Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3190

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
201701552/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:147, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2015 heeft de raad een eerder door hem vastgestelde vergoeding ten bedrage van € 520,98 voor door [appellant] verleende rechtsbijstand ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701552/1/A2.

Datum uitspraak: 22 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], kantoorhoudend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 januari 2017 in zaak nr. 16/2335 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2015 heeft de raad een eerder door hem vastgestelde vergoeding ten bedrage van € 520,98 voor door [appellant] verleende rechtsbijstand ingetrokken.

Bij besluit van 29 februari 2016 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 januari 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 oktober 2017, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, zijn verschenen.

De Afdeling heeft de zaak aangehouden en de raad desgevraagd in de gelegenheid gesteld om op hetgeen [appellant] ter zitting naar voren heeft gebracht te reageren.

De raad heeft de Afdeling bij brief van 19 oktober 2017 te kennen gegeven de zaak met [appellant] uit coulance te willen schikken.

De raad heeft de Afdeling bij brief van 8 november 2017 te kennen gegeven dat de schikkingspoging is mislukt.

De Afdeling heeft partijen bij brief van 10 november 2017 te kennen gegeven dat zij het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

    Inleiding

1.    [appellant] is rechtsbijstandverlener en neemt deel aan het High Trust-programma van de raad. Uitgangspunt van dit programma is dat de vraag of een zaak toevoegingswaardig is niet langer door de raad naar aanleiding van een toevoegingsaanvraag, maar door de rechtsbijstandverlener voorafgaand aan het indienen van de aanvraag wordt beoordeeld. Afgegeven toevoegingen en vastgestelde vergoedingen worden vervolgens achteraf steekproefsgewijs gecontroleerd.

Wettelijk kader

2.    De regels voor het al dan niet in aanmerking komen voor een toevoeging zijn neergelegd in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) en verder uitgewerkt in het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: het Besluit). Daarnaast heeft de raad hiervoor beleid vastgesteld, neergelegd in zogenoemde werkinstructies.

    Artikel 32 van de Wrb luidt:

"De toevoeging geldt uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvoor zij is verleend en, in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen."

    Artikel 29, vierde lid, van het Besluit luidt:

"De vergoeding wordt op nihil gesteld indien bij de vaststelling blijkt dat de zaak onder het bereik van een toevoeging van een andere zaak valt."

    In de werkinstructie S040/050, "Misdrijven, hoger beroep", staat onder het kopje "Nog geen dagvaarding" het volgende vermeld:

"Toevoeging in een eerder stadium is mogelijk als op grond van bijzondere omstandigheden rechtsbijstand van substantiële aard moet worden verleend in de fase die voorafgaat aan de zitting. Bijvoorbeeld:

-er zijn nieuwe stukken aan het strafdossier toegevoegd;

-getuigenverhoren;

-artikel 411a Sv procedure;

-indienen inhoudelijk appelschriftuur;

-indienen grieven in het kader van de Wet stroomlijnen hoger beroep."

Besluitvorming

3.    Aan zijn besluit van 29 februari 2016 heeft de raad een advies van zijn commissie voor bezwaar van 10 februari 2016 ten grondslag gelegd. In dit advies wordt uiteengezet dat de toevoegingen zijn aangevraagd voor de hogerberoepsprocedure in een strafzaak. De vergoeding is conform de opgave van [appellant] vastgesteld. Naar aanleiding van de steekproefcontrole op 23 januari 2015 heeft de raad de vergoeding ingetrokken, omdat geen inhoudelijke werkzaamheden zijn verricht en de werkzaamheden in hoger beroep daarom vallen onder het bereik van de eerder verstrekte toevoeging voor de eerste aanleg. In dit geval hebben de werkzaamheden in hoger beroep gezien op correspondentie met het gerechtshof gedurende een aantal maanden. Het gerechtshof heeft onder andere gevraagd naar de onderzoekswensen en het horen van getuigen. Het dossier is inmiddels overgedragen aan een opvolgend advocaat, die zijn rechtsbijstand niet op toevoeging verleent. Uit het vorenstaande volgt dat de werkzaamheden die [appellant] in hoger beroep heeft verricht vallen onder het bereik van de eerder verstrekte toevoeging voor de strafzaak in eerste aanleg. Er is weliswaar hoger beroep ingesteld, maar de werkzaamheden die [appellant] heeft verricht zijn niet van substantiële aard. [appellant] heeft niet met stukken, zoals correspondentie met familie, aangetoond dat inhoudelijk juridische werkzaamheden betreffende een onderzoek of onderbouwing van het hoger beroep zijn verricht. De berichten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 en 17 april 2014 zijn hiertoe onvoldoende, aldus de commissie.

Beroep

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het door [appellant] op 27 maart 2014 ingestelde pro forma hoger beroep en de overgelegde e-mail van de fraudekamer van het gerechtshof van 17 april 2014 niet dat sprake is van één van de in de werkinstructie vermelde voorbeelden noch anderszins dat sprake is van rechtsbijstand van substantiële aard. Er wordt immers wel duidelijk wat het gerechtshof verlangde, maar niet hoe daarop is gereageerd. Dat ook door het Openbaar Ministerie hoger beroep is ingesteld is niet relevant, omdat het bij de toepassing van het beleid van de raad gaat om de vraag of een dagvaarding in hoger beroep is uitgebracht voor de aanvraag om toevoeging. De conclusie is dan ook dat de raad de eerder vastgestelde vergoeding op goede gronden heeft ingetrokken, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen werkzaamheden van substantiële aard heeft verricht. Volgens [appellant] heeft de rechtbank een te beperkte uitleg aan het beleid van de raad gegeven. De rechtbank heeft niet onderkend dat het Openbaar Ministerie, door hoger beroep in te stellen, kenbaar heeft gemaakt dat het de vervolging zal voortzetten. De dagvaarding kon niet worden afgewacht, omdat het een bewerkelijke zaak betreft. Zou [appellant] hebben gewacht, dan zou dat tot tuchtrechtelijke sancties hebben kunnen leiden. Uiteindelijk is een dagvaarding uitgebracht en heeft de zaak op reguliere wijze in hoger beroep gediend. De enige reden waarom [appellant] geen vergoeding heeft gekregen, is dat om vaststelling van de vergoeding is verzocht voordat de dagvaarding is uitgebracht. Was de zaak niet overgenomen door een gekozen raadsman op betalende basis, maar door een toegevoegde advocaat, dan was er geen reden geweest de vergoeding in te trekken. [appellant] heeft de grieven van het Openbaar Ministerie bestudeerd, contact gehad met zijn cliënt en derden, vragen van het gerechtshof beantwoord over de onderzoekswensen en contact gehad met de opvolgend advocaat. Dit zijn werkzaamheden van substantiële aard die vanzelfsprekend niet vallen onder het bereik van de eerder verleende toevoeging. Ten slotte wijst [appellant] erop dat, doordat het Openbaar Ministerie een hogerberoepschrift heeft ingediend, een nieuw stuk aan het strafdossier is toegevoegd en dat er derhalve sprake is van een in de Werkinstructie S040/050 genoemde situatie. Deze uitleg van het beleid is onderschreven door [naam medewerker], medewerker van de helpdesk van het High Trust-programma. [medewerker] heeft [appellant] een dag voor de zitting bij de Afdeling telefonisch te kennen gegeven dat een toevoeging wordt verleend ingeval een inhoudelijk hogerberoepschrift wordt ingediend en het daarbij niet ter zake doet of dit hogerberoepschrift door het Openbaar Ministerie of de verdediging wordt ingediend. Ook hieruit blijkt dat de rechtbank tot een onjuist oordeel is gekomen, aldus [appellant].

4.1.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat [appellant] geen werkzaamheden van substantiële aard heeft verricht. De voorbeelden genoemd onder het kopje "Nog geen dagvaarding" in de werkinstructie S040/050, "Misdrijven, hoger beroep", gaan over inspanningen die de advocaat voor zijn cliënt verricht, niet over inspanningen die het Openbaar Ministerie verricht. Dat het Openbaar Ministerie een hogerberoepschrift heeft ingediend betekent niet dat reeds daarom in de fase, voorafgaand aan de dagvaarding, op grond van bijzondere omstandigheden rechtsbijstand van substantiële aard moet worden verleend, nu het hoger beroep is ingesteld omdat het Openbaar Ministerie de opgelegde straf te laag vindt en het hogerberoepschrift enkel daarover een korte toelichting bevat. De grieven van het Openbaar Ministerie bestuderen, contact onderhouden met een cliënt en anderen, vragen van het gerechtshof beantwoorden en contact leggen met de opvolgend advocaat zijn geen werkzaamheden van substantiële aard, maar gangbare werkzaamheden die een advocaat verricht ter voorbereiding op een hoger beroep. Dat het hoger beroep is doorgezet is, zoals de raad terecht stelt, niet van belang voor de vraag of [appellant] tot de overname substantiële werkzaamheden heeft verricht. De raad heeft, ten slotte, in zijn brief van 19 oktober 2017 te kennen gegeven dat [medewerker] zich niet kan herinneren de week voor de zitting bij de Afdeling met [appellant] te hebben gesproken over de vraag of recht bestaat op toevoeging. Het lag op de weg van [appellant] om aannemelijk te maken dat [medewerker] heeft verklaard wat hij stelt dat [medewerker] heeft verklaard. Hierin is [appellant] niet geslaagd. Hetgeen [appellant] in dit verband heeft aangevoerd kan hem dan ook niet baten.

    Het betoog faalt.

Slotsom

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.J.C. van den Broek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Van den Broek    w.g. Dijkshoorn

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2017

735.