Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3174

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
201508931/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 19 november 2014 heeft de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk de Verordening winkeltijden Bodegraven-Reeuwijk 2015 (hierna: de Winkeltijdenverordening 2015) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508931/1/A3.

Datum uitspraak: 22 november 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 oktober 2015 in zaak nr. 15/6206 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk.

Procesverloop

Op 19 november 2014 heeft de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk de Verordening winkeltijden Bodegraven-Reeuwijk 2015 (hierna: de Winkeltijdenverordening 2015) vastgesteld.

Bij brief van 14 januari 2015 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen het besluit om geen inspraak te verlenen over het concept van de Winkeltijdenverordening 2015.

Bij besluit van 15 april 2015, kenmerk Z-15-31164/UIT-15-27351, heeft het college het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 23 oktober 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2016, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. H.E. Jansen, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. De Afdeling heeft [appellant] verzocht nadere informatie te verschaffen. Het college heeft hier bij brief van 1 maart 2017 op geantwoord.

Met toestemming van partijen is een nadere behandeling van de zaak ter zitting achterwege gebleven. De Afdeling heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1.    [appellant] woont in Bodegraven. Hij kan zich niet verenigen met het besluit om voorafgaand aan de vaststelling van de Winkeltijdenverordening 2015, waarin het aantal koopzondagen en de openstelling van supermarkten op zondag zou worden uitgebreid, geen schriftelijke inspraakprocedure te volgen. In het geval wel inspraak was geboden, dan zou de besluitvorming over de Winkeltijdenverordening 2015 naar aanleiding van de ingediende reacties minder snel en beter zijn verlopen en was de kans groter geweest dat niet alle supermarkten op zondag open mogen zijn, zo meent [appellant].

2.    De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft aan dit oordeel ten grondslag gelegd dat de beslissing van het college waarbij is besloten geen inspraak te verlenen, een beslissing is in de zin van artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Een dergelijke beslissing is in beginsel niet vatbaar voor bezwaar en beroep. Volgens de rechtbank doet de uitzondering als bedoeld in artikel 6:3 van de Awb - "tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft" - zich hier niet voor. De mogelijkheid dat het besluit tot vaststelling van de Winkeltijdenverordening 2015 zorgvuldiger zou zijn genomen als een inspraakprocedure was gevolgd, maakt volgens de rechtbank niet dat [appellant] rechtstreeks in zijn belangen wordt getroffen door het niet toepassen van de Inspraakverordening. Het college heeft het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk verklaard, aldus de rechtbank.

3.    Onder verwijzing naar de uitspraak van heden, 201508890/1/A3, is de Afdeling van oordeel dat ook [appellant] belang heeft bij de beoordeling van zijn hoger beroep, zodat geen grond bestaat dit niet-ontvankelijk te verklaren.

4.    Onder verwijzing naar voormelde uitspraak, overweegt de Afdeling  dat de raad - en niet het college - het bevoegde orgaan was om te besluiten op het door [appellant] gemaakte bezwaar.

    De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog van [appellant]  slaagt.

5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college op zijn bezwaarschrift alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

6.    De Afdeling ziet, op de gronden als aangegeven in de onder 3 vermelde uitspraak, aanleiding zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat voor de raad geen verplichting bestond voor de Winkeltijdenverordening 2015 een inspraakprocedure te volgen.

7.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant] te worden veroordeeld.

    Deze zaak is gelijktijdig ter zitting behandeld met de hiervoor vermelde zaak ECLI:NL:RVS:2017:3173. In de beide zaken is [gemachtigde] ter zitting als beroepsmatig rechtsbijstandverlener opgetreden. De Afdeling ziet hierin aanleiding om voor het verschijnen ter zitting in de beide zaken in totaal één punt toe te kennen en het in zoverre te vergoeden bedrag gelijkelijk te verdelen over deze zaak en zaak ECLI:NL:RVS:2017:3173.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van [appellant] gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 oktober 2015 in zaak nr. 15/6206;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk van 15 april 2015, kenmerk Z-15-31164/UIT-15-27351;

V.    bepaalt dat dat voor de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk geen verplichting bestond voor de Winkeltijdenverordening 2015 een inspraakprocedure te volgen;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 415,00 (zegge: vierhonderdvijftien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Konings

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2017

612.