Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3197

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
201608636/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:6777, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juli 2015 heeft het college aan [appellant] omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een woning op het perceel [locatie 1] te Breda (hierna: het perceel) tot drie appartementen, het verbouwen van een garage op het perceel tot kantoor en het gebruiken daarvan voor een aan-huis-verbonden beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6186
JOM 2018/766
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608636/1/A1.

Datum uitspraak: 22 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 oktober 2016 in zaak nr. 16/1466 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 2015 heeft het college aan [appellant] omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een woning op het perceel [locatie 1] te Breda (hierna: het perceel) tot drie appartementen, het verbouwen van een garage op het perceel tot kantoor en het gebruiken daarvan voor een aan-huis-verbonden beroep.

Bij besluit van 17 februari 2016 heeft het college de door [belanghebbend A] en [belanghebbend B] en anderen daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard, het besluit van 29 juli 2015 herroepen en de gevraagde vergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 26 oktober 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep en hebben [belanghebbend A] en [belanghebbend B] en anderen voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

[belanghebbend A], [belanghebbend B] en anderen en het college hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en [belanghebbend B] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. P.J.M. Boomaars, advocaat te Breda, [belanghebbend A], bijgestaan door mr. M. van Hoorn, rechtsbijstandverlener te Roermond, [belanghebbend B] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. I.E.P. van den Broek, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.M.J.F. Meeuwis, M. Tebbe en J.M. Kennes-Curfs, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbend C] als belanghebbende gehoord. Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is eigenaar van het perceel. Het bouwplan voorziet in het verbouwen van de op het perceel staande woning tot drie appartementen en het verbouwen van een op het perceel staande garage tot kantoor voor een aan-huis-verbonden beroep. Verder voorziet het bouwplan in realisatie van drie parkeerplaatsen in een bestaande garagebox op het perceel [locatie 2] te Breda.

    [belanghebbend A] is omwonende en vreest voor aantasting van haar woongenot door toename van het aantal woningen. [belanghebbend B] en anderen zijn eigenaren van een aangrenzend perceel aan de Chopinstraat. Dit perceel is belast met een erfdienstbaarheid ten behoeve van de ontsluiting van de percelen aan de [locatie 2] en [locatie 3], die eigendom zijn van een vennootschap van [appellant]. [belanghebbend B] en anderen vrezen dat deze erfdienstbaarheid onredelijk zal verzwaren indien ook het perceel via deze route ontsloten moet worden.

2.    Het college heeft de gevraagde vergunning bij het besluit op bezwaar alsnog geweigerd, omdat het woongebouw, waarin het bouwplan volgens het college voorziet, in strijd is met de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Ruitersbos" (hierna: het bestemmingsplan) op het perceel rustende bestemming "Woondoeleinden" en het college geen medewerking wil verlenen aan afwijking van het bestemmingsplan. Voorts voldoet het bouwplan volgens het college niet aan artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening 2007 van de gemeente Breda (hierna: de Bouwverordening), zodat de aanvraag ook gelet op het bepaalde in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) moet worden geweigerd.

Wettelijk kader

3.    Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden".

Artikel 3.1 van de planvoorschriften luidt:

"De op de plankaart voor woondoeleinden aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. woningen en woongebouwen daar waar ze op de plankaart nader zijn aangeduid met "Ww", al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep;

[…]."

In artikel 1, lid 38, is "woongebouw" als volgt gedefinieerd:

"een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden."

In artikel 1, lid 39, is "woning" als volgt gedefinieerd:

"een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden."

Artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening luidt:

"Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moeten ten behoeve van parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort.

Tot het gebouw en terrein wordt gerekend oppervlakte welke

- in, op of onder dat gebouw gelegen is;

- op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw is gelegen hoort. Dit terrein dient van dezelfde eigenaar of huurder van grond te zijn als het terrein hierboven genoemd en in de directe omgeving te liggen;

- in, op of onder een gebouw is gelegen en van een derde is, maar waarbij middels een contract wordt aangetoond dat hiermee de initiatiefnemer aan de parkeernorm voldoet. Middels een kettingbeding moet dit ook voor de toekomst wanneer bijvoorbeeld van eigenaar wordt gewisseld, gewaarborgd worden. Dit terrein dat derhalve niet van dezelfde eigenaar of huurder is, dient eveneens in de directe omgeving te liggen."    

Gronden hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Dat het perceel op de plankaart niet de aanduiding "Ww" heeft, is volgens [appellant] niet van belang, omdat die aanduiding, naar volgt uit de plantoelichting, betrekking heeft op appartementsgebouwen en daarvan is in dit geval geen sprake. Woningen en woongebouwen zijn op de plankaart met de kleur geel en de letter "W" aangegeven. Nu het perceel die aanduiding heeft, is het realiseren van een woongebouw aldaar toegestaan, aldus [appellant].

4.1.    Anders dan [appellant] stelt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de planvoorschriften en de plankaart niet op juiste wijze op elkaar zijn afgestemd omdat de aanduiding "Ww" wel in de planvoorschriften voorkomt maar niet in de legenda op de plankaart. Op de plankaart zijn de gronden met de bestemming "Woondoeleinden" aangegeven met de hoofdletter "W". Volgens de legenda betekent de aanduiding "w" op de plankaart dat ter plaatse woongebouwen zijn toegestaan. Een combinatie van de bestemming "W" en de aanduiding "w" wordt op de plankaart weergegeven als "Ww".

    Vast staat dat het perceel niet de aanduiding "w" heeft. De rechtbank heeft terecht overwogen dat artikel 3.1 van de planvoorschriften zo moet worden gelezen dat op gronden met de bestemming "Woondoeleinden" woningen zijn toegestaan en dat op deze gronden tevens woongebouwen zijn toegelaten indien op de plankaart ook de aanduiding "w" is geplaatst. Nu het perceel naast de bestemming "W" niet tevens de aanduiding "w" heeft, zijn op het perceel geen woongebouwen toegestaan. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen en naar ook niet in geschil is, voorziet het bouwplan in een woongebouw als bedoeld in artikel 1, lid 38, van de planvoorschriften. Dit betekent dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Dat op de percelen Willem van Oranjelaan 10, 12, 14 en 22 niet de aanduiding "w" rust, terwijl, als door [appellant] gesteld, deze panden als woongebouwen worden gebruikt, wat daar verder van zij, maakt dat niet anders.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de gevraagde vergunning ten onrechte heeft geweigerd wegens strijd met artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening. Onder verwijzing naar de Nota Herijking Parkeerbeleid van de raad van de gemeente Breda van 20 juni 2013 (hierna: de Herijkingsnota) stelt [appellant] zich op het standpunt dat het bouwplan geen toename van de parkeerbehoefte genereert, omdat er geen sprake is van een functieverandering. De extra parkeerplaatsen waarin het bouwplan voorziet, worden gerealiseerd in bestaande garageboxen. Deze boxen worden door [appellant], althans door een door hem bestuurde vennootschap, verhuurd aan derden en zijn feitelijk in gebruik als (bedrijfsmatige) opslag. Het bouwplan voorziet dus in een toename van het aantal parkeerplaatsen, aldus [appellant]. Hij betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de parkeerbehoefte als gevolg van het bouwplan niet met drie, maar met vijf parkeerplaatsen toeneemt.

5.1.    Het college heeft de parkeerbehoefte van het bouwplan berekend aan de hand van de Nota Parkeer- en Stallingsbeleid Breda, vastgesteld door de raad van de gemeente Breda op 10 september 2004 (hierna: de Parkeernota). Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat verwezenlijking van het bouwplan een toename van de parkeerbehoefte genereert. De Herijkingsnota, die heeft te gelden als een wijziging van de Parkeernota, biedt, anders dan [appellant] betoogt, geen grond voor een ander oordeel, nu daarin staat dat in het geval sprake is van een functiewijziging, het verschil in parkeernorm dient te worden aangelegd, indien de nieuwe functie een hogere parkeernorm heeft dan de oude functie.

    [appellant] stelt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de parkeerbehoefte als gevolg van het bouwplan met vijf parkeerplaatsen toeneemt. Dit leidt echter, gelet op het volgende, niet tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak. Ter zitting is komen vast te staan dat de garage op het perceel al lange tijd niet meer voor het stallen van auto’s wordt gebruikt, omdat deze niet bereikbaar is voor auto’s. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is er derhalve geen sprake van het vervallen van twee parkeerplaatsen door de verbouwing van de garage tot kantoor, die gecompenseerd moeten worden. De rechtbank heeft daarentegen terecht overwogen dat de toename van de parkeerbehoefte, door het college terecht vastgesteld op drie parkeerplaatsen, dient te worden opgevangen door een daadwerkelijke toename van het aantal parkeerplaatsen. Dat is, zoals de rechtbank evenzeer terecht heeft overwogen, niet het geval als daar bestaande parkeerboxen voor worden ingezet. Ter zitting is gebleken dat deze bestaande parkeerboxen mede worden ingezet voor het opvangen van de bestaande parkeerbehoefte. De conclusie is derhalve dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening. Niet betwist is dat de parkeerdruk in de omgeving van het perceel hoog is, zodat het college, gelet hierop, in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen medewerking te verlenen aan een afwijking van dit artikel. Dit betekent dat het college de gevraagde vergunning, gelet op artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo, terecht heeft geweigerd.

    Het betoog faalt.

6.    Het betoog van [appellant] dat de rechtbank het door haar geconstateerde motiveringsgebrek in het besluit op bezwaar ten onrechte heeft gepasseerd, faalt. Het door de rechtbank geconstateerde motiveringsgebrek ziet op de weigering van het college om medewerking te verlenen aan afwijking van het bestemmingsplan. Nu het bouwplan niet alleen in strijd is met het bestemmingsplan, maar ook met artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening, is de gevraagde vergunning reeds om laatstgenoemde reden terecht geweigerd. Het besluit op bezwaar hoefde dan ook niet te worden vernietigd.

Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep [belanghebbend A] en [belanghebbend B] en anderen

7.    [belanghebbend A] en [belanghebbend B] en anderen hebben incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van [appellant] gegrond wordt verklaard. Nu het hoger beroep van [appellant], gelet op het voorgaande, ongegrond zal worden verklaard, is deze voorwaarde niet vervuld en zijn de incidenteel hoger beroepen van [belanghebbend A] en [belanghebbend B] en anderen komen te vervallen. Aan een inhoudelijke bespreking daarvan kan derhalve niet worden toegekomen.

Slotoverwegingen

8.    Het hoger beroep van [appellant] is ongegrond. De door [belanghebbend A] en [belanghebbend B] en anderen voorwaardelijk ingestelde incidenteel hoger beroepen zijn daarmee vervallen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter    griffier

uitgesproken in het openbaar op 22 november 2017

531.