doortrekkers concentreren zich langs de grote rivieren en de randmeren. In januari 2013 werden in Gelderland 1.662 knobbelzwanen geteld. Uit het Fbp en de Handreiking Faunaschade 2009 van het Faunafonds blijkt dat knobbelzwanen schade aanrichten aan landbouwgewassen. Volgens het Fbp heeft schadepreventie voornamelijk als doel het voorkomen van schade in de agrarische sector die veroorzaakt wordt door dieren. In het geval van de knobbelzwaan wordt de schade bestreden door het inzetten van preventieve middelen ondersteund door afschot. De ervaring leert ook dat het verjagen van knobbelzwanen op deze wijze het meest effectief is. De schadebestrijding moet zodanig plaatsvinden dat een duurzame instandhouding van de soort gewaarborgd blijft. De vorige ontheffingen zijn verleend op 5 en 8 oktober 2009 aan de, toen nog, 3 afzonderlijke FBE’s in Gelderland. In de ontheffingsperiode 2009-2014 zijn 1.621 knobbelzwanen afgeschoten. De populatie knobbelzwanen is in die periode stabiel gebleven. Ondanks het gevoerde beleid lag de schade veroorzaakt door knobbelzwanen gedurende de ontheffingsperiode 2009-2014 gemiddeld op ongeveer €6.150,00 per jaar. Door in lijn met voorgaande jaren schadebestrijding gericht in te zetten en de aantallen te monitoren kan de duurzame instandhouding van de soort worden gewaarborgd. De ontheffing zal worden ingezet voor bestrijding bij (dreigende) belangrijke schade in landbouwgewassen door knobbelzwanen. Aangezien de schade vooral plaatsvindt op overjarig, blijvend grasland moet de ontheffing het gehele jaar gebruikt kunnen worden, aldus het Fbp.

6.4.

Het beleid voor de vaststelling of er sprake is van belangrijke schade is opgenomen in artikel 6, derde lid, van de Beleidsregels Faunabeheer en Schadebestrijding Gelderland (hierna: Beleidsregels). Hierin is bepaald dat sprake is van belangrijke schade indien de schade ten minste €250,00 per geval bedraagt, waarbij een geval bestaat uit een door één diersoort in één jaar aan één of meerdere gewassen van één bedrijf veroorzaakte schade. Uitgangspunt daarbij is volgens het Fbp dat in de laatste twee faunabeheerplanperioden binnen het werkgebied van de WBE ten minste een geval van € 250,00 getaxeerde schade moet hebben plaatsgevonden. Oudere schadegevallen worden niet meegenomen.

De Afdeling acht niet onredelijk dat voor de beoordeling of sprake is van een concrete dreiging van belangrijke schade uitgangspunt is dat zich in de laatste twee faunabeheerplanperioden binnen het werkgebied van de WBE ten minste één geval van €250,00 getaxeerde schade moet hebben voorgedaan. Het Fbp bevat de schadecijfers over de periode 2004-2013. Deze schadecijfers betreffen volgens het college alleen gegevens over getaxeerde schadegevallen. Aan het Fbp liggen cijfers van het Faunafonds ten grondslag en het Fbp is door het Faunafonds goedgekeurd. Uit de schadecijfers volgt dat zich in voormelde periode schade aan gewassen veroorzaakt door knobbelzwanen heeft voorgedaan, en dat in de 24 WBE’s waarvoor de ontheffing is verleend, een of meer schademeldingen van meer dan €250,00 zijn gedaan. In totaal gaat het om 391 schademeldingen, waarvan 364 groter dan €250,00. De gegevens hebben volgens het college uitsluitend betrekking op de door de knobbelzwaan veroorzaakte schade en bevatten geen samenloop met andere soorten. Dat uit de schadecijfers genoemd in tabel 7 niet valt af te leiden waar en in welk jaar de schade zich heeft voorgedaan, leidt niet tot het oordeel dat het college niet op grond van onder meer die cijfers aannemelijk mocht achten dat zich een concrete dreiging van belangrijke schade voordeed in de in die tabel genoemde WBE’s. De precieze plaats en het jaar waarin de schade zich heeft voorgedaan, zijn voor het oordeel of sprake was van belangrijke schade als bedoeld in de Beleidsregel immers niet relevant. Bepalend is of sprake was van een getaxeerde schade hoger dan €250,00 veroorzaakt door één diersoort in één jaar aan één of meerdere gewassen van één bedrijf. Daarbij komt dat de meldingen, inclusief datum en plaats, kunnen worden teruggevonden in de door de aan het Fbp ten grondslag gelegde cijfers van het Faunafonds. Voor het oordeel dat de schadecijfers niet afkomstig zijn van het Faunafonds, maar zijn verzameld door de FBE zelf, bestaat voorts, gelet op de bronvermelding in het Fbp en de toelichting hierover in de schriftelijke uiteenzetting van het college, geen grond. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat een concrete dreiging van belangrijke schade aannemelijk is in alle 24 WBE’s waarop de ontheffing ziet.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het college, onder verwijzing naar het Fbp, aannemelijk heeft gemaakt dat de schade zich jaarrond voordoet. Uit het Fbp en de daaraan ten grondslag liggende cijfers over de periode 2004-2013 volgt dat schade door knobbelzwanen jaarrond plaatsvindt vooral op overjarig, blijvend grasland. Het college heeft toegelicht dat knobbelzwanen gras eten en dat zij de grasmat beschadigen waardoor jaarrond schade optreedt. De schade bestaat uit vraatschade, vertrappingsschade en bevuiling. De mate waarin dit plaatsvindt, kan over het jaar verschillen, maar het staat niet vast dat schade uitsluitend in de eerste helft van een jaar plaatsvindt. De Vereniging heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in voorgaande jaren ook, zij het in mindere mate, schade is gemeld in de tweede helft van het jaar.

Het betoog faalt.

7. De Vereniging betoogt voorts dat de rechtbank niet is ingegaan op het feit dat ten onrechte tevens ontheffing is verleend van de verboden bedoeld in artikel 11 en 12 van de Ffw terwijl de aanvraag daar niet op ziet.

7.1.

Uit hoofdstuk 9 van het Fbp volgt dat de ontheffingsaanvraag van de FBE, hoewel die artikelen van de Ffw niet expliciet in de inleiding van dat hoofdstuk worden genoemd, ook ziet op de verboden als bedoeld in artikel 11 en 12 van de Ffw. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in de vijfde alinea van dat hoofdstuk is verzocht om ontheffing van het verbod om nesten te verstoren en eieren te schudden of te oliën. Daargelaten of de rechtbank ten onrechte aan dit betoog voorbij is gegaan, behoefde dit niet aan instandlating van de rechtsgevolgen in de weg te staan.

Het betoog faalt.

8. De Vereniging betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van populatiebeheer terwijl ontheffing is verleend voor schadebestrijding. Zij voert hiertoe aan dat uit verschillende deelrapportages van de FBE blijkt dat afschot voornamelijk plaatsvindt in de tweede helft van het jaar. In die periode is geen sprake van vastgestelde schade. Hierdoor gebeurt het afschieten preventief. De broedpopulatie van de knobbelzwanen is in de laatste 10 jaar stabiel gebleven. Ondanks deze cijfers dienen volgens de FBE jaarlijks 400 knobbelzwanen te worden afgeschoten. De schademeldingen geven hiervoor geen enkele aanleiding. De rechtbank is hier ten onrechte niet op ingegaan.

8.1.

Zoals onder 6.4 overwogen heeft het college aannemelijk gemaakt dat sprake is van een concrete dreiging van belangrijke schade in de 24 WBE’s waarvoor de ontheffing is verleend. Zoals volgt uit de aan de ontheffing verbonden voorschriften, onderdeel I.2, dienen op schadepercelen preventieve maatregelen te worden getroffen, waarvan een akoestisch en een visueel alvorens van verleende machtigingen voor afschot actief gebruik mag worden gemaakt. Indien toch moet worden overgegaan tot afschot bedraagt het maximaal af te schieten aantal vogels, op grond van onderdeel I.1c, per verjaagactie 5. Afschot van broedparen en ouderparen met niet vliegvlugge jongen is, op grond van onderdeel I.1d, niet toegestaan. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat sprake is van populatiebeheer in plaats van schadebestrijding. Dat het aantal afgeschoten knobbelzwanen niet is te relateren aan de schademeldingen doet aan het voorgaande niet af. Zoals het college heeft toegelicht is het goed mogelijk dat de schademeldingen juist zijn afgenomen door het afschot.

Het betoog faalt.

9. De Vereniging betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte in rechtsoverweging 5.5 heeft overwogen dat het niet controleren van voorschriften gesteld aan de ontheffing alvorens tot afschot over te gaan ziet op handhaving van de voorschriften waaronder de ontheffing is verleend. Zij voert hiertoe aan dat het erom gaat dat met de aan de ontheffing verbonden voorschriften onvoldoende waarborgen zijn gegeven, gelet op de omstandigheid dat bij eerder verleende ontheffingen is gebleken dat niet daadwerkelijk werd gehandhaafd.

9.1.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de gronden van de Vereniging inhoudende dat het college onvoldoende toezicht houdt en niet controleert of verjagende maatregelen afdoende zijn toegepast alvorens tot afschot wordt overgegaan, zien op handhaving van aan de ontheffing gestelde voorwaarden en dat deze gronden aan het besluit van 8 maart 2016 niet kunnen afdoen. Voor het oordeel dat de aan de ontheffing verbonden voorschriften onvoldoende waarborgen bieden voor handhaving, bestaat voorts geen grond. De omstandigheid dat het college bij de vorige ontheffing niet heeft gehandhaafd, daargelaten of deze stelling juist is, doet daaraan niet af reeds omdat daaruit niet kan worden afgeleid dat het college thans eveneens onvoldoende zou handhaven.

Het betoog faalt.

10. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Veenboer, griffier.

w.g. Borman w.g. Veenboer

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2017

730.

BIJLAGE

Flora- en Faunawet

Artikel 4

1. Als beschermde inheemse diersoort worden aangemerkt:

[…]

b. alle van nature op het Europese grondgebied van de Lid-Staten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels met uitzondering van gedomesticeerde vogels behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten;

[…].

Artikel 9

Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

Artikel 10

Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Artikel 11

Het is verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Artikel 12

Het is verboden eieren van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te zoeken, te rapen, uit het nest te nemen, te beschadigen of te vernielen.

Artikel 30

1. Voorzover krachtens de artikelen 67 of 68 faunabeheerplannen worden geëist, behoeven deze de goedkeuring van gedeputeerde staten, gehoord het Faunafonds.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld waaraan faunabeheerplannen dienen te voldoen teneinde voor goedkeuring in aanmerking te kunnen komen.

3. De regels, bedoeld in het tweede lid, betreffen in ieder geval:

a. de omvang en begrenzing van het gebied waarop het faunabeheerplan betrekking heeft;

b. het duurzaam beheer van diersoorten in dat gebied;

c. de aard, omvang en noodzaak van de te verrichten handelingen ten aanzien van die diersoorten en

d. de wijzen waarop en de perioden waarin, onderscheiden naar die diersoorten, die handelingen worden verricht.

4. Faunabeheerplannen die de goedkeuring van gedeputeerde staten behoeven, worden door gedeputeerde staten voor een ieder ter inzage gelegd op het provinciehuis.

Artikel 65

1. Bij algemene maatregel van bestuur worden beschermde inheemse diersoorten aangewezen, die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die:

a. in het gehele land schade aanrichten;

b. in delen van het land schade aanrichten.

2. Slechts wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid worden gedaan ter voorkoming van:

a. belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren, of

b. schade aan de fauna.

3. Voorzover overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a, soorten zijn aangewezen, kan bij ministeriële regeling worden toegestaan dat de grondgebruiker, in afwijking van de artikelen 9, 10, 11 en 12, handelingen, bedoeld in die artikelen, verricht op de door hem gebruikte gronden of in of aan door hem gebruikte opstallen ter voorkoming van in het huidige of komende jaar dreigende schade als bedoeld in het tweede lid, binnen de grenzen van het werkgebied van de wildbeheereenheid waarin die gronden of opstallen zijn gelegen.

4. Slechts wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, kan het krachtens het derde en vierde lid worden toegestaan de in die leden bedoelde handelingen te verrichten.

[…].

Artikel 68

1. Wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, kunnen gedeputeerde staten, voorzover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 15, 15a, 15b, tweede lid in samenhang met het eerste lid, 16, 17, 18, 53, eerste lid, onderdelen c en d, 72, vijfde lid, en 74:

a. in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;

b. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

c. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren;

d. ter voorkoming van schade aan flora en fauna of

e. met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.

2. Een ontheffing die betrekking heeft op vogels als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, of op soorten als bedoeld in bijlage IV, onderdeel a, of, voorzover de ontheffing betrekking heeft op artikel 15b, soorten als bedoeld in bijlage V, onderdeel a, van richtlijn 92/43/EEG, wordt uitsluitend verleend voor zover de grond als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met e, overeenstemt met een van de gronden, genoemd in artikel 9 van richtlijn 2009/147/EG onderscheidenlijk artikel 16 van richtlijn 92/43/EEG. Ingevolge het vierde lid van dit artikel wordt de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, slechts verleend aan een faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan.

[…]

5. Onverminderd het bepaalde in artikel 80, onderdeel e, worden ontheffingen als bedoeld in het eerste lid, verleend voor een periode van ten hoogste vijf jaren.

[…].

Besluit beheer en schadebestrijding dieren

Artikel 3

Als beschermde inheemse diersoorten die in delen van het land veelvuldig belangrijke schade aanrichten als bedoeld in artikel 65, eerste lid, onderdeel b, van de wet zijn aangewezen de soorten genoemd in bijlage 2 bij dit besluit.

Bijlage 2

Besluit Faunabeheer

Artikel 10

Het faunabeheerplan bevat ten minste de volgende gegevens:

a. de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid;

b. een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven;

c. kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar;

d. een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer van de in onderdeel c bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen als bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de wet die zouden worden geschaad indien niet tot beheer zou worden overgegaan;

e. een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel d bedoelde belangen in de vijf jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad;

f. de gewenste stand van de in onderdeel c bedoelde diersoorten;

g. per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel f, te bereiken;

h. per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de periode, bedoeld in onderdeel e, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel d bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voorzover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;

i. […]

j. een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden;

k. […]

l. voorzover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel g bedoelde handelingen;

m. een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald.

Verordening schadebestrijding diersoorten in Gelderland

Artikel 2

Van de diersoorten, die in het Besluit zijn genoemd, worden in bijlage 1 van de Verordening die soorten die in Gelderland veelvuldig belangrijke schade aanrichten, aangewezen. In bijlage 1 als bedoeld in artikel 2 van de Verordening is de knobbelzwaan vermeld.

Beleidsregels faunabeheer en schadebestrijding Gelderland

Artikel 6

1. Indien wordt verzocht om aanwijzing of ontheffing ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij of wateren, gaat de aanvraag vergezeld van een onderbouwing waarom aanwijzing of ontheffing op grond van dit belang noodzakelijk is.

2. Een onderbouwing als bedoeld in lid 1 bestaat in ieder geval uit het overleggen van relevante objectieve schadegegevens van in bedrijfsmatige context geleden schade.

3. Belangrijke schade aan gewassen bedraagt ten minste € 250,00 per geval, waarbij een geval bestaat uit een door één diersoort in één jaar aan één of meerdere gewassen van één bedrijf veroorzaakte schade.