Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3206

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
201701670/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 januari 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "De Streek, partiële herziening Rijksparallelweg 6-8 Staphorst" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701670/1/R3.

Datum uitspraak: 22 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Staphorst,

en

1.    de raad van de gemeente Staphorst

2.    het college van burgemeester en wethouders van Staphorst,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "De Streek, partiële herziening Rijksparallelweg 6-8 Staphorst" vastgesteld.

Bij besluit van 6 februari 2017 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het geheel vervangen van het pand, het plaatsen van een winkelwagenstalling, het plaatsen van een reclamezuil en het aanleggen van drie in- en uitritten op het perceel Rijksparallelweg 6 te Staphorst.

Tegen deze besluiten heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad en het college hebben gezamenlijk een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Lidl Nederland GmbH een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft het beroep ter zitting behandeld op 22 augustus 2017, waar [appellant], bijgestaan door J.W.H. Hoornstra, en de raad en het college, beide vertegenwoordigd door drs. P. Nieuwenhuis, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord Lidl Nederland GmbH, vertegenwoordigd door P.G.M. Pipers, bijgestaan door mr. D.H. Nas, advocaat te Nijmegen.

Buiten bezwaren van partijen heeft [appellant] ter zitting nadere stukken ingediend.

Overwegingen

Inleiding

1.    De besluiten tot vaststelling van het bestemmingsplan en verlening van de omgevingsvergunning zijn gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening.

2.    De besluiten voorzien in de sloop en nieuwbouw van de Lidl supermarkt aan de Rijksparallelweg 6-8 te Staphorst. Het huidige gebouw van Lidl heeft een brutovloeroppervlak van 2.380 m2 waarvan 935 m2 wordt gebruikt als winkelruimte. Het resterende oppervlak wordt thans gebruikt voor groothandelsactiviteiten. Het nieuw te bouwen gebouw heeft een brutovloeroppervlak van ongeveer 2.000 m2, waarvan 1.360 m2 zal worden gebruikt als winkelruimte. Met de vergroting van het winkelvloeroppervlak van 935 m2 naar 1.360 m2 beoogt Lidl een kwalitatief meer hoogwaardige en ruimere winkel aan haar klanten te kunnen presenteren.

3.    [appellant] woont aan de [locatie] te Staphorst grenzend aan het plangebied. Hij vreest met name een aantasting van zijn woon- en leefklimaat als gevolg van geluidhinder van de laad- en losactiviteiten bij de supermarkt en een toename van de verkeersintensiteit op de Rijksparallelweg.

4.    De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft op 20 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1107, uitspraak gedaan op het verzoek van [appellant] om het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft de gronden van het verzoek, die gelijkluidend zijn aan de gronden van het beroep, inhoudelijk beoordeeld en het verzoek van [appellant] afgewezen. Ter zitting in de hoofdzaak heeft [appellant] nader gespecificeerd waarom hij zich niet met de bestreden besluiten kan verenigen.

Toetsingskader

5.      Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Geluidhinder

6.    [appellant] vreest geluidhinder als gevolg van de laad- en losactiviteiten van de vrachtwagens die de supermarkt bevoorraden. Deze overlast doet zich volgens hem voornamelijk voor in de vroege ochtenduren. [appellant] stelt daartoe dat Lidl in de huidige situatie regelmatig vroeg in de ochtend wordt bevoorraad met als gevolg dat zijn nachtrust wordt verstoord door de achteruitrijdsignalering, koelmotoren en dichtslaande portieren van vrachtwagens. Volgens hem zijn in het uitgevoerde akoestisch onderzoek juist deze geluidseffecten ten onrechte niet betrokken.

6.1.    Voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek verricht naar de verwachte geluidbelasting bij de woning van [appellant]. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Geprojecteerde nieuwbouw van de supermarkt van Lidl Staphorst" van Peutz van 29 maart 2016. Anders dan [appellant] stelt, zijn in het uitgevoerde akoestisch onderzoek de geluidseffecten van achteruitrijdsignalering, dichtslaande portieren en koelmotoren van vrachtwagens betrokken. In paragraaf 3.2 van dit onderzoek is vermeld dat bij de berekening van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau vanwege het tonale karakter van de achteruitrijdsignalering van vrachtwagens een toeslag op het geluidvermogen van achteruitrijdende vrachtwagens is toegepast van 5 dB(A). Voorts is voor het in bedrijf zijn van de koelmotoren bij 3 van de 4 vrachtwagens een bronvermogen van 101 dB(A) gehanteerd. Verder heeft Peutz berekend dat het maximale geluidniveau 64 dB(A) bedraagt op de gevel van de woning van [appellant] als gevolg van het dichtslaan van portieren. Gelet hierop mist dit betoog van [appellant] in zoverre feitelijke grondslag. Voor het overige ziet de Afdeling geen aanleiding voor een andersluidend oordeel dan de voorzieningenrechter en verwijst zij voor de motivering naar de overwegingen 7.2-7.4 van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 april 2017. Het betoog faalt.

Alternatieve situering laad- en losplaats

7.    [appellant] betoogt dat onvoldoende onderzoek is verricht naar alternatieve mogelijkheden voor de situering van de laad- en losplaats van de supermarkt op grotere afstand van zijn woning. Zo is het volgens [appellant] mogelijk om de laad- en losplaats te verplaatsen naar de oostzijde van het perceel grenzend aan de rijksweg A28. Daarnaast kan het nieuwe gebouw van Lidl en daarmee de laad- en losplaats volgens hem meer zuidelijk op het perceel aan de Rijksparallelweg 6-8 worden gesitueerd.

7.1.    Voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan heeft BonoTraffics B.V. in opdracht van Lidl onderzoek verricht naar de mogelijkheden om de laad- en losplaats in de nieuwe situatie te realiseren aan de zijde van de rijksweg A28. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een memo van 11 november 2016. In dit memo staat dat het situeren van de laad- en losplaats aan de zijde van de rijksweg A28 uit een oogpunt van verkeersveiligheid onwenselijk is, omdat het vrachtverkeer in een dergelijke situatie de in- en uitgang van de verbinding voor langzaam verkeer onder de A28 zal kruisen. Ter zitting is aan de hand van tekeningen uiteengezet wat de door [appellant] gewenste situering van de laad- en losplaats inhoudt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het gemeentebestuur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een situering van de laad- en losplaats aan de oostzijde van het perceel uit een oogpunt van verkeersveiligheid niet gewenst is omdat het bevoorradingsverkeer in dat geval moet kruisen met het bezoekersverkeer. Voor het overige verwijst de Afdeling naar overweging 8.1 van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 april 2017 en neemt zij die motivering over. Het betoog faalt.

Verkeersintensiteit

8.    [appellant] vreest dat de verkeersintensiteit op de Rijksparallelweg als gevolg van de voorziene uitbreiding van het winkelvloeroppervlak van Lidl in onaanvaardbare mate zal toenemen. Hij stelt in dit verband dat uit onderzoeken uit 2007 blijkt dat de maximale capaciteit van de Rijksparallelweg reeds is bereikt zodat nieuwe ontwikkelingen niet mogelijk zijn. Hij kan dit gegeven niet rijmen met de inhoud van het memo van BonoTraffics B.V. waarin wordt geconcludeerd dat de toename aan verkeer acceptabel is. Volgens hem is het verschil in weergegeven verkeersintensiteiten te groot en duidt dat erop dat naar de uitkomst toe is geredeneerd. [appellant] stelt voorts dat plannen bestaan om afritnummer 23 bij Staphorst op de rijksweg A28 te laten vervallen. Het vervallen van deze afrit heeft volgens [appellant] eveneens tot gevolg dat de verkeersintensiteit op de Rijksparallelweg zal toenemen. Met deze verkeerstoename is volgens [appellant] bij de planvaststelling ten onrechte geen rekening gehouden.

8.1.     Naar aanleiding van het betoog van [appellant] dat de verkeersintensiteiten waarmee in het memo van BonoTraffics B.V. is gerekend afwijken van de gegevens uit de verkeeronderzoeken uit 2007, heeft de raad toegelicht dat de door [appellant] bedoelde verkeersonderzoeken zijn uitgevoerd ten behoeve van de verbreding van de A28 en dat deze verbreding in 2010-2011 is gerealiseerd. Als gevolg van de verbreding is de verkeersdrukte op de parallelweg verminderd, aldus de raad. [appellant] heeft deze stellingen niet weersproken. Gelet hierop geeft de stelling van [appellant] dat in 2007 andere verkeersintensiteiten zijn berekend de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het gemeentebestuur het memo van BonoTraffics B.V. niet aan zijn besluiten ten grondslag heeft kunnen leggen.

     De Afdeling ziet in het betoog ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op basis van het memo van BonoTraffics B.V. in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het bestemmingsplan geboden mogelijkheden voor uitbreiding van het winkelvloeroppervlak van de supermarkt geen onaanvaardbare verkeerstoename op de Rijksparallelweg tot gevolg hebben. In dit verband verwijst de Afdeling naar overwegingen 9.1-9.3 van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 april 2017. Het betoog faalt.

Beplanting en verkeersveiligheid

9.    [appellant] betoogt dat de beplanting die is opgenomen in het bij het bestemmingsplan gevoegde Groenplan tot gevolg heeft dat het uitzicht op de Rijksparallelweg bij het verlaten van zijn perceel zal verminderen. Volgens hem leidt dit tot verkeersonveilige situaties.

9.1.    Voor de weerlegging van deze beroepsgrond verwijst de Afdeling naar overweging 10.1 in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 april 2017. Dit betoog faalt.

Tegenprestatie

10.    [appellant] betoogt dat Lidl ter verkrijging van de bestreden besluiten met het gemeentebestuur een financiële tegenprestatie heeft afgesproken ten behoeve van de aanleg van een carpoolplaats. Volgens [appellant] is inmiddels gebleken dat deze afspraak over een tegenprestatie onrechtmatig is, zodat ook de bestreden besluiten in strijd met het recht zijn.

10.1.    De Afdeling stelt vast dat zowel de aanleg van een carpoolplaats als een eventueel daaraan door Lidl te betalen financiële bijdrage geen onderdeel zijn van de bestreden besluiten. Het betoog kan reeds daarom niet tot vernietiging van de bestreden besluiten leiden.

Conclusie

11.    Het beroep is ongegrond.

12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Boer

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2017

745.