Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3179

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
201706892/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitvaartfaciliteit Hoendiep" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6352
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706892/2/R3.

Datum uitspraak: 21 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1], wonend te Groningen,

2. [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B], beiden wonend te Groningen,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Groningen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitvaartfaciliteit Hoendiep" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] en [verzoekers sub 2] beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker sub 1] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. [verzoekers sub 2] hebben bij afzonderlijke brief de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 november 2017, waar [verzoeker sub 1] en de raad, vertegenwoordigd door S.P. Postma, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting Algemeen Belang Uitvaartverzorging en -verzekering en Dela Uitvaartverzorging N.V., vertegenwoordigd door E. de Niet, bijgestaan door mr. A.A. van den Brand, advocaat te Eindhoven, gehoord.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Het verzoek van [verzoeker sub 1]

2.    Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb luidt:

"Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste de gronden van het bezwaar of beroep."

    Artikel 6:6 luidt:

"Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:

a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of

b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,

mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn."

    Artikel 8:38, eerste lid, luidt:

"Indien de griffier een bij aangetekende brief verzonden stuk terug ontvangt en hem blijkt dat de geadresseerde op de dag van verzending of uiterlijk een week daarna in de basisregistratie personen stond ingeschreven op het op het stuk vermelde adres, dan verzendt hij het stuk zo spoedig mogelijk bij gewone brief."

3.    [verzoeker sub 1] heeft de gronden van zijn beroep niet vermeld. Bij aangetekend verzonden brief van 25 augustus 2017 is [verzoeker sub 1] gewezen op dit verzuim en is hij tot en met 22 september 2017 in de gelegenheid gesteld het te herstellen. Hierbij is vermeld dat wanneer [verzoeker sub 1] van deze gelegenheid geen gebruik maakt, hij ervan moet uitgaan dat niet-ontvankelijkverklaring zal volgen en dat zijn zaak dan niet inhoudelijk wordt behandeld.

    Deze aangetekend verzonden brief is door PostNL op 28 augustus 2017 aangeboden aan [verzoeker sub 1]. Nadat deze op 12 september 2017 bij de Raad van State retour was ontvangen wegens het niet afhalen na een door PostNL achtergelaten kennisgeving, is deze brief op 13 september 2017, overeenkomstig artikel 8:38, eerste lid, van de Awb, opnieuw per gewone post aan het adres van [verzoeker sub 1] gezonden. In de begeleidende brief van 13 september 2017 wordt [verzoeker sub 1] erop gewezen dat indien in de brief van 25 augustus 2017 een termijn is gesteld, deze onveranderd is gebleven.

    [verzoeker sub 1] heeft de gronden van het beroep niet binnen de gestelde termijn alsnog ingediend. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [verzoeker sub 1] in verzuim is geweest.

    Gelet op het voorgaande verwacht de voorzieningenrechter dat het beroep van [verzoeker sub 1] in de hoofdzaak niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek van [verzoeker sub 1] af te wijzen.

Het verzoek van [verzoekers sub 2]

Inleiding

4.    Het plan voorziet in de realisatie van een uitvaartcentrum met een crematorium aan het Hoendiep te Groningen. Blijkens de plantoelichting gaat het om een verplaatsing van het bestaande uitvaartcentrum, zonder crematorium, in de wijk Selwerd te Groningen. Algemeen Belang Uitvaartverzorging en -verzekering en Dela Uitvaartverzorging N.V. zijn de initiatiefnemers van het plan.

    [verzoekers sub 2] wonen ten oosten van het plangebied, te weten aan het [locatie] te Groningen. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan. Teneinde onomkeerbare gevolgen te voorkomen hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Belanghebbendheid

5.    De raad heeft op de zitting gesteld te betwijfelen of [verzoekers sub 2] belanghebbenden zijn bij het plan. De raad wijst er op dat [verzoekers sub 2] op 180 m afstand van het plangebied wonen en geen zicht zullen hebben op het voorziene uitvaartcentrum en crematorium.

5.1.    De voorzieningenrechter stelt vast dat [verzoekers sub 2] op een afstand van ongeveer 180 m van het plangebied wonen. Gelet op deze afstand acht de voorzieningenrechter niet bij voorbaat uitgesloten dat [verzoekers sub 2] ter plaatse van hun woning gevolgen kunnen ondervinden vanwege het verkeer van de ontwikkelingen die op de betrokken gronden worden mogelijk gemaakt. Dat tussen het plangebied en het perceel van [verzoekers sub 2] het woonwagenterrein Hoendiep en een bosschage ligt, dat het zicht op het plangebied belemmert, acht de voorzieningenrechter onder deze omstandigheden niet doorslaggevend voor de vraag of zij belanghebbenden zijn bij het plan. Gelet op het voorgaande gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat [verzoekers sub 2] als belanghebbenden bij het bestemmingsplan zullen worden aangemerkt en dat hun beroep ontvankelijk zal worden geacht. Derhalve zal de voorzieningenrechter het verzoek inhoudelijk behandelen.

Kennisgeving ontwerpplan

6.    [verzoekers sub 2] betogen dat zij ten onrechte niet in kennis zijn gesteld van het ontwerpplan.

6.1.    De voorzieningenrechter stelt vast dat de kennisgeving van het ontwerpplan heeft plaatsgevonden in de Staatscourant en in een huis-aan-huisblad. De voorzieningenrechter overweegt dat in zoverre dan ook is voldaan aan de wettelijke vereisten ter zake van de kennisgeving van de terinzagelegging. In de Wet ruimtelijke ordening, noch in enig ander wettelijk voorschrift valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een ontwerp van een bestemmingsplan. Het lag op de weg van [verzoekers sub 2] om zich op basis van het ontwerpplan op de hoogte te stellen van de beoogde nieuwe ontwikkelingen in het plangebied.

Behoefte

7.    [verzoekers sub 2] voeren aan dat in de naastgelegen gemeente Tynaarlo ook een nieuw crematorium is voorzien.

7.1.    In de plantoelichting staat dat sprake is van een verplaatsing van het uitvaartcentrum in de wijk Selwerd naar het Hoendiep te Groningen. Voorts is in de plantoelichting een onderbouwing gegeven voor het standpunt van de raad dat het in het plan mogelijk gemaakte crematorium voorziet in een behoefte. Daarbij heeft de raad rekening gehouden met het in de gemeente Tynaarlo voorziene crematorium. In hetgeen [verzoekers sub 2] hebben gesteld ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op dit standpunt had mogen stellen.

Woon- en leefklimaat

8.    [verzoekers sub 2] vrezen dat het plan een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat tot gevolg zal hebben in de vorm van verkeersoverlast en luchtvervuiling.

8.1.    Wat betreft de gestelde verkeersoverlast overweegt de voorzieningenrechter dat in de plantoelichting staat dat de geringe toename van het verkeer niet zal leiden tot een relevante toename van het geluidsniveau. Over de luchtkwaliteit overweegt de voorzieningenrechter dat in de plantoelichting staat dat in Groningen overal wordt voldaan aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. Nu [verzoekers sub 2] hun betoog niet nader hebben onderbouwd, ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [verzoekers sub 2].

Waardedaling

9.    [verzoekers sub 2] betogen dat het plan leidt tot een verminderde verhuur- en verkoopbaarheid van hun vastgoed alsmede tot een waardedaling van hun vastgoed.

9.1.    Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het vastgoed van [verzoekers sub 2] betreft, bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

Herhalen en inlassen zienswijze

10.    Voor zover [verzoekers sub 2] zich voor het overige hebben beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze, overweegt de voorzieningenrechter dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [verzoekers sub 2] hebben geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Slotoverwegingen

11.    Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, griffier.

w.g. Helder    w.g. Lodeweges

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2017

625.