Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:318

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
201604833/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:4224, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2014 heeft de minister een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2017/13
Module Privacy en persoonsgegevens 2018/1199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201604833/1/A2.

Datum uitspraak: 8 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 19 mei 2016 in zaak nr. 14/3438 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Infrastructuur en Milieu.

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2014 heeft de minister een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 9 oktober 2014 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 mei 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid een schriftelijke uiteenzetting te geven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2017, waar [appellant], en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.E. van Dijk, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] stelt schade te hebben geleden door het handelen van de minister in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). De minister heeft zonder toestemming van [appellant] gegevens verstrekt aan Obvion N.V. Vervolgens heeft Obvion op grond van de verstrekte informatie [appellant] gemeld bij de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken (SFH) waardoor [appellant] niet meer in aanmerking kan komen voor een hypotheek. De schade, € 30.000,00, bestaat uit meerkosten huisvesting, proceskosten, kosten van juridische bijstand en immateriële schade.

Voorgeschiedenis

2. [appellant] is tot 1998 in dienst geweest bij Rijkswaterstaat. Op 7 april 2000 heeft [appellant] met de Stichting pensioenfonds ABP (hierna: het ABP) een hypothecaire lening afgesloten. Het ABP heeft Jeukens Buttolo & Drooghaag gerechtsdeurwaarders opdracht gegeven tot openbare verkoop van de woning aan de [locatie] te Simpelveld, waarop de hypotheek is gevestigd, omdat [appellant] verzuimd heeft te voldoen aan de betalingsverplichtingen uit de lening. Obvion, voorheen ABP Hypotheken N.V., heeft de executie van het hypotheekrecht uitgevoerd als rechtsgeldige vertegenwoordiger van het ABP op 11 december 2002. De veilingopbrengst is in mindering gebracht op de hypothecaire schuld van [appellant].

3. Bij brief van 22 maart 2010 heeft een medewerker van Obvion de minister verzocht na te gaan of de werkgeversverklaring en salarisstrook van [appellant] die bij Obvion in bezit waren, overeenstemden met hetgeen bij de minister bekend was. Bij brief van 9 juli 2010 heeft de minister Obvion bericht dat dit niet het geval is. Zowel de einddatum van het dienstverband als het salaris wijken af.

4. De minister beschikt niet meer over de werkgeversverklaring en salarisstrook.

5. De hypotheekakte van 7 april 2000 is voor de tweede grosse uitgegeven op 30 november 2010. In het deurwaardersexploot van 3 februari 2011 van Agin gerechtsdeurwaarders wordt [appellant] bevolen de totaal opeisbare schuld, die voortvloeit uit de op 7 april 2000 met het ABP afgesloten hypothecaire lening, de rente en de kosten van het exploot binnen twee dagen te voldoen.

De besluitvorming van de minister

6. De minister heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Hypotheekverstrekkers hebben het verificatierecht om bij (voormalige) werkgevers van hypotheekaanvragers na te gaan of salarisstroken en werkgeversverklaringen overeenkomen met de gegevens die bij hen bekend zijn. In het besluit van 9 oktober 2014 merkt de minister de verstrekking van gegevens aan Obvion aan als verwerking van persoonsgegevens in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van de Wbp. Met de verstrekking van de gegevens is niet in strijd gehandeld met de Wbp. Daarbij komt dat de gestelde schade niet het gevolg is van zijn handelen. Dat Obvion de door de minister verstrekte informatie heeft gebruikt om [appellant] te melden bij de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken, is een zaak tussen [appellant] en Obvion, aldus de minister.

De aangevallen uitspraak

7. De rechtbank heeft overwogen dat verificatie van de salarisstrook en de werkgeversverklaring moet worden aangemerkt als verwerking van persoonsgegevens in de zin van artikel 1 van de Wbp. Volgens de rechtbank vindt gegevensverwerking zijn grondslag in het gerechtvaardigde belang van Obvion als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, van de Wbp. De minister heeft op goede gronden het belang van Obvion kunnen laten prevaleren boven het belang van [appellant]. Daarnaast heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het verstrekken van de gegevens niet als schadeveroorzakend handelen kan worden aangemerkt. De gestelde schade is ontstaan doordat de gegevens, zoals bekend bij Obvion, niet overeen kwamen met de bij de minister bekende gegevens. In de wijze waarop deze discrepantie is ontstaan, ligt de oorzaak van de schade en niet in het handelen van de minister, aldus de rechtbank.

Het hoger beroep

8. [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank heeft miskend dat Obvion sinds 1 april 2002 de rechtsopvolger van het ABP Hypotheken N.V. is. De door hem op 7 april 2000 afgesloten hypothecaire lening viel niet onder de hypotheken die na 2002 onder beheer van Obvion zijn gekomen. Obvion was dus niet de hypotheekhouder, noch rechtsopvolger van de werkelijke hypotheekhouder. Daarmee heeft de minister in strijd met artikel 37, tweede lid, van de Wbp gehandeld. De rechtbank heeft ten onrechte niet geoordeeld dat de minister verzuimd heeft vast te stellen dat Obvion geen recht, noch belang bij het opvragen van gegevens bij de minister had.

8.1. Op 7 april 2000 is een recht van hypotheek gevestigd op het pand [locatie] te Simpelveld. Dit recht kwam toe aan het ABP. Dat Obvion geen hypotheekhouder is geweest van [appellant], is niet relevant, nu Obvion als rechtsgeldige vertegenwoordiger van het ABP is opgetreden. Zoals de rechtbank Limburg in haar vonnis van 2015, in zaak nr. 14-292, heeft overwogen, heeft het ABP zich in haar verhouding tot [appellant] steeds laten vertegenwoordigen door ABP Hypotheken N.V. wat betreft de hypotheekofferte en de executieopdracht van 6 juni 2001 en daarna door Obvion in het traject dat tot executie heeft geleid. Obvion was op grond van de behandelovereenkomst van 2 april 2002 gesloten tussen Obvion en het ABP, als gevolmachtigd vertegenwoordiger bevoegd de opeenvolgende rechtshandelingen te verrichten. De hypotheek van [appellant] viel in het bereik van de volmacht van Obvion. Nu [appellant] een opeisbare schuld had aan het ABP, heeft Obvion als rechtsgeldige vertegenwoordiger de minister vervolgens verzocht de salarisspecificatie en werkgeversverklaring die Obvion in bezit had, te verifiëren. Er is dus geen grond voor het oordeel dat Obvion geen recht, noch belang had bij het opvragen van de gegevens.

Het betoog faalt.

9. [appellant] betoogt voorts dat de minister in strijd heeft gehandeld met artikel 8 van de Wbp. Daartoe stelt hij dat de overeenkomst met hypothecair onderpand reeds in 2003 is vervallen. Noch de werkelijke hypotheekhouder, de Stichting Pensioenfonds ABP, noch Obvion had enig belang bij het aanvragen van de gegevens.

9.1. Dat de hypothecaire inschrijving al in 2003 was doorgehaald, laat onverlet dat [appellant] zijn uit de hypothecaire lening voortvloeiende financiële verplichtingen niet in nagekomen en dat er in dat kader in 2010 nog procedures liepen tussen Obvion en [appellant]. Er is geen grond voor het oordeel dat Obvion geen belang had bij het opvragen van de gegevens. De verwijzing door [appellant] naar het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4889 treft geen doel. In dit arrest heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op de vraag onder welke omstandigheden een notariële akte een executoriale titel oplevert en derhalve de schuldeiser zonder voorafgaande rechterlijke tussenkomst de in die akte vermelde aanspraak met dwangmiddelen ten uitvoer kan leggen op het vermogen van de schuldenaar.

Het betoog faalt.

10. Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de minister belang had bij een eventuele strafrechtelijke vervolging van hem, in gang gezet door een aangifte van Obvion op basis van door de minister verstrekte gegevens. De minister heeft ten onrechte de indruk gewekt dat hij de werkgeversverklaring heeft opgesteld. Dit is volgens [appellant] onmogelijk, omdat zijn dienstverband op 1 januari 1998 is beëindigd.

10.1. Een concrete onderbouwing van het door [appellant] gestelde belang van de minister bij strafrechtelijke vervolging en het in dat kader vervalsen van een werkgeversverklaring ontbreekt. Daarbij komt dat Ploum niet strafrechtelijk is vervolgd en daardoor dus ook geen schade kan hebben geleden.

Het betoog faalt.

Conclusie

11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Planken

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2017

299.